ECLI:NL:RBMNE:2026:4802

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
12214238 \ UE VERZ 26-183
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:428 BWArt. 7:440 BWArt. 7:441 BWArt. 7:442 BWArt. 69 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding agentuurovereenkomst niet mogelijk na opzegging, doorverwijzing naar dagvaardingsprocedure voor vergoedingen

In deze zaak vordert [verzoekster] B.V. de ontbinding van een agentuurovereenkomst met Vodafone Libertel B.V. (VFZ) en diverse vergoedingen. De samenwerking tussen partijen betrof telemarketingactiviteiten, waarbij klachten en toezeggingen aan de ACM een rol speelden. [verzoekster] stelde dat zij de overeenkomst mocht ontbinden en aanspraak maakte op vergoedingen.

De kantonrechter oordeelt dat [verzoekster] de overeenkomst niet heeft opgezegd, ondanks haar brief waarin zij de voortzetting van de samenwerking onhaalbaar achtte. VFZ heeft echter op 20 mei 2026 de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd, waardoor de overeenkomst op dat moment reeds was geëindigd.

Omdat de overeenkomst al was opgezegd, kan deze niet meer ontbonden worden. Het verzoek tot ontbinding en de vergoeding op grond van ontbinding worden afgewezen. De overige financiële vorderingen betreffen de afwikkeling van een beëindigde overeenkomst en dienen via een dagvaardingsprocedure te worden behandeld.

De kantonrechter veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten en beveelt dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels van de dagvaardingsprocedure, met een rolzitting gepland op 12 augustus 2026 voor aanpassing van de processtukken.

Uitkomst: Verzoek tot ontbinding afgewezen omdat overeenkomst al was opgezegd; procedure doorverwezen naar dagvaardingsprocedure voor vergoedingen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 12214238 \ UE VERZ 26-183
Beschikking van 16 juli 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[verzoekster] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigden: mrs. S. Simonetti en M. Kerckhoffs,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
VODAFONE LIBERTEL B.V.,
gevestigd in Maastricht,
verwerende partij,
hierna te noemen: VFZ,
gemachtigden: mrs. V. van Druenen, F.L.M. van de Wetering en E.M. Thompson..

1.De procedure

1.1
[verzoekster] heeft op 4 mei 2026 een verzoekschrift met 33 producties ingediend, waarna VFZ op 16 juni 2026 een verweerschrift met 24 producties heeft ingediend. [verzoekster] heeft op 22 juni 2026 nog producties 34 tot en met 37 ingediend. Daarover heeft de kantonrechter op de mondelinge behandeling besloten dat de producties 34, 35 en 37 niet worden toegelaten.
1.2
De mondelinge behandeling is gehouden op 25 juni 2026. De gemachtigden hebben het woord gevoerd aan de hand van spreekaantekeningen, de aanwezigen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en de griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt.
1.3
De kantonrechter heeft op de mondelinge behandeling aan partijen meegedeeld dat er op 30 juli 2026 een beschikking zal komen, een week later dan gebruikelijk. Dat was toch niet nodig zodat de datum van de beschikking later is bepaald op vandaag.

2.De achtergrond van deze zaak

2.1
VFZ is een van de grote telecomaanbieders in Nederland. [verzoekster] is een Nederlands klantenwervingsbedrijf dat zich voornamelijk bezighield met de verkoop van producten door middel van telefonische en deur-aan-deur verkoop. [verzoekster] en VFZ werken sinds 2022 met elkaar samen, waarbij [verzoekster] optrad als business partner voor VFZ. Als Business Partner hield [verzoekster] zich bezig met het werven van zakelijke klanten voor VFZ en de bemiddeling bij de totstandkoming van overeenkomsten tussen deze klanten en VFZ. Voor deze samenwerking ontving [verzoekster] een vergoeding van VFZ. Er was tussen partijen sprake van een agentuurovereenkomst. [1] De afspraken over de samenwerking tussen partijen zijn vastgelegd in een Business Partner Overeenkomst (verder: de overeenkomst).
2.2
Naar aanleiding van het grote aantal klachten bij de Autoriteit Consument & Markt (verder: ACM), over telemarketing in het bijzonder door dan wel namens telecombedrijven, heeft de ACM in maart 2025 aangekondigd dat zij per 1 juli 2025 het toezicht op telemarketing zou intensiveren.
2.3
In diezelfde periode werd VFZ door de ACM aangesproken op de wijze waarop zij, via haar business partners, natuurlijke personen benaderde met behulp van telemarketing. In dat kader heeft VFZ de ACM op 21 mei 2025 verzocht om de toezeggingen over haar handelwijze op het gebied van telemarketing bindend te verklaren. De toezeggingen van VFZ zagen vooral op naleving van artikel 11.7 van de Telecommunicatiewet, waarin het kort gezegd is verboden om natuurlijke personen ongevraagd te benaderen. Bij besluit van 12 mei 2025 heeft de ACM deze toezeggingen bindend verklaard en dat besluit is ook gepubliceerd.
2.4
Op 13 mei 2025 verschijnen negatieve berichten in het Financiële Dagblad en op EenVandaag over de telemarketingactiviteiten door (onder andere) [verzoekster] voor VFZ. Naar aanleiding daarvan heeft VFZ op 16 mei 2025 besloten een onderzoek te doen naar de handelwijze van (onder andere) [verzoekster] . VFZ heeft het [verzoekster] niet toegestaan tijdens dat onderzoek en de evaluatie van de uitkomsten potentiële klanten voor VFZ te benaderen. Dit onderzoek is uitgevoerd door [onderneming] , die op 5 augustus 2025 heeft gerapporteerd.
2.5
VFZ heeft naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van [onderneming] heeft VFZ op 22 augustus 2025 aan [verzoekster] laten weten dat zij bereid is de samenwerking voort te zetten als [verzoekster] haar werkwijze aanpast aan de toezeggingen die VFZ aan de ACM heeft gedaan. [verzoekster] was het niet eens met de conclusies in het rapport van [onderneming] en zij betwistte dat zij de overeenkomst en de toepasselijke wet- en regelgeving had overtreden. [verzoekster] liet aan VFZ weten dat zij het recht had om de overeenkomst te ontbinden en dat zij in dat kader ook diverse vergoedingen zou vorderen van VFZ. Partijen hebben in de periode september 2025 tot en met november 2025 gesprekken met elkaar gevoerd om tot een minnelijke regeling te komen. Dat is niet gelukt en op 25 november 2025 heeft [verzoekster] aan VFZ geschreven [2] :
“Na de gesprekken die de afgelopen periode zijn gevoerd zal het voor VodafoneZiggo niet als een verrassing komen dat [verzoekster] en (…) (de “Business Partners) helaas tot de conclusie zijn gekomen dat er onvoldoende basis is voor een voortzetting of doorstart van de samenwerking.
…”
[verzoekster] heeft in die brief aanspraak gemaakt op vergoedingen van in totaal € 3.771.990,- en aan VFZ voorgesteld om te overleggen over het einde van de samenwerking.
2.6
VFZ heeft in haar brief van 5 december 2025 [3] gereageerd. VFZ schrijft onder meer het volgende:
“VodafoneZiggo kan op basis van de brief van [verzoekster] niet anders dan concluderen dat [verzoekster] de relatie tussen partijen heeft beëindigd. VodafoneZiggo legt zich daarbij neer.”
Verder schrijft VFZ in haar brief dat [verzoekster] geen recht heeft op vergoedingen, maar zij nog wel bereid is te praten over een minnelijke regeling.
2.7
Verder overleg tussen partijen heeft niet tot een regeling geleid, waarop [verzoekster] haar verzoekschrift heeft ingediend.
2.8
Nadat op 4 mei 2026 het verzoekschrift van [verzoekster] is binnengekomen, heeft VFZ op 20 mei 2026 de overeenkomst met onmiddellijke ingang opgezegd voor het geval de kantonrechter zou oordelen dat die overeenkomst nog geldt.

3.Het verzoek en het verweer

3.1
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking:
• de overeenkomst te beëindigen op grond van artikel 7:440 lid 1 BW Pro;
• te bepalen dat VFZ sinds 16 mei 2025 de uitvoering van de Overeenkomst onrechtmatig heeft opgeschort;
• te bepalen dat VFZ de volgende vergoedingen aan [verzoekster] moet betalen:
- een klantenvergoeding volgens artikel 7:442 BW Pro, vast te stellen op € 1.730.445,73, althans € 1.368.250,43;
- een schadevergoeding (beëindigingsvergoeding) volgens artikel 7:441 BW Pro, vast te stellen op € 636.380,75, althans € 520.355,00;
- een schadevergoeding voor de onrechtmatige schorsing, vast te stellen op € 1.308.388,37, althans € 924.285,37;
- een vergoeding voor de ten onrechte niet en/of onvolledig uitbetaalde provisie van € 1.207.317,67, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente;
• de proceskosten.
3.2
VFZ verzet zich tegen toewijzing van deze verzoeken en voert daarbij zowel formele als inhoudelijke verweren aan.
3.3
De kantonrechter zal bij de beoordeling ingaan op de standpunten van partijen.

4.De beoordeling

De overeenkomst kan niet worden ontbonden omdat die al is opgezegd
4.1
De kantonrechter kan de overeenkomst niet meer ontbinden omdat die al is opgezegd. Weliswaar is de kantonrechter het met [verzoekster] eens dat zij niet heeft opgezegd, maar VFZ heeft dat wel gedaan op 20 mei 2026. De kantonrechter legt dat hieronder uit.
[verzoekster] heeft niet opgezegd
4.2
[verzoekster] heeft op 25 november 2025 laten weten dat er onvoldoende basis bestond voor een voortzetting of doorstart van de samenwerking, zodat een beëindiging voor de hand ligt. [verzoekster] maakt in die brief aanspraak op vergoedingen waarop alleen recht kan bestaan bij het einde van de overeenkomst, zoals de vergoeding voor het niet in acht nemen van de opzegtermijn door VFZ en de klantenvergoeding. Volgens VFZ heeft [verzoekster] in die brief de overeenkomst opgezegd, maar de kantonrechter volgt VFZ daarin niet. [verzoekster] heeft in haar brief van 25 november 2025 nergens met zoveel woorden de overeenkomst opgezegd. [verzoekster] heeft alleen toegelicht waarom een voortzetting van de samenwerking voor haar niet meer haalbaar is. Nadat VFZ [verzoekster] in mei 2025 had verboden nog werkzaamheden te verrichten zijn partijen voortdurend in overleg geweest over wat er nodig was om die werkzaamheden weer te kunnen starten. Daar zijn partijen het niet over eens geworden en dat heeft [verzoekster] in haar brief geschreven. Vervolgens zijn partijen gaan onderhandelen over of en hoeveel vergoedingen VFZ aan [verzoekster] zou betalen. [verzoekster] had in haar brief van 4 september 2025 al geschreven dat als partijen het niet eens zouden worden, zij een verzoek tot ontbinding zou indienen bij de kantonrechter en daarbij ook zou verzoeken om eerdergenoemde vergoedingen vast te stellen. Ook daaruit volgt dat [verzoekster] de overeenkomst niet heeft willen opzeggen. Gelet hierop is de kantonrechter het met [verzoekster] eens dat zij de overeenkomst met haar brief van 25 november 2025 niet heeft opgezegd.
VFZ heeft wel opgezegd
4.3
Dit betekent dat op het moment van het indienen van het verzoekschrift de overeenkomst tussen partijen nog bestond. Dat veranderde echter met de brief van 20 mei 2026, waarin VFZ de overeenkomst met onmiddellijke ingang heeft opgezegd.
Daarmee is de overeenkomst geëindigd. Of VFZ terecht, op grond van een dringende reden, zonder inachtneming van de opzegtermijn heeft opgezegd, hoeft de kantonrechter in deze procedure (nog) niet te beoordelen. Het ontbreken van een dringende reden maakt de opzegging immers niet nietig.
Het verzoek om de overeenkomst te ontbinden wordt afgewezen
4.4
Omdat de overeenkomst door de opzegging al is geëindigd, kan die in deze procedure niet meer worden ontbonden. Het verzoek van [verzoekster] om de overeenkomst te ontbinden wordt daarom afgewezen. Datzelfde geldt voor de vergoeding voorzover [verzoekster] die heeft gegrond op het derde lid van artikel 7:440 BW Pro, de vergoeding bij ontbinding.
[verzoekster] moet de proceskosten van deze procedure betalen
4.5
[verzoekster] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van VFZ worden begroot op:
- salaris gemachtigde
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
720,00
Voor het overige wordt de zaak verwezen naar de dagvaardingsprocedure
4.6
De overige verzoeken van [verzoekster] gaan over de financiële afwikkeling van een al geëindigde agentuurovereenkomst. Deze vorderingen hadden met een dagvaarding moeten worden ingeleid en niet met een verzoekschrift. De kantonrechter is verplicht om te onderzoeken of de procedure met het juiste procesinleidende stuk aanhangig is gemaakt. [4] Al eerder was namens VFZ naar voren gebracht dat dit niet het geval was, maar toen kon de kantonrechter dit nog niet beoordelen omdat dit een inhoudelijke beoordeling vroeg van de vraag of de overeenkomst tussen partijen al was geëindigd. Omdat de kantonrechter nu tot het oordeel komt dat de overeenkomst inderdaad al is geëindigd, constateert de kantonrechter dat de zaak voor het overige op het verkeerde ‘spoor’ zit en zal de procedure worden doorgeleid naar het juiste spoor. Dit betekent dat de kantonrechter hierna zal bevelen dat deze zaak wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor een dagvaardingsprocedure, zoals hierna vermeld.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1
wijst het verzoek van [verzoekster] tot ontbinding van de overeenkomst en de daarbij behorende vergoeding af;
5.2
veroordeelt [verzoekster] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekster] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
5.3
beveelt dat de procedure voor het overige in de stand waarin deze zich bevindt, zal zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;
5.4
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag
12 augustus 2026om 9.30 uur om [verzoekster] de gelegenheid te bieden haar stellingen zo nodig aan de op de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels aan te passen;
5.5
bepaalt dat VFZ daarna eveneens de gelegenheid zal worden geboden haar stellingen zo nodig aan te passen aan de op de dagvaardingsprocedure toepasselijke procesregels;
5.6
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:428 BW Pro.
2.Productie 23 bij het verzoekschrift.
3.Productie 24 bij het verzoekschrift.
4.Artikel 69 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering