ECLI:NL:RBMNE:2026:4800

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
11972959 \ AC EXPL 25-2590
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:74 BWArt. 6:75 BWArt. 6:83 sub c BWArt. 6:97 BWArt. 6:101 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Huurder niet aansprakelijk voor brandschade heftrucks door verzekeringsovereenkomst verhuurder

De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en huurder van twee heftrucks die door brand op het terrein van de huurder onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. De verhuurder vordert vergoeding van de vervangingswaarde en bijkomende schade, terwijl de huurder stelt dat de verhuurder tekort is geschoten in het verzekeren van de heftrucks.

De kantonrechter stelt vast dat de huurder tekort is geschoten in het nemen van preventieve maatregelen, maar dat de verhuurder de heftrucks had moeten verzekeren tegen brandschade. De verhuurder heeft de verzekeringspremie geïnd en de huurder mocht erop vertrouwen dat de heftrucks verzekerd waren. De brandschade aan de oudere heftruck viel echter buiten de dekking vanwege de leeftijd, wat voor rekening van de verhuurder komt.

De rechter veroordeelt de huurder tot betaling van een schadevergoeding van €14.950,71, bestaande uit eigen risico, gemiste huurinkomsten en buitengerechtelijke kosten, maar wijst de vordering tot vergoeding van de volledige dagwaarde af. Tevens worden wettelijke rente en proceskosten toegewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder moet een schadevergoeding van €14.950,71 betalen wegens brandschade aan heftrucks, maar is niet aansprakelijk voor de volledige dagwaarde omdat de verhuurder de verzekeringsovereenkomst niet adequaat heeft nageleefd.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 11972959 \ AC EXPL 25-2590
Vonnis van 15 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: Jurato bedrijfsjuristen,
tegen
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigden: mr. C. Banis en K.M. Roos.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 18
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte met aanvullende producties 19 t/m 23 van [eiser]
- de akte met aanvullende producties 24 t/m 27 van [eiser]
- de mondelinge behandeling van 3 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

2.De kern van de zaak

[gedaagde] huurde twee heftrucks van [eiser] . Deze heftrucks zijn door een brand op het terrein van [gedaagde] verloren gegaan. [eiser] heeft een claim ingediend bij haar verzekeraar, voor de vervangingswaarde van de heftrucks. Voor één heftruck is dit afgewezen, omdat de brandschade vanwege de ouderdom van de heftruck niet meer gedekt was door de afgesloten verzekering. [eiser] vordert dat [gedaagde] de vervangingswaarde van die heftruck betaalt, en ook de andere schade die [eiser] als gevolg van de brand heeft geleden. Die schade bestaat uit het eigen risico van de andere heftruck, huurderving, wettelijke rente en incassokosten. Zij vordert in totaal € 25.000,00. Hoewel [gedaagde] is tekortgeschoten in haar verplichting om voldoende preventieve maatregelen te nemen om de schade aan de heftrucks te voorkomen, hoeft [eiser] niet de volledige vervangingswaarde van de heftruck te betalen. [gedaagde] mocht er namelijk op vertrouwen dat [eiser] de heftruck had verzekerd tegen brandschade. De schade die [eiser] wel moet betalen wordt begroot op € 14.950,71.

3.De beoordeling

Door brand bij [gedaagde] zijn heftrucks van [eiser] beschadigd geraakt
3.1
[gedaagde] en [eiser] hebben op 15 december 2021 een huurovereenkomst gesloten voor een heftruck uit 2008 en op 30 oktober 2023 voor de heftruck uit 2012. De twee huurovereenkomsten zijn voor onbepaalde tijd aangegaan en per week opzegbaar. De huurprijs voor de heftruck uit 2008 bedroeg € 284,00 per week, de huurprijs voor de heftruck uit 2012 was € 468,04 per week. Op de huurovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden van [eiser] (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing.
3.2
Op het terrein van [gedaagde] wordt ingezameld afval opgeslagen. Op of omstreeks 14 maart 2024 is brand ontstaan op dat terrein en door die brand zijn de twee gehuurde heftrucks onherstelbaar beschadigd geraakt. Interlloyd Averij heeft in opdracht van [eiser] onderzoek gedaan naar de schade aan de heftrucks en heeft een expertiserapport opgesteld. Partijen zijn het eens met de conclusies van Interlloyd Averij. Uit het expertiserapport van 3 juli 2024 (hierna: het expertiserapport) blijkt het volgende:
  • de heftrucks zijn onherstelbaar beschadigd geraakt,
  • de dagwaarde van de heftruck met het bouwjaar 2008 bedroeg € 17.000,00,
  • de dagwaarde van de heftruck met het bouwjaar 2012 bedroeg € 19.000,00.
[gedaagde] is tekortgeschoten in haar verplichting om schade aan de heftrucks te voorkomen
[gedaagde] moest preventieve maatregelen nemen om schade aan de heftrucks te voorkomen
3.3
Dat [gedaagde] zo veel mogelijk preventieve maatregelen moest nemen om schade aan de heftrucks te voorkomen, is niet in geschil tussen partijen. Deze verplichting is ook expliciet opgenomen in de algemene voorwaarden. Daarin zijn partijen ook overeengekomen dat [gedaagde] zo nodig dient aan te tonen dat zij voldoende preventieve maatregelen heeft genomen. [1]
3.4
[gedaagde] erkent dat er een reëel risico bestaat dat op haar terrein brand ontstaat. Zij werkt namelijk met potentieel brandgevaarlijk materiaal. [gedaagde] maakt per afvalcategorie een inschatting van het (brand)gevaar van het afval. De interne procedures die gevolgd moeten worden, zijn daarop ingericht.
3.5
Hoewel de exacte oorzaak van de brand niet is komen vast te staan, vermoedt [gedaagde] dat de brand is ontstaan door kortsluiting in recent binnengekomen ‘met batterij verdacht materiaal’. Dat materiaal was tijdelijk opgeslagen in een Intermediate Bulk Container (IBC), een kubusvormige container met een gaasconstructie. Van het afval in IBC’s is nog onduidelijk hoe brandgevaarlijk het is. [gedaagde] heeft toegelicht dat het afval daarom buiten wordt opgeslagen, weg van andere brandbare bulkstromen zoals hout, kunststof en gemengd restafval.
3.6
[gedaagde] heeft een interne richtlijn die specifiek bedoeld is om brandschade aan werkmaterieel (zoals heftrucks) te voorkomen. Volgens de richtlijn “ [gedaagde] Standaard Minimum Fire Risk Management RS-008-V” moet werkmaterieel:
  • buiten en op meer dan tien meter van de IBC’s geparkeerd worden of
  • daarvan worden gescheiden door een brandmuur of bunker.
3.7
Volgens [gedaagde] heeft zij deze richtlijn nageleefd, maar dat betwist [eiser] .
Het is niet komen vast te staan dat [gedaagde] zich aan haar richtlijn heeft gehouden
3.8
Het is niet komen vast te staan dat [gedaagde] heeft voldaan aan haar eigen, interne, richtlijn voor het stallen van werkmaterieel. [gedaagde] heeft de twee heftrucks inderdaad buiten geparkeerd, maar dat zij op meer dan tien meter afstand van de IBC’s stonden, is niet komen vast te staan. Er is namelijk geen informatie overgelegd over de exacte afstand tussen de heftrucks en de plek waar de brand is ontstaan. Op de foto op pagina 7 van het expertiserapport is te zien dat de heftrucks vlak bij de IBC’s zijn geparkeerd. Op die foto, die van dichtbij is genomen, zijn namelijk zowel de heftruck als enkele (op elkaar gestapelde) IBC’s te zien. Dat op elkaar gestapelde IBC’s en de heftrucks bij elkaar stonden, blijkt ook uit de bovenste foto op pagina 3 van de conclusie van antwoord, maar dat de afstand daartussen groter was dan tien meter, kan hieruit niet worden afgeleid.
3.9
[gedaagde] had er volgens haar eigen richtlijn ook voor mogen kiezen om de heftrucks en IBC’s van elkaar te scheiden met een brandmuur. De kantonrechter kan ook niet vaststellen of deze preventieve maatregel is getroffen. Het doel van een brandmuur is om te voorkomen dat brand of hitte van de ene kant naar de andere kant overslaat. Volgens [gedaagde] was er tussen de heftrucks en de IBC’s sprake van een fysieke afscheiding, die bestond uit een aantal op elkaar gestapelde betonblokken. Op de foto’s in het expertiserapport en de conclusie van antwoord zijn in de buurt van de heftrucks een aantal op elkaar gestapelde betonblokken te zien. De kantonrechter kan niet vaststellen of de relatief lage stapel van betonblokken een brandmuur vormt, zoals de interne richtlijn voorschrijft. [gedaagde] heeft daarover namelijk geen informatie verstrekt. Daar komt nog bij dat niet is komen vast te staan dat de heftrucks volledig achter de fysieke afscheiding geparkeerd stonden. Op de foto op pagina 7 van het expertiserapport zijn weliswaar voor één van de heftrucks een aantal betonblokken te zien, maar dat deze heftruck in zijn geheel achter deze betonblokken geparkeerd stond, blijkt daar niet uit. Van de andere heftruck is geen informatie overgelegd op basis waarvan de kantonrechter kan vaststellen dat deze achter een brandmuur stond.
3.1
[gedaagde] had dus een nadere toelichting moeten geven op de door haar getroffen preventieve maatregelen, bijvoorbeeld door informatie aan te leveren over de door haar gehanteerde afstand tussen de IBC’s en de heftrucks en de (interne) vereisten voor een brandmuur. Doordat zij dit niet heeft gedaan, kan de kantonrechter niet vaststellen dat [gedaagde] de richtlijn heeft nageleefd.
Doordat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] de richtlijn heeft nageleefd, staat de tekortkoming vast
3.11
Doordat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] haar eigen richtlijn heeft nageleefd, heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken dat zij te weinig preventieve maatregelen heeft getroffen en staat de tekortkoming dus vast. Van [gedaagde] mocht namelijk worden verwacht dat zij (in ieder geval) haar eigen richtlijn ter voorkoming van brandschade, zou naleven.
3.12
Doordat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] zich aan haar eigen (minimale) veiligheidsvoorschriften heeft gehouden, komt de kantonrechter er ook niet aan toe om te beoordelen of [gedaagde] méér voorzorgsmaatregelen had moeten nemen om de schade te voorkomen, zoals tussen partijen ter discussie stond. Naar aanleiding van het debat tijdens de mondelinge behandeling, merkt de kantonrechter hierover voor de volledigheid nog op dat zonder nadere informatie over de omvang en indeling van het bedrijfsterrein van [gedaagde] , ook niet kan worden beoordeeld of in redelijkheid van [gedaagde] mocht worden verwacht dat zij de heftrucks verder weg zou parkeren.
Er is geen sprake van overmacht
3.13
Er is dus sprake van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Iemand die tekortschiet in de nakoming van een overeengekomen verbintenis, is aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is, tenzij die tekortkoming hem niet kan worden toegerekend. [2] Daarvan is sprake als een tekortkoming niet te wijten aan de schuld van degene die niet is nagekomen, en ook niet voor diens risico hoort te blijven. [3] Dit wordt overmacht genoemd.
3.14
Volgens [gedaagde] is sprake is van overmacht, omdat het niet haar schuld is dat de brandschade is ontstaat en zij al het mogelijke heeft gedaan om dat te voorkomen. Dit beroep op overmacht slaagt niet. [gedaagde] had anders kunnen en ook anders moeten handelen. Anders dan [gedaagde] stelt, was het voor [gedaagde] voorzienbaar dat brand zou kunnen ontstaan in de IBC’s. [gedaagde] werkt met brandgevaarlijk afval en neemt juist extra voorzorgsmaatregelen om brand bij de IBC’s te voorkomen. Die worden niet alleen buiten opgeslagen, maar het afval in de IBC’s wordt ook met een extra processtap nagekeken en verwerkt. Het was ook voorzienbaar dat een brand zou kunnen overslaan op het werkmateriaal, waaronder de heftrucks. Daarom zijn er interne richtlijnen om dit te voorkomen. Zoals hierboven is overwogen, is niet komen vast te staan dat [gedaagde] zich heeft gehouden aan die richtlijnen. Daarmee staat ook vast dat zij niet genoeg heeft gedaan om de schade aan de heftrucks te voorkomen en de tekortkoming te vermijden. De tekortkoming is dus toerekenbaar.
[gedaagde] moet een schadevergoeding van € 14.950,71 betalen
3.15
Door de brand is schade ontstaan. [eiser] heeft de schade begroot op in totaal € 68.719,60 (€ 500,00 vanwege het eigen risico voor de heftruck uit 2012, € 17.000,00 voor de heftruck uit 2008, € 38.950,08 aan gemiste huurinkomsten, € 1.339,50 buitengerechtelijke kosten en € 10.930,03 aan wettelijke handelsrente tot en met 28 oktober 2024). In deze procedure heeft [eiser] haar vordering beperkt tot € 25.000,00 plus de rente vanaf de datum van het vonnis als niet binnen veertien dagen wordt betaald. [gedaagde] betwist dat zij deze schadevergoeding moet betalen.
3.16
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] € 14.950,71 aan schade moet vergoeden. Het bedrag bestaat uit de volgende schadeposten, die hierna worden toegelicht:
  • € 500,00 voor het eigen risico van de heftruck uit 2012
  • € 500,00 voor de heftruck uit 2008
  • € 13.035,36 voor de gemiste huurinkomsten
  • € 915,15 vanwege de buitengerechtelijke kosten.
[gedaagde] en [eiser] zijn het erover eens dat [gedaagde] voor de heftruck uit 2012 alleen het eigen risico van € 500,00 hoeft te betalen
3.17
Voor de heftruck uit 2012 heeft de verzekeraar € 18.500,00 vergoed. Zij heeft het eigen risico van € 500,00 in mindering gebracht op de dagwaarde van € 19.000,00. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] het eigen risico moet vergoeden. Dat hebben zij namelijk afgesproken in het huurcontract en de algemene voorwaarden. [4]
Voor de heftruck uit 2008 begroot de kantonrechter de schade op € 500,00
3.18
Tussen partijen is wel in geschil of [gedaagde] de dagwaarde van de heftruck uit 2008 van € 17.000,00 moet vergoeden aan [eiser] . [gedaagde] hoeft de dagwaarde niet te vergoeden, omdat het beroep op eigen schuld slaagt. [5] Daarvoor is het volgende van belang.
[eiser] had ervoor moeten zorgen dat brandschade aan de heftruck uit 2008 ook verzekerd was
3.19
Het staat vast dat de verzekeraar de brandschade voor deze heftruck niet heeft vergoed, omdat de heftruck op het moment van de brand ouder was dan 15 jaar en brandschade dan niet gedekt is. In de polisvoorwaarden staat namelijk dat de casco uitgebreide dekking alleen van toepassing is op objecten van maximaal 7 jaar oud. Voor objecten van meer dan 10 jaar oud wordt de dekking omgezet naar beperkt casco en voor objecten van meer dan 15 jaar oud is er geen WA (beperkt) casco dekking meer.
3.2
In de huurovereenkomsten staat dat sprake is van een verzekering met WA beperkt casco dekking. Voor deze verzekering betaalde [gedaagde] aan [eiser] een premie. In geval van schade mag [eiser] het eigen risico, dat de verzekeraar inhoudt op de schadevergoeding, bij [gedaagde] in rekening brengen.
3.21
Voor beide partijen was duidelijk dat brandschade normaal gesproken gedekt wordt door deze verzekering. Zij wisten allebei niet dat heftrucks die ouder zijn dan 15 jaar buiten de dekking vallen en dat de heftruck uit 2008 dus niet meer verzekerd was tegen brandschade. De gevolgen daarvan komen voor rekening en risico van [eiser] . Partijen hadden namelijk afgesproken dat [eiser] zorg moest dragen voor verzekeringsdekking. Van [eiser] mag dan ook verwacht worden dat zij op de hoogte is van de verzekeringsdekking van het door haar verhuurde werkmateriaal en ook actie onderneemt op het moment dat een verzekeringsdekking wijzigt of afloopt. Zij kan de financiële gevolgen van het niet-verzekerd zijn, daarom niet verhalen op [gedaagde] .
3.22
Het is gelet op wat hiervoor is besproken ook begrijpelijk dat [gedaagde] niet zelf een (aanvullende) brand- of schadeverzekering heeft afgesloten:
  • Partijen hadden afgesproken dat [eiser] een verzekering zou afsluiten,
  • [eiser] heeft de verzekering afgesloten,
  • [gedaagde] heeft de verzekeringsvoorwaarden niet ontvangen van [eiser] ,
  • [eiser] heeft [gedaagde] niet geïnformeerd over de beperking van de dekking voor oudere voertuigen,
  • [eiser] heeft op basis van de tekst in de huurovereenkomst bij [gedaagde] de verwachting gewekt dat de heftrucks verzekerd waren tegen brandschade,
  • [gedaagde] betaalde maandelijks een bedrag aan [eiser] voor een WA beperkt casco dekking.
[gedaagde] moet wel € 500,00 betalen vanwege het eigen risico
3.23
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] voor de heftruck uit 2008 wel € 500,00 moet betalen vanwege het eigen risico dat de verzekeraar zou hebben ingehouden als [eiser] de heftruck wel volgens de verwachting zou hebben verzekerd.
Het beroep op de algemene voorwaarden maakt geen verschil voor de beslissing
3.24
[eiser] stelt dat [gedaagde] op grond van de algemene voorwaarden toch verplicht is om de dagwaarde te vergoeden. Daarin zou staan dat als sprake is van schade die niet wordt gedekt door de verzekering, de huurder (in dit geval: [gedaagde] ) de schade moet betalen. Dit standpunt wordt gepasseerd, omdat [eiser] onvoldoende concreet heeft toegelicht op welke bepaling(en) in de algemene voorwaarden zij dit standpunt baseert en bovendien hoe de betreffende bepaling zich verhoudt tot haar eigen verplichting om ervoor te zorgen dat de heftruck verzekerd was.
Dat [eiser] de dagwaarde niet vergoed krijgt, is niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid
3.25
Volgens [eiser] is het naar maatstaven van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als [gedaagde] de dagwaarde niet hoeft te vergoeden, omdat de schade het gevolg is van een tekortkoming van [gedaagde] . Dat verweer slaagt niet omdat, zoals hiervoor besproken, sprake is van eigen schuld. Dat desondanks sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid is onvoldoende toegelicht.
De schade vanwege de gemiste huurinkomsten begroot de kantonrechter op € 13.035,36
3.26
[eiser] heeft recht op een schadevergoeding omdat zij door de brand huurinkomsten is misgelopen. De kantonrechter zal huurcompensatie toewijzen over een periode van vier maanden en begroot die schade op € 13.035,36.
Er is sprake van gemiste huurinkomsten door de brand
3.27
Compensatie voor de gemiste huurinkomsten is op zijn plaats, omdat [eiser] door de brand niet meer kon beschikken over de twee heftrucks, die op het moment van de brand verhuurd waren.
3.28
Het klopt dat uit de stukken niet kan worden afgeleid wat de bezettingsgraad was bij [eiser] en of deze heftrucks, in de hypothetische situatie dat deze niet door de brand waren verwoest, snel weer zouden zijn verhuurd. Dat is ook niet nodig. Er was namelijk sprake van lopende huurovereenkomsten met [gedaagde] . Er was geen indicatie dat [gedaagde] de huurovereenkomsten, zonder de brand, op korte termijn zou hebben opgezegd. Sterker nog, [gedaagde] had de heftrucks nodig en heeft na de brand ergens anders vervangende heftrucks gehuurd. [eiser] heeft dus gemotiveerd toegelicht dat zij huurinkomsten is misgelopen doordat [eiser] nog een langere periode deze heftrucks aan [gedaagde] zou hebben verhuurd als er geen brand was geweest. In dat geval zou zij € 752,04 [6] per week aan huurinkomsten hebben ontvangen. Dit heeft [gedaagde] onvoldoende weersproken. Hoeveel de huurinkomsten zouden zijn geweest in de hypothetische situatie dat de heftrucks niet door de brand waren verwoest en hoeveel omzet of winst [eiser] daarmee zou hebben behaald, hoeft niet exact te worden vastgesteld. De schade mag namelijk worden begroot [7] en dat kan aan de hand van de huurprijs per week.
Het is redelijk om gedurende vier maanden rekening te houden met gemiste huurinkomsten
3.29
Het is redelijk om voor de gemiste huurinkomsten voor beide heftrucks rekening te houden met een periode van vier maanden. Dat is de periode tussen de brand (medio maart 2024) en de levering van de eerste vervangende heftruck (medio juli 2024).
3.3
[eiser] heeft na de brand logischerwijs even tijd nodig gehad om te beslissen of zij nieuwe heftrucks zou bestellen en om te onderzoeken of een alternatief, zoals het aanschaffen van tweedehands heftrucks, ook mogelijk was. Uiteindelijk heeft [eiser] op 2 april 2024 een heftruck besteld, die op 15 juli 2024 is geleverd. De tweede heftruck is pas later aan [eiser] geleverd. [eiser] heeft er zelf voor gekozen om de tweede heftruck (pas) op 15 september 2025, anderhalf jaar na de brand, te bestellen.
3.31
[eiser] vindt dat rekening moet worden gehouden met gederfde huurinkomsten over een periode van twaalf maanden, maar zij heeft onvoldoende toegelicht dat het niet mogelijk was om de tweede heftruck eerder te bestellen. Dat had zij gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] wel moeten doen, en ook kunnen doen, bijvoorbeeld door inzage te geven in de financiën (als aan deze keuze een financiële reden ten grondslag lag).
3.32
[gedaagde] heeft op haar beurt onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [eiser] de schade had kunnen en had moeten beperken door de vervangende heftrucks eerder te laten leveren. Die stelling heeft [eiser] gemotiveerd betwist. [eiser] heeft toegelicht dat een eerdere levering niet mogelijk was, omdat zij gebonden is aan het merk Toyota. [gedaagde] had haar stelling nader moeten toelichten, bijvoorbeeld met een offerte of bevestiging dat een eerdere levering mogelijk was.
3.33
De kantonrechter passeert ook het standpunt van [gedaagde] dat de heftrucks binnen deze periode van vier maanden aan vervanging toe zouden zijn geweest en de huurcompensatie daarom moet worden afgewezen. [gedaagde] heeft namelijk niet betwist dat de gemiddelde levensduur van heftrucks circa 40 jaar is. Er zijn bovendien geen indicaties dat deze heftrucks met (technische) problemen kampten waardoor vervanging op korte termijn – binnen vier maanden – noodzakelijk was.
3.34
De kantonrechter ziet ook geen aanleiding om, vanwege de ouderdom van de heftrucks, rekening te houden met een lagere huur dan het bedrag dat [gedaagde] feitelijk betaalde. Bij het bepalen van de huurprijs is rekening gehouden met het bouwjaar van de heftrucks en kennelijk vonden partijen de overeengekomen huurprijs passend bij deze heftrucks. [gedaagde] heeft niet toegelicht dat deze prijs bij voortzetting van de huur binnen vier maanden zou worden gewijzigd.
3.35
De kantonrechter zal ook geen uitgespaarde onderhoudskosten in mindering brengen op de huurderving. [gedaagde] stelt dat dit moet gebeuren, omdat [eiser] geen onderhoudskosten heeft gemaakt voor de verwoeste heftrucks en de brand daardoor ook voordeel heeft gehad voor haar. Maar, het gaat om een korte periode en [gedaagde] heeft niet toegelicht dat, zonder de brand, [eiser] in die vier maanden (substantiële) onderhoudskosten zou hebben gemaakt. [gedaagde] had dit wel concreet kunnen toelichten, bijvoorbeeld door overlegging van afspraakbevestigingen voor onderhoudsbeurten of een overzicht van eerder door [eiser] verricht onderhoud.
3.36
De gemiste huurinkomsten worden dus berekend over een periode van vier maanden. De huurinkomsten bedroegen in die periode in totaal € 13.035,36. Dit is als volgt berekend: de huurprijs per week, maal 52 weken, gedeeld door 12 maanden, levert een huurprijs per maand op van € 3.258,84. [8] Over een periode van vier maanden zijn de gemiste huurinkomsten dus in totaal € 13.035,36 (4 x € 3.258,84 = € 13.035,36).
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke kosten van € 915,35 vergoeden
3.37
[eiser] stelt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en vordert vergoeding daarvan. De kosten heeft zij begroot op € 1.339,50. De kantonrechter zal daarvan een bedrag van € 915,35 toewijzen.
3.38
De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De gevorderde vergoeding wordt daarom getoetst aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven omdat die worden geacht redelijk te zijn. Alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. De buitengerechtelijke kosten begroot de kantonrechter op € 915,35 en dat bedrag zal worden toegewezen. De kantonrechter gaat daarbij uit van het toe te wijzen schadebedrag van € 14.035,36.
[gedaagde] moet vanaf 15 juli 2026 de wettelijke rente betalen
3.39
[eiser] de wettelijke handelsrente gevorderd, als [gedaagde] niet binnen veertien dagen na het vonnis betaalt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat over een schadevergoeding niet de wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente verschuldigd is. De kantonrechter zal daarom beoordelen of [eiser] recht heeft op de wettelijke rente.
3.4
De wettelijke rente is een schadevergoeding voor de periode dat een schuldenaar te laat is met het betalen van een geldsom. [9] In het geval van schadevergoeding is de wettelijke rente direct verschuldigd, zonder ingebrekestelling. [10] De wettelijke rente wordt gevorderd vanaf 15 juli 2026, en dat zal worden toegewezen. [gedaagde] moet de wettelijke rente betalen over de schadevergoeding van € 13.035,36 en de buitengerechtelijke kosten van € 915,35.
[gedaagde] moet de proceskosten van € 2.591,35 betalen
3.41
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. Die proceskosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.591,35
3.42
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Het vonnis moet worden nagekomen, ook bij hoger beroep (uitvoerbaar bij voorraad)
3.43
[eiser] heeft gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Die vordering wordt toegewezen. Dat betekent dat de beslissingen moeten worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissingen gelden in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 14.950,71, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 15 juli 2026 tot de dag van volledige betaling,
4.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.591,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Haas en in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2026.
67422

Voetnoten

1.Artikel 15 lid 15 van Pro de algemene voorwaarden.
2.Artikel 6:74 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.Artikel 6:75 BW Pro.
4.Artikel 19 lid 8 sub c van Pro de algemene voorwaarden.
5.Artikel 6:101 BW Pro,
6.De huur per week is € 284,00 + € 468,04 = € 752,04.
7.Artikel 6:97 BW Pro.
8.€ 284,04 + 468,04 = € 752,04 per week, € 752,04 x 52 = € 39.106,08 per jaar, € 39.106,08 : 12
9.Artikel 6:119 BW Pro.
10.Artikel 6:83 sub c BW Pro.