ECLI:NL:RBMNE:2026:4801

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
12270452 \ UV EXPL 26-148
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:206 lid 3 BWArt. 7.1 algemene huurvoorwaardenArt. 9.6 algemene huurvoorwaarden
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering geldbedrag voor schimmelverwijdering en herstel badkamer in huurwoning

Eiser vordert een bedrag van €6.534,00 van Woonin om een derde partij in te schakelen voor het verwijderen van schimmel en het herstel van zijn badkamer, nadat Woonin een nieuw ventilatiesysteem in zijn woning had aangelegd. Eiser stelt dat de ventilatie onvoldoende werkt en dat hierdoor ernstige schimmelvorming is ontstaan. Woonin voert gemotiveerd verweer en betwist de oorzaak van de schimmel.

De kantonrechter stelt vast dat er sprake is van een spoedeisend belang vanwege het gezondheidsrisico dat eiser ervaart. Echter is onvoldoende aannemelijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. De oorzaak van de schimmel is onduidelijk en het is niet bewezen dat de ventilatie door Woonin de oorzaak is. Bovendien erkent eiser dat hij zonder toestemming een nieuwe badkamer heeft geplaatst, waardoor hij verantwoordelijk is voor het onderhoud.

Ook als er sprake zou zijn van een gebrek waarvoor Woonin verantwoordelijk is, kan eiser niet bepalen hoe het herstel moet plaatsvinden of aanspraak maken op een geldbedrag zonder dat Woonin in verzuim is. Woonin heeft een voorstel gedaan om de schimmel te verwijderen, maar eiser heeft dit afgewezen. De vordering en de dwangsom worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot betaling van een geldbedrag voor schimmelverwijdering en herstel wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12270452 \ UV EXPL 26-148
Vonnis in kort geding van 16 juli 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
STICHTING WOONIN,
gevestigd in Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Woonin,
gemachtigde: mr. H.A.J. van Rens.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 juni 2026, met producties,
- de producties van Woonin.
1.2
De mondelinge behandeling vond plaats op 2 juli 2026. [eiser] was daarbij aanwezig. Namens Woonin waren [A] ( [functie 1] ) en [B] ( [functie 2] ) aanwezig met gemachtigde mr. H.A.J. van Rens, die een pleitnota heeft voorgedragen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Na de zitting hebben partijen de mogelijkheid gekregen om er onderling uit te komen en uiterlijk op 9 juli 2026 aan de kantonrechter te laten weten of dit is gelukt. Met partijen is besproken dat als zij er onderling niet uitkomen, de kantonrechter uitspraak doet.
1.3
Partijen hebben geen schikking bereikt. Daarom wijst de kantonrechter vandaag vonnis.

2.De kern van de zaak

2.1
Woonin heeft in het kader van een onderhouds- en verduurzamingsproject onder andere een nieuw ventilatiesysteem in de woning van [eiser] aangelegd. [eiser] stelt dat er schade aan zijn badkamer is ontstaan door de uitgevoerde werkzaamheden en dat het nieuwe ventilatiesysteem niet goed werkt, waardoor ernstige schimmelvorming is ontstaan in zijn badkamer. Hij vordert daarom een geldbedrag van € 6.534,00 van Woonin zodat hij een derde kan inschakelen voor de verwijdering van schimmel en herstel. Woonin voert hiertegen op meerdere manieren verweer. De vordering van [eiser] in dit kort geding wordt afgewezen, omdat het onvoldoende waarschijnlijk is dat deze zal worden toegewezen in een bodemprocedure.

3.De beoordeling

Het beoordelingskader in kort geding
3.1
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zéér waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
3.2
Met betrekking tot een voorziening in kort geding bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De kantonrechter zal daarbij niet alleen moeten onderzoeken of het bestaan van een vordering [eiser] op Woonin voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist (spoedeisend belang). In de afweging van de belangen van partijen moet de kantonrechter mede betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling mocht de bodemrechter anders beslissen.
3.3
[eiser] heeft tijdens de zitting gezegd dat hij geen betaling vordert voor zichzelf, maar dat het hem gaat om reparatie van zijn badkamer. Die wil hij laten uitvoeren door een andere partij dan Woonin en het bedrag dat hij vordert gaat hij gebruiken voor de betaling van de factuur van die andere partij. Reparatie van de badkamer heeft [eiser] echter niet gevorderd, hij vordert alleen een geldbedrag van Woonin.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.4
Een spoedeisend belang is aanwezig als van [eiser] niet verwacht kan worden dat hij de uitkomst van een normale, uitgebreide procedure (bodemprocedure) afwacht. De kantonrechter kijkt welwillend naar het door [eiser] gestelde spoedeisend belang, omdat [eiser] zelf heeft gezegd dat hij het als onveilig ervaart voor hem en zijn vrouw en kinderen om de badkamer te gebruiken vanwege de schimmel en het gezondheidsrisico dat hier volgens hem aan hangt. In zoverre neemt de kantonrechter het spoedeisend belang van [eiser] aan.
De vorderingen van [eiser] worden afgewezen
3.5
[eiser] vordert dat Woonin € 6.534,00 aan hem betaalt op basis van een offerte van [bedrijf] . Daarnaast vordert [eiser] een dwangsom van € 250,00 per dag van Woonin als zij dit bedrag niet betaalt.
3.6
De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat het onvoldoende waarschijnlijk is dat een bodemrechter de vorderingen van [eiser] toewijst. Woonin heeft op alle punten die [eiser] heeft aangevoerd gemotiveerd verweer gevoerd en partijen hebben over veel van deze punten discussie.
De oorzaak van de schimmel is onduidelijk
3.7
Volgens [eiser] zou de schimmel in zijn badkamer zijn gekomen door de nieuwe mechanische ventilatie die Woonin heeft laten aanleggen. Deze zou onvoldoende afzuigen en te veel geluid maken. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat dit onvoldoende aannemelijk is geworden.
3.8
Woonin heeft naar aanleiding van een klacht van [eiser] de ventilatie laten onderzoeken en betwist dat deze niet goed werkt. [eiser] wilde aan het onderzoek niet (volledig) meewerken. Als onderbouwing hiervan heeft Woonin een rapport van [deskundige] overgelegd dat is opgesteld naar aanleiding van het onderzoek naar de mechanische ventilatie op 22 juni 2026 bij [eiser] thuis. In dit rapport staat op pagina 7:
“Bewoner wilde niet dat de debieten gemeten werden. Hier had hij niet om gevraagd zei hij. Wel constateerde onderzoeker dat het ventiel in de badkamer voldoende afvoerde.” [eiser] heeft hierover gezegd dat hij wel wilde meewerken, maar dat het apparaat van de onderzoeker het niet deed. Dit heeft hij echter op geen enkele manier onderbouwd en Woonin heeft hiertegen aangevoerd dat [deskundige] geen rapport zou hebben opgesteld als het voor de onderzoeker onmogelijk was geweest om de metingen uit te voeren.
3.9
Los van het bovenstaande is onduidelijk gebleven wanneer, hoe en in welke mate schimmel in de badkamer is ontstaan. Dat, zoals [eiser] stelt, schimmel is ontstaan nádat de mechanische ventilatie door Woonin is aangelegd, is onvoldoende aannemelijk geworden. Woonin heeft dit betwist en van de foto’s in het dossier van de badkamer is onduidelijk wanneer deze door [eiser] zijn genomen. Schimmel kan bijvoorbeeld ook door het stook- en ventilatiegedrag van [eiser] zijn ontstaan of door de manier waarop de badkamer zonder toestemming van Woonin is verbouwd door [eiser] . Een kort geding leent zich niet voor nader onderzoek hiernaar.
[eiser] is verantwoordelijk voor gebreken in de badkamer
3.1
Tijdens de zitting heeft [eiser] erkend dat hij zonder toestemming van Woonin een nieuwe badkamer in de woning heeft geplaatst. De kantonrechter vindt het voorlopig voldoende aannemelijk dat dit een ‘zelf aangebrachte voorziening’ is, zoals Woonin heeft betoogd. Daarom is op basis van de algemene huurvoorwaarden niet Woonin, maar [eiser] verantwoordelijk voor het onderhoud en herstel van gebreken daaraan. [1] Ook dit maakt dat de kantonrechter van oordeel is dat op dit moment niet van een voldoende mate van waarschijnlijkheid kan worden uitgegaan dat de vorderingen van [eiser] in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Dat de badkamer nog op dezelfde plek in de woning zit en dezelfde indeling heeft, zoals door [eiser] aangevoerd, maakt dit niet anders.
Woonin mag beslissen hoe zij een gebrek verhelpt
3.11
Ook als sprake zou zijn van een gebrek waarvan het herstel voor rekening van Woonin komt, dan is naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet zéér waarschijnlijk dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. [eiser] kan als huurder niet aan Woonin voorschrijven
hoezij het gebrek verhelpt en hij kan daaraan ook geen voorwaarden verbinden. Daarnaast kan hij niet zomaar aanspraak maken op een geldbedrag. Pas als Woonin in verzuim zou zijn met het verhelpen van een gebrek waarvan het herstel voor haar rekening komt kan [eiser] dit zelf (laten) doen en de redelijke kosten daarvan op Woonin verhalen. [2] Maar dat is hier niet aan de orde. Woonin heeft (onverplicht) voorgesteld om de schimmel te laten verwijderen en de badkamer opnieuw te schilderen met schimmelwerende verf, maar [eiser] is hier niet mee akkoord gegaan omdat hij het vertrouwen in Woonin en de bedrijven die zij inhuurt naar eigen zeggen is verloren. Deze keuze komt voor zijn rekening en risico.
3.12
[eiser] heeft nog aangevoerd dat Woonin hem op 15 januari 2025 heeft gemaild met een voorstel, waar in staat dat hij het werk zelf mag laten uitvoeren. De kantonrechter overweegt dat in deze mail staat:
‘volgens collega’s heeft u een partij die in uw woning werkt. Als zij dit kunnen uitvoeren dan zien we graag eerst een offerte tegemoet voordat we akkoord geven’. [eiser] mocht deze mail niet als een vrijbrief of toezegging zien dat Woonin het door [bedrijf] geoffreerde bedrag (€ 6.534,00) zou betalen. De offerte was van een heel andere orde dan wat Woonin in gedachten had, zo is de kantonrechter uit de mondelinge behandeling gebleken. Woonin heeft in haar e-mail duidelijk een slag om de arm gehouden en heeft (ook later) geen akkoord gegeven op de offerte.
Conclusie
3.13
De vordering van [eiser] dat Woonin € 6.534,00 aan hem moet betalen wordt afgewezen. Dit brengt met zich mee dat de gevorderde dwangsom van € 250,00 per dag zolang Woonin dit bedrag niet betaalt ook wordt afgewezen.
[eiser] wordt veroordeel in de proceskosten
3.14
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Woonin worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00
Uitvoerbaar bij voorraad
3.15
De kantonrechter verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1
wijst de vorderingen van [eiser] af,
4.2
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.
61312

Voetnoten

1.Artikel 7.1 en artikel 9.6 van de algemene huurvoorwaarden.
2.Artikel 7:206 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek.