ECLI:NL:RBMNE:2026:4799

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 juli 2026
Publicatiedatum
26 juli 2026
Zaaknummer
12125491 \ UE VERZ 26-90
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 7:290 BWArt. 6:119 BWArt. 6:159 BWArt. 6:212 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtsgeldige opzegging huurovereenkomst bedrijfsruimte zonder huurbescherming

De zaak betreft een geschil over de opzegging van een huurovereenkomst voor een bedrijfsruimte die sinds 2002 in gebruik is als autobedrijf. De huurovereenkomst is schriftelijk vastgelegd per 1 januari 2016 tussen verzoeker sub 1 en de eigenaar, de heer overledene 1, inmiddels opgevolgd door zijn erfgenamen.

Eisers c.s. stelden dat het gehuurde een bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 BW Pro, waardoor zij huurbescherming genieten en de opzegging niet rechtsgeldig zou zijn. Verweerders c.s. betwistten dit en stelden dat het gehuurde valt onder artikel 7:230a BW, zonder huurbescherming, en dat de opzegging rechtsgeldig is.

De kantonrechter oordeelde dat het gehuurde een 7:230a-bedrijfsruimte betreft, omdat de huurovereenkomst dit expliciet vermeldt en het gebruik beperkt is tot werkzaamheden in het kader van een autobedrijf zonder een voor publiek toegankelijk lokaal. De feitelijke inrichting en het gebruik van het gehuurde bevestigen dit. De opzegging per 1 januari 2026 is rechtsgeldig, en het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn werd afgewezen.

De ontruimingstermijn is vastgesteld op 1 september 2026. Eisers c.s. zijn veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding aan verweerders c.s. tot het moment van ontruiming. Tevens zijn eisers c.s. veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente bij niet tijdige betaling.

Uitkomst: De huurovereenkomst is rechtsgeldig opgezegd, ontruiming vastgesteld op 1 september 2026 en eisers veroordeeld tot betaling van gebruiksvergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12125491 \ UE VERZ 26-90 RvdH/1037
Beschikking van15juli 2026
in de zaak van

1.[verzoeker sub 1] ,

handelend onder de naam
[handelsnaam],
hierna: [verzoeker sub 1] ,
2.
[verzoeker sub 2],
hierna: [verzoeker sub 2] ,
beiden gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partijen,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna samen te noemen: [eisers c.s] ,
gemachtigde: mr. R.A.P. de Jager,
tegen

1.[verweerder sub 1] ,

wonende in [woonplaats] ,
2.
[verweerder sub 2],
wonende in [woonplaats] ,
3.
[verweerder sub 3],
wonende in [woonplaats] ,
4.
[verweerder sub 4],
wonende in [woonplaats] (Oostenrijk),
5.
[verweerder sub 5],
wonende in [woonplaats] ,
6.
[verweerder sub 6],
wonende in [woonplaats] ,
verwerende partijen,
verzoekende partijen in het tegenverzoek,
hierna samen te noemen: [verweerders c.s] ,
gemachtigde: mr. A. de Fouw.

1.De procedure

1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken:
  • het verzoekschrift met producties 1 tot en met 10,
  • het verweerschrift houdende een tegenverzoek met producties 1 en 2,
  • de akte van [verweerders c.s] met productie 3,
  • de akte van [eisers c.s] met productie 11,
  • de aantekeningen die de griffier tijdens de mondelinge behandeling van 3 juni 2026 heeft gemaakt,
  • de spreekaantekeningen van beide partijen die zij tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen en overgelegd.
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak in deze zaak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

Deze zaak gaat over een bedrijfsruimte [1] . De heer [overledene 1] [2] (hierna: [overledene 1] ) was eigenaar van die ruimte en exploiteerde daarin een autobedrijf. [verzoeker sub 1] heeft het autobedrijf en daarmee het feitelijke gebruik van de bedrijfsruimte in 2002 overgenomen. [3] De huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte is per 1 januari 2016 schriftelijk vastgelegd.
[verweerders c.s] hebben de huurovereenkomst opgezegd. [eisers c.s] zijn het hier niet mee eens. Volgens [eisers c.s] had de overeenkomst niet opgezegd mogen worden omdat het gehuurde een bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:290 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en daarom aan hen huurbescherming toekomt. [verweerders c.s] betwisten dat en willen dat [eisers c.s] tot de ontruiming maandelijks een gebruiksvergoeding aan hen betalen. De kantonrechter oordeelt dat het gehuurde een bedrijfsruimte is in de zin van artikel 7:230a BW en dat [verweerders c.s] de huurovereenkomst rechtsgeldig hebben opgezegd. Het tijdstip van de ontruiming wordt vastgesteld op 1 september 2026. [verzoeker sub 1] moet tot de ontruiming maandelijks een gebruiksvergoeding aan [verweerders c.s] betalen.

3.De beoordeling

3.1
Het verzoek van [eisers c.s] en het tegenverzoek van [verweerders c.s] hangen onderling met elkaar samen. Daarom beoordeelt de kantonrechter beide verzoeken gezamenlijk.
[verzoeker sub 1] en [verweerders c.s] zijn de partijen bij de huurovereenkomst
3.2
De kantonrechter stelt eerst vast dat [verzoeker sub 1] en [verweerders c.s] de partijen bij de huurovereenkomst zijn.
3.3
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verzoeker sub 1] de huurovereenkomst voor de bedrijfsruimte per 1 januari 2016 met [overledene 1] is aangegaan. [verzoeker sub 2] is de onderneming van de heer [A] , de zoon van [verzoeker sub 1] (hierna te noemen: [A] [4] ). Feitelijk exploiteert [A] inmiddels de onderneming in het gehuurde, maar juridisch was hij geen partij bij de totstandkoming van de huurovereenkomst met [overledene 1] .
3.4
[eisers c.s] voeren in dit kader aan dat [verzoeker sub 2] partij is geworden door contractsovername. De kantonrechter volgt [eisers c.s] hierin niet.
3.5
Contractsoverneming is een drie-partijenovereenkomst tussen de partij bij de overeenkomst die haar rechtsverhouding tot de wederpartij wil overdragen aan de derde ( [verzoeker sub 1] ), de wederpartij (destijds [overledene 1] , nu [verweerders c.s] ) en de derde ( [verzoeker sub 2] ). Voor de overeenkomst tussen de overdragende en overnemende partij is een akte vereist. [5] Zo’n akte moet de verklaringen van de overdrager en de overnemende derde bevatten dat zij de contractuele positie willen doen overgaan van de overdrager aan de overnemende derde. De noodzakelijke medewerking van de wederpartij is vormvrij. Zij kan besloten liggen in gedragingen van de wederpartij. De bewijslast van het bestaan van een akte en de medewerking door de wederpartij rusten op de partij die zich op de contractsoverneming beroept, in dit geval [eisers c.s] . [6]
3.6
[eisers c.s] hebben geen akte overgelegd waaruit blijkt dat [verzoeker sub 1] de contractuele positie uit de huurovereenkomst met [overledene 1] of [verweerders c.s] wilde over doen laten gaan op [verzoeker sub 2] . Dat volgens [eisers c.s] de eenmanszaak van [verzoeker sub 1] vennoot was van de vennootschap onder firma waarvan de middelen zijn ingebracht in de besloten vennootschap [verzoeker sub 2] , maakt – zonder akte – niet dat [verzoeker sub 2] juridisch partij is bij de huurovereenkomst met [verweerders c.s] .
3.7
Of [overledene 1] dan wel [verweerders c.s] de noodzakelijke medewerking hebben verleend aan de door [eisers c.s] gestelde contractsovername kan, door het ontbreken van de akte, in het midden blijven.
3.8
Deze procedure leidt er niet toe dat [verzoeker sub 2] partij wordt bij de huurovereenkomst. Zoals hierna wordt overwogen, is de huurovereenkomst rechtsgeldig per 1 januari 2026 opgezegd door [verweerders c.s] .
3.9
Doordat de huurovereenkomst rechtsgeldig per 1 januari 2026 is beëindigd, is het niet meer mogelijk om een andere partij in de plaats van [verzoeker sub 1] te stellen of de huurovereenkomst door een andere partij over te laten nemen.
Reeds daaromworden de verzoeken van [eisers c.s] i) om [verzoeker sub 1] te machtigen om [verzoeker sub 2] in zijn plaats te stellen als huurder en ii) om [verweerders c.s] te gebieden hun medewerking te verlenen aan contractovername onder verbeurte van een dwangsom althans een schadevergoeding, afgewezen. Gelet hierop is niet nodig om de stelling van [verweerders c.s] te beoordelen, dat [eisers c.s] nietontvankelijk zijn in deze verzoeken
omdatde machtiging tot indeplaatsstelling en de medewerking aan contractovername in een dagvaardingsprocedure moeten worden gevorderd.
Het huurregime voor de huur van een 7:230a-bedrijfsruimte is van toepassing
Het beoordelingskader
3.1
De kantonrechter beoordeelt hierna welk huurregime van toepassing is op de huurovereenkomst tussen [verzoeker sub 1] en [verweerders c.s] : huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro of huur van bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW. Bij 7:290bedrijfsruimte hebben huurders huurbescherming. Bij 7:230a-bedrijfsruimte hebben huurders geen huurbescherming. Opzegging van de huurovereenkomst door de verhuurder leidt dan in beginsel tot het eindigen van de huur. De huurder van een 7:230a-bedrijfsruimte geniet wel een in tijd beperkte ontruimingsbescherming.
3.11
Bij de beantwoording van de vraag of het huurregime van artikel 7:230a BW of het huurregime van artikel 7:290 BW Pro van toepassing is op de huurovereenkomst, stelt de kantonrechter het volgende voorop.
3.12
Het regime van artikel 7:230a BW geldt voor bedrijfsruimten die geen artikel 7:290 BW Pro-bedrijfsruimten zijn. Onder een artikel 7:290 BW Pro-bedrijfsruimte wordt verstaan:
een zaak die
krachtens overeenkomstvan huur en verhuur
is bestemdvoor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, restaurant- of cafébedrijf, afhaal- of besteldienst of ambachtsbedrijf, indien (toevoeging kantonrechter: dus
én) in het verhuurde een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering aanwezig is.
Om de bestemming krachtens overeenkomst te bepalen, moet de huurovereenkomst worden uitgelegd. Daarbij gaat het erom wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en gedragingen redelijkerwijs mochten en moesten afleiden. Beslissend is wat aan de huurder en aan de verhuurder, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde,
bij het sluiten van de overeenkomstomtrent het gebruik van het gehuurde voor ogen heeft gestaan. [7]
3.13
De kantonrechter is van oordeel dat de door [verzoeker sub 1] gehuurde bedrijfsruimte kwalificeert als een 7:230a-bedrijfsruimte. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
Bestemming en gebruik gehuurde volgens de huurovereenkomst
 Tekst van de huurovereenkomst
3.14
De kantonrechter stelt vast dat de tekst van de huurovereenkomst erop wijst dat [overledene 1] en [verzoeker sub 1] bij het sluiten van de huurovereenkomst het gehuurde wilden bestemmen als 230a-bedrijfsruimte voor een autobedrijf en niet (mede) als verkoopruimte of ambachtsbedrijf in de zin van artikel 7:290 BW Pro. De door beide partijen ondertekende huurovereenkomst vermeldt namelijk expliciet in de kop dat het gaat om een ‘Huurovereenkomst kantoorruimte en andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW’. In de (kop van) de huurovereenkomst staat niet genoemd dat het gaat om een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW Pro.
3.15
Verder staat in artikel 1.2 van de huurovereenkomst dat het gehuurde uitsluitend mag worden gebruikt voor ‘werkzaamheden in het kader van een autobedrijf’.
3.15.1
De definitie van een autobedrijf moet volgens [eisers c.s] worden uitgelegd als ‘een bedrijf dat auto’s produceert, verhandelt of repareert’. Een autobedrijf is iets anders dan een garagebedrijf, waar het uitvoeren van reparaties de belangrijkste kernactiviteit is, aldus
[eisers c.s] . [verweerders c.s] stellen daar tegenover dat het niet gaat om een autobedrijf op zich, maar om de werkzaamheden in het kader van een autobedrijf. Het gehuurde is volgens [verweerders c.s] een werkplaats.
3.15.2
De kantonrechter overweegt dat de woordkeuze in de bestemmingsclausule in de huurovereenkomst een aanwijzing vormt dat de bestemming slechts ziet op de reparatie- en onderhoudswerkzaamheden in het kader van een autobedrijf. Dit past ook bij de omschrijving van het gehuurde. Uit de omschrijving van het gehuurde volgt dat het gehuurde bestaat uit twee werkplaatsen op de begane grond (220m² en 230m²) [8] , een zolder boven een van de werkplaatsen en parkeerplaatsen op het buitenterrein. Dat er sprake is van een verkoopruimte of ruimte die anderszins bedoeld is voor het ontvangen van klanten, blijkt hier niet uit.
3.15.3
Partijen hebben in de huurovereenkomst ook niets opgenomen over de mogelijkheid van handel in auto’s bij het gehuurde. Partijen hadden met een eenvoudige toevoeging (als: autoverkoop/autohandel) duidelijk kunnen maken dat de bestemming van het gehuurde op meer zag dan op ‘werkzaamheden’ in het kader van een autobedrijf. Dat hebben zij niet gedaan, terwijl toen in 2016 de huurrelatie werd geformaliseerd van partijen verwacht kon worden dat het voor hen duidelijk was welke bestemming het gehuurde feitelijk had.
3.16
Een bedrijfsruimte waarin slechts werkzaamheden in het kader van een autobedrijf worden verricht (een werkplaats), is niet bedoeld als een voor publiek toegankelijke verkooplocatie. Een werkplaats, in de vorm van een autobedrijf, kan onder omstandigheden bedoeld zijn voor meer dan alleen het verrichten van werkzaamheden aan auto’s, maar dan moet daarvoor wel een duidelijke aanwijzing zijn. Uit het voorgaande volgt dat de tekst van de huurovereenkomst die aanwijzing niet geeft.

Situatie op het erf
3.17
[verweerders c.s] voeren daarbij aan dat het ook nooit de bedoeling is geweest om een situatie met huurbescherming op grond van artikel 7:290 BW Pro te laten ontstaan, omdat het woonhuis van [overledene 1] naast de werkplaats staat – zie hiernaast een scan van het bij de huurovereenkomst behorende plattegrond [9] ; de “tuin woonhuis’ grenst aan de openbare weg – en de familie flexibel wilde blijven in het gebruik van het erf waar zij op woonden. Dit is de reden dat is gekozen voor de bestemming en het huurregime als gemeld op de huurovereenkomst. Ook de leeftijd van [overledene 1] ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst in 2016 speelde een rol bij deze keuze. Partijen zijn om deze redenen overeengekomen dat de huurovereenkomst na twee perioden van vijf jaren zal worden voortgezet voor aansluitende perioden van steeds maar één jaar. De kantonrechter overweegt dat in het licht van deze omstandigheden ook de duur van de huurovereenkomst een aanwijzing vormt dat partijen niet de bedoeling hebben gehad om een overeenkomst voor een 290-bedrijfsruimte te sluiten.
 De bedoeling was niet een voor publiek toegankelijk lokaal in de zin van artikel 7:290 BW Pro
3.18
[eisers c.s] stellen – zonder onderbouwing – dat er tot 2002 (toen [overledene 1] daarin zijn onderneming exploiteerde) auto’s werden verkocht vanuit het gehuurde en dat zij de bedrijfsvoering geheel heeft overgenomen. [eisers c.s] stellen ook – zonder onderbouwing – dat er altijd sprake is geweest van een voor het publiek toegankelijk lokaal. Klanten liepen en lopen binnen bij het gehuurde voor de aanschaf van een auto, (kleine) reparaties en storingen en dat doen zij altijd zonder afspraak. Het autobedrijf in het gehuurde staat al jaren in de regio bekend als ‘dorpsgarage’.
3.19
Ook voor dit aspect van de contractuele bestemming van het gehuurde, de publieke toegankelijkheid van het zich in het gehuurde bevindende ‘lokaal’, geldt dat beslissend is wat partijen, mede in aanmerking genomen de inrichting van het gehuurde, bij het sluiten van de huurovereenkomst daarover voor ogen heeft gestaan. [10]
3.2
De kantonrechter overweegt dat niet kan worden vastgesteld dat in 2016 zo duidelijk sprake was van een voor publiek toegankelijk lokaal dat [verzoeker sub 1] er daarom van mocht uitgaan dat hij (anders dan in de huurovereenkomst staat) een 290-bedrijfsruimte huurde, want [eisers c.s] hebben hun stellingen over de omstandigheden die daartoe aanleiding zouden hebben gegeven, niet onderbouwd. Daar komt bij dat [verweerders c.s] aanvoeren dat het nooit de bedoeling van [overledene 1] is geweest om een voor het publiek toegankelijk lokaal te creëren. Het erf ligt een in landelijk gebied. Het gehuurde is, zoals gezegd, een loods met werkplaats op een woonerf. Volgens [verweerders c.s] was de gang van zaken vóór de overname door [verzoeker sub 1] dat klanten aanbelden bij de woning van [overledene 1] als zij het erf op wilden of de werkplaats wilden bezoeken. [eisers c.s] hebben dit slechts in algemene bewoordingen betwist.
3.21
De kantonrechter overweegt dat uit het voorgaande volgt dat zowel de tekst van de huurovereenkomst als hetgeen [verweerders c.s] hebben aangevoerd tegen de (niet nader onderbouwde) stellingen van [eisers c.s] , erop wijzen dat het [overledene 1] en [verzoeker sub 1] bij het sluiten van de huurovereenkomst voor ogen stond dat het gehuurde alleen als 230abedrijfsruimte bestemd werd, met toepassing van de daarbij horende regels.
Het feitelijk gebruik leidt niet tot een ander huurregime
3.22
Als de huurder het gehuurde feitelijk voor iets anders gebruikt dan partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst zijn overeengekomen, dan ‘verkleurt’ hiermee niet automatisch het toepasselijke huurrechtregime. Daarvoor is vereist dat partijen beiden instemmen met de wijziging van de bestemming (en daarmee mogelijk ook met een wijziging van het regime). Een louter stilzitten van of gedogen door de verhuurder van ander feitelijk gebruik is in dat verband niet voldoende. Een stilzwijgende instemming is op zichzelf onder omstandigheden niet uitgesloten, maar kan niet snel worden aangenomen als dit betekent dat het toepasselijke regime in het nadeel van de verhuurder wijzigt. [11]
 Geen voor publiek toegankelijk lokaal
3.23
[eisers c.s] voeren onweersproken aan dat de onderneming in het gehuurde, een auto(schade)herstelbedrijf, een ambachtsbedrijf is, waardoor volgens hen het gehuurde ‘per definitie’ onder het regime van artikel 7:290 BW Pro valt. Hierbij gaan [eisers c.s] er ten onrechte aan voorbij dat ook een ambachtsbedrijf moet worden geëxploiteerd in een voor publiek toegankelijk lokaal. De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een voor publiek toegankelijk lokaal. Hierbij is het volgende relevant.
3.24
Volgens [eisers c.s] kunnen particulieren de auto’s bij het gehuurde bezichtigen en aanschaffen. Uit de website en het aanbod op de website
[website]blijkt volgens [eisers c.s] dat zij auto’s te koop aanbieden vanuit het gehuurde. Er is een koffieruimte waar mensen naar binnen kunnen gaan en koffie kunnen drinken. De medewerkers lunchen in diezelfde ruimte. Deze ruimte is na 2016 gecreëerd door een unit tegen de garage (de kantonrechter begrijpt: één van de loodsen) te plaatsen. Volgens [eisers c.s] is de situatie sinds jaren zo dat klanten zonder afspraak in- en uitlopen.
3.25
[verweerders c.s] betwisten dat er sprake is van een komen en gaan van klanten die zonder afspraak langskomen. Op de website van [verzoeker sub 2] staat volgens
[verweerders c.s] dat je een afspraak moet maken voor werkzaamheden. De later gecreëerde koffieruimte is voor medewerkers, aldus [verweerders c.s] . Volgens [verweerders c.s] verkopen [eisers c.s] mogelijk wel auto’s, maar is die activiteit ondergeschikt aan de hoofdfunctie van het bedrijf, namelijk service en reparatie aan auto’s.
3.26
Het gehuurde straalt naar het oordeel van de kantonrechter niet uit dat het de bedoeling is dat een potentiële klant – zonder achtergrondkennis uit de regio – zonder afspraak binnenloopt bij het gehuurde en daar een reparatie laat verrichten of een auto koopt. [eisers c.s] hebben namelijk toegelicht dat het bij hun vaste klanten bekend is dat dat kan, maar dan beperkt de directe toegankelijkheid zich tot een bepaalde kring personen. Het bedrijf heeft dan alsnog een besloten karakter. [12]
3.27
Op de door [eisers c.s] overgelegde foto’s [13] is bovendien te zien dat de gehuurde loods op dit moment is ingericht als werkplaats: er staan bruggen, gereedschap en stellingkasten. De aankleding is kaal en passend bij een ruimte die als werkplaats wordt gebruikt. Er is geen zithoek of servicebalie zichtbaar op de foto’s. Op de foto’s van de buitenruimte is te zien dat er auto’s geparkeerd staan (met en zonder kenteken) voor de loods en dat er naast de deur van de loods een bord hangt met ‘ [eisers c.s] autobedrijf. Deze deur met het bord ernaast, liggen wat verder van de weg en voorbij de parkeerplaatsen. Ook deze kenmerken vormen een aanwijzing dat er geen sprake is van een voor publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening, als bedoeld in artikel 7:290 BW Pro.
 Conclusie
3.28
Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en gewogen brengen de kantonrechter tot het oordeel dat niet kan worden aangenomen dat sprake is van een voor het publiek toegankelijk lokaal. Of [overledene 1] / [verweerders c.s] hebben ingestemd met de feitelijke wijze waarop [eisers c.s] het gehuurde nu gebruiken dat anders is dan [overledene 1] en [verzoeker sub 1] bij het sluiten van de huurovereenkomst zijn overeengekomen, kan daarom in het midden worden gelaten. De huurovereenkomst is niet ‘verkleurt’ naar een huurovereenkomst die valt onder het regime van artikel 7:290 BW Pro. Partijen hebben bij de aanvang van de huurovereenkomst die bedoeling ook niet gehad. De consequentie daarvan is dat ook nu geen sprake is van 290-bedrijfsruimte, maar nog steeds van 230a-ruimte.
Rechtsgeldige opzegging
3.29
[verweerders c.s] hebben de met [verzoeker sub 1] gesloten huurovereenkomst op 21 september 20205 opgezegd tegen 1 januari 2026 en dat is volgens de afspraken uit de huurovereenkomst. [14] Dit betekent dat [verweerders c.s] de huurovereenkomst rechtsgeldig hebben opgezegd. Het primaire verzoek van [eisers c.s] om hen niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt reeds daarom afgewezen.
De ontruimingstermijn wordt niet verlengd: uitkomst belangenafweging
3.3
Vervolgens wordt het subsidiaire verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn beoordeeld.
3.31
Op grond van artikel 7:230a lid 4 BW wordt een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn slechts toegewezen als het belang van huurder door de ontruiming ernstiger wordt geschaad dan het belang van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik, tenzij, kort gezegd, aannemelijk is dat sprake is van overlast of onbehoorlijk gebruik van het gehuurde.
3.32
Onder 3.2 tot en met 3.6 is vastgesteld dat [verzoeker sub 1] de huurder van de bedrijfsruimte is. [A] voert nu het bedrijf, waardoor feitelijk de belangen van hem en zijn B.V. in het geding zijn. Omdat [A] en zijn B.V. geen partij zijn bij de huurovereenkomst houdt de kantonrechter geen rekening met hun belangen.
3.33
[verzoeker sub 1] heeft geen belangen aangevoerd die hemzelf treffen en die een verlenging van de ontruimingstermijn rechtvaardigen.
3.34
Daar staat tegenover dat [verweerders c.s] hebben aangevoerd dat zij zelf over het gehuurde willen beschikken om het te kunnen verkopen. Het gehuurde is – zoals gezegd – gelegen op een woonerf. [verweerders c.s] hebben het perceel geërfd en willen het verkopen. Op dit moment moeten zij met elkaar het beheer voeren over het perceel, de opstallen en de woning en dat is op langere termijn niet wenselijk. De kantonrechter is van oordeel dat van [verweerders c.s] niet gevergd kan worden dat [verzoeker sub 1] het recht op het gebruik van het gehuurde behoudt. Dit betekent dat het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen.
Het tijdstip van de ontruiming – beschikking geldt als een veroordeling tot ontruiming
3.35
Bij afwijzing van het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn stelt de kantonrechter ingevolge artikel 7:230a lid 7 BW het tijdstip van ontruiming vast. De kantonrechter acht het redelijk om de termijn van de ontruiming vast te stellen op 1 september 2026. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat [eisers c.s] sinds 21 september 2025 weten dat de huurovereenkomst tegen 1 januari 2026 is opgezegd.
3.36
Artikel 7:230a lid 7 BW bepaalt dat een beschikking waarbij het tijdstip van ontruiming wordt vastgesteld, als een veroordeling tot ontruiming tegen dat tijdstip geldt.
Gebruiksvergoeding
3.37
[verweerders c.s] hebben als tegenverzoek verzocht om te
bepalen– de kantonrechter begrijpt:
voor recht te verklaren [15] – dat [eisers c.s] maandelijks een gebruiksvergoeding [16] die gelijk is aan de (geïndexeerde) huurprijs [17] die zou gelden als de huur was voortgezet, verschuldigd zijn aan [verweerders c.s] tot het moment van de ontruiming. [eisers c.s] hebben hiertegen geen verweer gevoerd. De kantonrechter wijst dat verzoek toe. Autobedrijf
[eisers c.s] is weliswaar geen partij bij de huurovereenkomst, maar zij maakt naast [verzoeker sub 1] wel gebruik van het gehuurde. Die maandelijkse gebruiksvergoeding moet ook bij vooruitbetaling aan [verweerders c.s] worden betaald.
De proceskosten
3.38
[eisers c.s] zijn in het verzoek in het ongelijk gesteld en worden daarom in de kosten veroordeeld. [18] Dit betekent dat zij hun eigen proceskosten moeten dragen en de proceskosten (inclusief nakosten) van [verweerders c.s] aan hen moeten betalen. Die bedragen € 720,00 en bestaan uit het salaris gemachtigde (2 punten x tarief ‘kanton, overige verzoeken’ € 288,00) en de nakosten (€ 144,00) alsook de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
3.39
In het tegenverzoek zijn [eisers c.s] ook in het ongelijk gesteld en worden daarom in de kosten van het tegenverzoek veroordeeld. Gezien de samenhang met het verzoek worden de proceskosten van [verweerders c.s] begroot op nihil.
3.4
De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen als hierna vermeld.
Geen uitvoerbaar bij voorraad verklaring
3.41
Omdat de verzoeken van [eisers c.s] worden afgewezen en [verweerders c.s] geen uitvoerbaar bij voorraadverklaring wensen, wordt deze beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.De beslissing

De kantonrechter:
op het verzoek:
4.1
wijst de verzoeken van [eisers c.s] af;
4.2
stelt het tijdstip van de ontruiming vast op 1 september 2026,
4.3
verstaat dat deze beschikking op grond van artikel 7:230a lid 7 BW geldt als een veroordeling tot ontruiming tegen 1 september 2026;
4.4
veroordeelt [eisers c.s] in de kosten; zij moeten de proceskosten van [verweerders c.s] van € 720,00 aan hen betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en de kosten van betekening als [eisers c.s] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en deze beschikking daarna wordt betekend,
4.5
veroordeelt [eisers c.s] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na de betekening van deze beschikking zijn voldaan;
op het tegenverzoek:
4.6
verklaart voor recht dat [eisers c.s] maandelijks een gebruiksvergoeding aan
[verweerders c.s] moeten betalen voor het gebruik van het gehuurde gedurende de periode van 1 januari 2026 tot het moment van de ontruiming, ter hoogte van de maandelijkse huur inclusief de gebruikelijke jaarlijkse indexering,
4.7
veroordeelt [eisers c.s] in de kosten; zij moeten de proceskosten van [verweerders c.s] aan hen betalen, begroot op nihil,
op het verzoek en het tegenverzoek:
4.8
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.

Voetnoten

1.Bestaande uit twee werkplaatsen op de begane grond in een loods, een zolder boven een van de werkplaatsen en de parkeerplaatsen op het buitenterrein. Op het erf waarop deze bedrijfsruimte ligt bevindt zich ook het woonhuis van wijlen de heer [overledene 1] en zijn echtgenote, wijlen mevrouw [overledene 2] .
2.De heer [overledene 1] is in 2017 overleden. Zijn erfgenamen zijn sinds 30 april 2025 (na het overlijden van mevrouw [overledene 2] in januari 2025) eigenaar van het gehuurde. De erfgenamen zijn de verwerende partijen in deze procedure.
3.Althans: sinds 2002 het deel autoherstel en sinds 2015 ook het deel autoschadebedrijf.
4.[A] is middellijk bestuurder van deze besloten vennootschap.
5.Artikel 6:159 BW Pro.
6.Vergelijk het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 oktober 2018 (ECLI:NL:GHARL:2018:9478, r.o. 6.3).
7.Zie het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 september 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1854, r.o. 6.2).
8.In een loods.
9.Productie 3 bij het verzoekschrift.
10.Vergelijk met het vonnis van een kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:1201, r.o. 3.6).
11.Zie het arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 september 2025 (ECLI:NL:GHDHA:2025:1854, r.o. 6.15) en de conclusie van A-G G.R.B. van Peursem van 28 maart 2025 (ECLI:NL:PHR:2025:394; onder 3.10).
12.Vergelijk met het vonnis van een kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 27 februari 2020 (ECLI:NL:RBAMS:202:1201, r.o. 3.6).
13.Productie 10 bij het verzoekschrift.
14.Zie artikel 3.3. van de huurovereenkomst.
15.Artikel 3:302 BW Pro.
16.Toewijsbaar op grond van artikel 6:212 BW Pro.
17.Zoals bepaald in artikel 4.3 van de huurovereenkomst in verbinding met artikel 17.1 van de toepasselijke algemene bepalingen.
18.Zie artikel 237 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).