Uitspraak
1.[verzoeker sub 1] ,
[handelsnaam],
hierna: [verzoeker sub 1] ,
2.
[verzoeker sub 2],
1.[verweerder sub 1] ,
2.
[verweerder sub 2],
3.
[verweerder sub 3],
4.
[verweerder sub 4],
5.
[verweerder sub 5],
6.
[verweerder sub 6],
1.De procedure
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 10,
- het verweerschrift houdende een tegenverzoek met producties 1 en 2,
- de akte van [verweerders c.s] met productie 3,
- de akte van [eisers c.s] met productie 11,
- de aantekeningen die de griffier tijdens de mondelinge behandeling van 3 juni 2026 heeft gemaakt,
- de spreekaantekeningen van beide partijen die zij tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen en overgelegd.
2.De kern van de zaak
[verweerders c.s] hebben de huurovereenkomst opgezegd. [eisers c.s] zijn het hier niet mee eens. Volgens [eisers c.s] had de overeenkomst niet opgezegd mogen worden omdat het gehuurde een bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en daarom aan hen huurbescherming toekomt. [verweerders c.s] betwisten dat en willen dat [eisers c.s] tot de ontruiming maandelijks een gebruiksvergoeding aan hen betalen. De kantonrechter oordeelt dat het gehuurde een bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:230a BW en dat [verweerders c.s] de huurovereenkomst rechtsgeldig hebben opgezegd. Het tijdstip van de ontruiming wordt vastgesteld op 1 september 2026. [verzoeker sub 1] moet tot de ontruiming maandelijks een gebruiksvergoeding aan [verweerders c.s] betalen.
3.De beoordeling
Reeds daaromworden de verzoeken van [eisers c.s] i) om [verzoeker sub 1] te machtigen om [verzoeker sub 2] in zijn plaats te stellen als huurder en ii) om [verweerders c.s] te gebieden hun medewerking te verlenen aan contractovername onder verbeurte van een dwangsom althans een schadevergoeding, afgewezen. Gelet hierop is niet nodig om de stelling van [verweerders c.s] te beoordelen, dat [eisers c.s] nietontvankelijk zijn in deze verzoeken
omdatde machtiging tot indeplaatsstelling en de medewerking aan contractovername in een dagvaardingsprocedure moeten worden gevorderd.
een zaak die
krachtens overeenkomstvan huur en verhuur
is bestemdvoor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, restaurant- of cafébedrijf, afhaal- of besteldienst of ambachtsbedrijf, indien (toevoeging kantonrechter: dus
én) in het verhuurde een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering aanwezig is.
Om de bestemming krachtens overeenkomst te bepalen, moet de huurovereenkomst worden uitgelegd. Daarbij gaat het erom wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten en moesten afleiden. Beslissend is wat aan de huurder en aan de verhuurder, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde,
bij het sluiten van de overeenkomstomtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan. [7]
[eisers c.s] . [verweerders c.s] stellen daar tegenover dat het niet gaat om een autobedrijf op zich, maar om de werkzaamheden in het kader van een autobedrijf. Het gehuurde is volgens [verweerders c.s] een werkplaats.
Situatie op het erf
[website]blijkt volgens [eisers c.s] dat zij auto’s te koop aanbieden vanuit het gehuurde. Er is een koffieruimte waar mensen naar binnen kunnen gaan en koffie kunnen drinken. De medewerkers lunchen in diezelfde ruimte. Deze ruimte is na 2016 gecreëerd door een unit tegen de garage (de kantonrechter begrijpt: één van de loodsen) te plaatsen. Volgens [eisers c.s] is de situatie sinds jaren zo dat klanten zonder afspraak in- en uitlopen.
[verweerders c.s] dat je een afspraak moet maken voor werkzaamheden. De later gecreëerde koffieruimte is voor medewerkers, aldus [verweerders c.s] . Volgens [verweerders c.s] verkopen [eisers c.s] mogelijk wel auto’s, maar is die activiteit ondergeschikt aan de hoofdfunctie van het bedrijf, namelijk service en reparatie aan auto’s.
bepalen– de kantonrechter begrijpt:
voor recht te verklaren [15] – dat [eisers c.s] maandelijks een gebruiksvergoeding [16] die gelijk is aan de (geïndexeerde) huurprijs [17] die zou gelden als de huur was voortgezet, verschuldigd zijn aan [verweerders c.s] tot het moment van de ontruiming. [eisers c.s] hebben hiertegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst dat verzoek toe. Autobedrijf
[eisers c.s] is weliswaar geen partij bij de huurovereenkomst, maar zij maakt naast [verzoeker sub 1] wel gebruik van het gehuurde. Die maandelijkse gebruiksvergoeding moet ook bij vooruitbetaling aan [verweerders c.s] worden betaald.
4.De beslissing
[verweerders c.s] moeten betalen voor het gebruik van het gehuurde gedurende de periode van 1 januari 2026 tot het moment van de ontruiming, ter hoogte van de maandelijkse huur inclusief de gebruikelijke jaarlijkse indexering,