ECLI:NL:RBMNE:2026:4836

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juli 2026
Publicatiedatum
27 juli 2026
Zaaknummer
16/038261.25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36c SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel en bezit van MDMA, gaspistool en professioneel vuurwerk onder jeugdstrafrecht

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 28 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, geboren in 2005, die werd beschuldigd van meerdere feiten waaronder handel en bezit van MDMA, bezit van een gaspistool en professioneel vuurwerk. De zaak werd behandeld onder toepassing van het jeugdstrafrecht vanwege de leeftijd en persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank verklaarde bewezen dat verdachte samen met een ander opzettelijk 179,81 gram MDMA had, handel dreef in MDMA, een gaspistool bezat en professioneel vuurwerk (40 Flashbangs en 9 Super Cobra 6) in zijn slaapkamer had. De rechtbank sprak verdachte vrij van het bezit van 40,92 gram hasjiesj wegens onvoldoende bewijs. De rechtbank verwierp het verweer dat verdachte zich niet bewust was van het vuurwerk in zijn slaapkamer.

De straf bestaat uit 150 dagen jeugddetentie waarvan 132 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden waaronder ITB Harde Kern, en een taakstraf van 100 uur (subsidiair 50 dagen jeugddetentie). De rechtbank legde een lagere straf op dan geëist, mede vanwege de persoonlijke omstandigheden, het reclasseringsadvies en het belang van continuering van begeleiding en gedragsverandering. Tevens werden inbeslaggenomen goederen verbeurd verklaard of onttrokken aan het verkeer.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 150 dagen jeugddetentie (132 voorwaardelijk) en 100 uur werkstraf voor handel en bezit van MDMA, gaspistool en professioneel vuurwerk; vrijspraak voor bezit hasjiesj.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/038261-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 2005 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van
14 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de advocaat van de verdachte: mr. I.J.M. de Wit;
  • de officier van justitie: mr. N. Schapendonk
  • jeugdreclassseringswerker [A] .

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte er, na wijziging van de beschuldiging, samengevat van dat hij:
feit 1:op 25 februari 2025 in Hilversum, samen met een ander, opzettelijk 217,94 gram MDMA aanwezig heeft gehad;
feit 2:in de periode 1 december 2024 tot en met 25 februari 2025 in Hilversum, samen met een ander, opzettelijk MDMA heeft verkocht/afgeleverd/verstrekt/vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 3:in de periode 22 februari 2025 tot en met 25 februari 2025 in Hilversum, samen met een ander, een vuurwapen te weten een pistool van het merk Woltra Combat model 85, voorhanden heeft gehad;
feit 4:op 25 februari 2025 in Hilversum opzettelijk professioneel vuurwerk, te weten 40 Flashbangs en 9 Super Cobra 6, voorhanden heeft gehad;
feit 5:op 25 februari 2025 in Hilversum, samen met een ander, 40,92 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 van de beschuldiging heeft gepleegd. Bij feiten 1, 2 en 3 is volgens haar sprake van medeplegen, omdat de verdachte bij deze feiten samen met de medeverdachte [medeverdachte] heeft gehandeld.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 5.
De standpunten van de officier van justitie worden, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 4, wegens het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwerk. Zowel verdachte als de vader sliepen in de slaapkamer, waar het professionele vuurwerk is aangetroffen. Het lag in de la van een nachtkastje, waardoor het niet direct zichtbaar was voor verdachte.
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte ook vrij te spreken van feit 5, wegens het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat hij, al dan niet als medepleger, 40,92 gram hasjiesj aanwezig heeft gehad.
Deze bewijsverweren worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 5
De rechtbank oordeelt met de officier van justitie en de advocaat dat feit 5 niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De hoeveelheid hasjiesj is aangetroffen in de woning van medeverdachte [medeverdachte] . Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat deze hoeveelheid van hem is. Er is onvoldoende bewijs aanwezig om vast stellen dat deze softdrugs ook van verdachte was.
3.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1, feit 2 en feit 3.
De verdachte bekent dat hij, samen met de medeverdachte [medeverdachte] , 179,81 gram MDMA aanwezig heeft gehad (feit 1) en een gaspistool voorhanden heeft gehad (feit 3. Ook bekent de verdachte dat hij in de hieronder bewezen verklaarde periode heeft gehandeld in MDMA (feit 2). Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
Ten aanzien van feit 1, 2 en 3:
- de verklaring van de verdachte op de zitting van 14 juli 2026;
In het bijzonder ten aanzien van feit 1:
- een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming [2] ;
- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen [3] ;
- een kennisgeving van inbeslagneming [4] ;
- een rapport van het NFI, zaaknummer 2025.03.06.037 (aanvraag 005) [5] ;
In het bijzonder ten aanzien van feit 2:
- een proces-verbaal van verhoor van de getuige R. Hendriks; [6]
- een kennisgeving van inbeslagneming [7] ;
- een proces-verbaal onderzoek verdovende middelen [8] ;
- een rapport van het NFI, zaaknummer 2025.01.28.089 (aanvraag 001) [9] ;
In het bijzonder ten aanzien van feit 3:
- een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [locatie] ) [10] ;
- een kennisgeving van inbeslagneming [11] ;
- een proces-verbaal van bevindingen [12] ;
- proces-verbaal van bevindingen belangrijke tapgesprekken die zien op de ‘pipa’(pistool) [13] ;
- een proces-verbaal vooronderzoek lab [14] ;
- een rapport van het NFI, 2025.01.28.089 (aanvraag 002) [15] over het DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het vuurwapen;
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3.
Bewijsmiddelen feit 4
De rechtbank oordeelt dat het feit 4 is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage I van dit vonnis staan.
3.3.4.
Bewijsoverwegingen feit 4
Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op 25 februari 2025 een doorzoeking heeft plaatsgevonden in de woning aan de [adres 2] in [plaats] . Tijdens de doorzoeking werden in de slaapkamer van de verdachte 9 stuks Cobra 6 en 40 stuks Black Widow aangetroffen, zijnde professioneel vuurwerk.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van het vuurwerk in zijn slaapkamer. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Het vuurwerk is aangetroffen in de slaapkamer van de verdachte. Hiermee kan het niet anders dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwerk en daarover dus kon beschikken. Van de verdachte mag immers worden verwacht dat hij weet welke goederen zich in zijn eigen slaapkamer bevinden. De verdachte is dan ook verantwoordelijk voor de goederen die zich in zijn slaapkamer bevinden. De rechtbank vindt het niet aannemelijk geworden dat het vuurwerk aan een ander toebehoorde. Dat de verdachte op de zitting heeft verklaard dat zijn vader soms in deze slaapkamer sliep wanneer verdachte ergens anders verbleef, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank acht deze verklaring voor zover hij daarmee bedoelt dat het vuurwerk door zijn vader daar is neergelegd, mede gelet op het tijdstip waarop deze verklaring voor het eerst is afgelegd, ongeloofwaardig.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
1
op 25 februari 2025 te Hilversum
tezamen en in vereniging met een ander
opzettelijk
aanwezig heeft gehad,
in totaal ongeveer 179,81 gram, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I;
2
in of omstreeks de periode 1 december 2024 en 25 februari 2025 te
Hilversum, meermalen, telkens opzettelijk
heeft verkocht
en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA
(methyleendioxymethamfetamine), zijnde MDMA
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst
I,
3
in de periode van 22 februari 2025 tot en met 25 februari
2025 te Hilversum,
tezamen en in vereniging met een ander,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk Woltra Combat, model 85, zijnde een
vuurwapen in de vorm van een pistool
voorhanden heeft gehad;
4
op 25 februari 2025 te Hilversum, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis,
opzettelijk, een hoeveelheid,
knalvuurwerk te weten
- 40 Flashbangs en
- 9 Super Cobra 6
in elk geval professioneel vuurwerk, voorhanden heeft gehad;
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1:medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 2:opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
Feit 3:medeplegen van het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Feit 4:het opzettelijk overtreden van een overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist, onder toepassing van het jeugdstrafrecht, dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
  • een gevangenisstraf (de rechtbank begrijpt jeugddetentie) van
  • een taakstraf (de rechtbank begrijpt in de vorm van een werkstraf) van 150 uur, te vervangen door 75 dagen hechtenis (de rechtbank begrijpt jeugddetentie) als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank eveneens het jeugdstrafrecht toe te passen en, rekening houdend met de specifieke omstandigheden van de zaak, bij een eventuele bewezenverklaring te volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie die niet langer is dan de duur van het voorarrest, aangevuld met een forse taakstraf, deels onvoorwaardelijk en deels voorwaardelijk en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Ter onderbouwing van haar verzoek verwijst de advocaat naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals die onder meer naar voren komen uit het reclasseringsrapport. De verdachte is opgegroeid in een instabiele en onveilige thuissituatie. Deze onveilige thuissituatie heeft grote invloed gehad op de verdachte. De verdachte ervaart de huidige regels, structuur en duidelijkheid die hij in het schorsingskader van de voorlopige hechtenis krijgt als prettig en helpend. Hij staat open voor begeleiding en werkt daar goed aan mee. Continuering van het huidige kader is noodzakelijk. De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte de kans te geven zich verder te ontwikkelen onder toeziend oog van de jeugdreclassering.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich in de periode 1 december 2024 tot en met 25 februari 2025 beziggehouden met de handel in harddrugs, te weten MDMA. Daarnaast heeft de verdachte, samen met de medeverdachte [medeverdachte] , op 25 februari 2025 opzettelijk 179,81 gram MDMA aanwezig gehad. Deze hoeveelheid MDMA was zo groot dat deze ook bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. Het is algemeen bekend dat drugs schadelijk zijn voor de gezondheid van de gebruikers. Ook is het gebruik van drugs, onder andere door de daarmee gepaard gaande gewelddadige criminaliteit, bezwarend voor de samenleving. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij door het handelen in drugs heeft bijgedragen aan het in stand houden van de drugscriminaliteit en het in gevaar brengen van de gezondheid van de gebruikers. De rechtbank neemt het de verdachte in het bijzonder kwalijk dat hij zich niet bekommerde om het feit dat hij (ook) aan zeer jongere kinderen, waaronder een meisje van 12 jaar, pillen die MDMA bevatten, heeft verkocht. De verdachte heeft zich uitsluitend laten leiden door persoonlijk financieel gewin en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen voor de betrokken (jonge) kopers.
Verder heeft de verdachte zich samen met de medeverdachte schuldig gemaakt aan verboden wapenbezit. Het aanwezig hebben van een vuurwapen vormt onaanvaardbaar risico voor de maatschappij. Dat het om een gaspistool ging, doet daar niet aan af. Een dergelijke vuurwapen is niet van echt te onderscheiden en zoals door de deskundige is vastgesteld kan het gebruik daarvan ook tot zeer ernstige gevolgen leiden.
Tot slot heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van 40 Flashbangs en 9 Cobra’s. Het voorhanden hebben van dergelijk professioneel vuurwerk is levensgevaarlijk. Voor dergelijk vuurwerk gelden strenge regels en is gespecialiseerde kennis vereist. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij het professioneel vuurwerk voorhanden heeft gehad zonder zich rekenschap te geven aan het gevaarzettende karakter daarvan.
De rechtbank vind het zorgelijk dat de verdachte, die ten tijde van de feiten 19 jaar oud was, dergelijke ernstige strafbare feiten heeft gepleegd.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 9 juli 2026. Voorafgaand aan onderhavige zaak was de verdachte wel eerder veroordeeld voor een overtreding, maar niet voor een misdrijf. Dit heeft dan ook geen invloed op de hoogte van de straf.
Verder heeft de rechtbank gelet op het reclasseringsadvies van Tactus Reclassering Flevoland van 30 juni 2026, opgesteld door reclasseringswerker [B] .
Sinds maart 2025 loopt hij in deze strafzaak in een schorsingstoezicht bij de jeugdreclassering. In oktober 2025 is hij aangehouden in verband met een verdenking van het teweeg brengen van een explosief in vereniging. In december 2025 is hij vanuit die zaak opnieuw geschorst. De verdachte is in de afgelopen maanden goed ingebed in de hulpverlening. Hij ontvangt begeleiding van verschillende instanties en accepteert de geboden ondersteuning. Desondanks is hij gedurende zijn schorsingstoezicht bij de jeugdreclassering aangehouden, vanwege verdenking van een nieuw strafbaar feit. Het recidivegedrag lijkt volgens de reclassering niet voort te komen uit een pro-criminele of antisociale houding, maar eerder vanuit zijn beïnvloedbaarheid en een beperkt vermogen om consequenties van zijn handelen te overzien. De reclassering schat het recidiverisico op gemiddeld in.
Bij de verdachte is naar alle waarschijnlijkheid sprake van functioneren op een beneden gemiddeld intelligentieniveau. Hij is opgegroeid in een complexe gezinssituatie. De indruk is dat de verdachte kwetsbaar is, impulsief kan handelen, moeite heeft om de gevolgen van zijn handelen te overzien en vatbaar is voor beïnvloeding van derden. Ook is er vermoedelijk sprake van traumaproblematiek. In het verleden was er daarnaast sprake van overmatig
polymiddelengebruik. Sinds zijn schorsing van preventieve hechtenis in maart 2025 is de verdachte abstinent van drugs.
Sinds de verdachte voor de tweede keer geschorst is van zijn preventieve hechtenis, is er een ITB Harde Kern traject met elektronische monitoring opgestart. Sindsdien hebben er veel ontwikkelingen plaatsgevonden. Zo is de verdachte verhuisd naar een begeleide woonvorm,
draagt hij een enkelband, is er intelligentieonderzoek gedaan door de Waag en zet hij zich in voor een structurele vorm van dagbesteding. Hoewel er nog voldoende aanknopingspunten worden gezien voor gedragsverandering en recidivebeperking, valt het op dat de betrokken hulpverlening telkens de inzet van de verdachte in positieve zin benoemt. De reclassering vindt het van belang dat het opgestarte traject bij de jeugdreclassering wordt voortgezet. Op die manier kan er worden toegewerkt naar structuur, stabiliteit en op den duur meer zelfstandigheid.
De reclassering adviseert om het jeugdstrafrecht toe te passen. Er zijn verschillende indicaties voor het jeugdstrafrecht. Hoewel nog niet officieel is vastgesteld, zijn er
aanwijzingen dat de verdachte functioneert op een lager intelligentieniveau. Daarnaast is
er sprake van impulsief handelen en beïnvloedbaarheid. De verdachte lijkt in beperkte mate de risico’s van zijn handelen in te kunnen schatten. Hierbij lijkt zijn denken voornamelijk gericht op de korte termijn, waarbij hij de gevolgen op de langere termijn onvoldoende lijkt te overzien. De reclassering heeft de indruk dat het delictgedrag van de verdachte niet voortkomt uit een pro-criminele of antisociale houding, maar juist vanuit een gebrek aan handelingsvaardigheden en denkcapaciteiten. Tot slot is gebleken dat de verdachte ontvankelijk is voor ondersteuning en begeleiding door volwassenen.
De reclassering adviseert bij een veroordeling het begeleidings- en
hulpverleningstraject voort te zetten en een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen met de bijzondere voorwaarden zoals deze gelden in het schorsingstoezicht bij de jeugdreclassering. De reclassering is van mening dat de maatregel (ITB Harde Kern) zoals deze nu is ingezet, noodzakelijk is om doelen te behalen en te behouden, verder te werken aan gedragsverandering en op die manier de recidiverisico’s omlaag te brengen. De jeugdreclasseringswerkster die op zitting is gehoord heeft desgevraagd verklaard dat een periode van maximaal 6 maanden ITB Harde Kern volstaat. De avondklok kan gelden vanaf 21:00 uur in plaats van 19:00 uur. Gelet op de positieve ontwikkelingen in de afgelopen periode, wordt het door de reclassering als onwenselijk beschouwd dat een langdurige gevangenisstraf deze trajecten doorkruist en daarmee de continuïteit daarvan belemmert.
Strafkader
De rechtbank stelt vast dat de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten meerderjarig was, maar de leeftijd van 23 jaar nog niet had bereikt; hij was 19 jaar. Artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht biedt de rechtbank de mogelijkheid om voor jongvolwassenen een jeugdsanctie toe te passen in het geval de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan daartoe aanleiding geven. Gelet op de argumenten die hiervoor zijn vermeld uit het reclasseringsadvies en die de rechtbank bevestigd ziet in het dossier en wat op de zitting is besproken, zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.
Gelet op de hiervoor beschreven ernst van de feiten en kijkend naar de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, is in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van meerdere maanden passend. De rechtbank ziet echter aanleiding hiervan af te wijken, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en met het oog op het voorkomen van recidive. De rechtbank vindt in deze zaak oplegging van een grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie in combinatie met een werkstraf passend en geboden.
Naast vergelding is een ander belangrijk doel van het opleggen van straf namelijk ook het voorkomen dat een verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan het plegen van dit soort feiten. Om te voorkomen dat hij hiertoe opnieuw wordt verleid, legt de rechtbank de verdachte een grotendeels voorwaardelijke jeugddetentie op. Enerzijds vormt dit de stok achter de deur voor de verdachte om op het, nu ingeslagen, rechte pad te blijven. En anderzijds biedt het ruimte de door de reclassering geadviseerde voorwaarden op te leggen om de verdachte zo weerbaar te maken tegen verleidingen en druk om opnieuw strafbare feiten te plegen. Het onvoorwaardelijk deel van de op te leggen jeugddetentie is gelijk aan het voorarrest, zodat de verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis.
Conclusie
Alles afwegende acht de rechtbank het passend en geboden om verdachte voor de bewezenverklaarde feiten een jeugddetentie op te leggen van 150 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 132 dagen voorwaardelijk. De proeftijd bij de voorwaardelijke jeugddetentie wordt vastgesteld op twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals vermeldt in het dictum. De rechtbank zal het ITB-traject beperken tot maximaal 6 maanden en de avondklok laten ingaan vanaf 21:00 uur.
De rechtbank legt een lagere straf op dan geëist door de officier van justitie. Dat komt, onder meer, doordat de rechtbank uitgaat van een beperktere bewezenverklaring.
De voorlopige hechtenis
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.

6.In beslag genomen voorwerpen

Onder de verdachte zijn de volgende goederen inbeslaggenomen:
  • iPhone (G3487936);
  • Simkaart (G3487960);
  • Verdovende middelen (G3488023);
  • Vuurwerk, 9 stuks Cobra 6 (G3488800).
6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank:
  • de verdovende middelen en het vuurwerk zal onttrekken aan het verkeer;
  • de iPhone verbeurd zal verklaren;
  • zal gelasten dat de simkaart wordt teruggegeven aan de verdachte;
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft de rechtbank verzocht de teruggave aan verdachte te gelasten van de iPhone en de simkaart.
De advocaat heeft ten aanzien van het overige beslag geen standpunt ingenomen.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Onttrekken aan het verkeer
De rechtbank zal bepalen dat de onder de verdachte in beslag genomen verdovende middelen en vuurwerk worden onttrokken aan het verkeer, omdat de strafbare feiten daarmee zijn begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.
Verbeurd verklaren
De rechtbank zal de onder verdachte in beslag genomen iPhone en simkaart verbeurd verklaren, omdat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte met behulp van deze voorwerpen heeft gehandeld in MDMA (feit 2).

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en beslissing op het beslag is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 33, 33a, 36b, 36c, 47, 77c, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa en 77gg van het Wetboek van Strafrecht;
  • 2, 10 en 13a van de Opiumwet;
  • 26 en 55 van de Wet Wapens en munitie;
  • 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten;
  • 1.2.2 eerste lid, van het Vuurwerkbesluit;
  • 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer.

8.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart feit 5 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2, 3 en 4 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
  • veroordeelt verdachte tot
  • bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de
jeugddetentie in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de jeugddetentie
een gedeelte van 132 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene voorwaarde niet heeft nageleefd (het onvoorwaardelijk deel van de jeugddetentie is gelijk aan het gedeelte dat verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, zodat verdachte niet terug hoeft naar de jeugdgevangenis);
- stelt daarbij een
proeftijd van twee (2) jarenvast;
- als
algemene voorwaardengelden dat de verdachte:
 zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
 ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
 medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste en derde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- stelt als
bijzondere voorwaardendat de verdachte:
o zich in het kader van de maatregel Toezicht en Begeleiding, waarvan de eerste
6 maanden in het kader van ITB Harde Kern, houdt aan de aanwijzingen van De Jeugd- en Gezinsbeschermers en zich meldt op afspraken met de jeugdreclassering, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat nodig vindt
o verblijft bij Inspire Amsterdam (adres: [adres 1] , [postcode] te [plaats] ) of bij een soortgelijke instelling;
o op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres. De jeugdreclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met verdachte. Initieel is de verdachte van negen uur in de avond tot zeven uur in de ochtend in de aangewezen woning of instelling;
o zich houdt aan de huisregels, de aanwijzingen en het dagprogramma die de jeugdreclassering in samenspraak met de woongroep heeft opgesteld;
o zich inspant voor het vinden en behouden van een door de reclassering goedgekeurde vorm van dagbesteding, bij voorkeur in de vorm van betaald werk, voor minimaal 26 uur in de week met een vaste structuur;
o zich inzet voor het hebben van een zinvolle vrijetijdsbesteding;
o meewerkt aan een traject van coaching en/of outreachende begeleiding gericht op praktische en psychosociale thema’s door BY Woon & Zorg of een soortgelijke instelling, zolang als de jeugdreclassering dit nodig acht;
o zich laten behandelen door De Waag, dan wel een soortgelijke zorgverlener te bepalen door de jeugdreclassering, ook als dat inhoudt het meewerken aan diagnostisch onderzoek. De verdachte werkt daartoe mee aan de opmaak van een delictscenario indien dat voor de behandeling nodig is;
o meewerkt aan controle op middelengebruik en een behandeltraject in de verslavingszorg bij Tactus of een soortgelijke instelling-, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
o meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik van softdrugs. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel (urineonderzoek, ademonderzoek en/of een speekseltest) wordt gecontroleerd;
o een contactverbod met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum] 2007, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;
- waarbij de De Jeugd- en Gezinsbeschermers opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een
werkstraf van 100 (honderd) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de werkstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;
beslag
- verklaart het volgende voorwerp verbeurd:
 iPhone (G3487936);
 simkaart (G3487960);
- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:
 verdovende middelen (G3488023);
 vuurwerk, 9 stuks Cobra 6 (G3488800).
voorlopige hechtenis
- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis;
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. N.M.H. van Ek en
mr. J.H.C. van Ginhoven, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H. van Veenschoten als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
mr. J.H.C. van Ginhoven is niet in gelegenheid dit vonnis mede te onderteken.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 25 februari 2025 te Hilversum
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad,
(in totaal ongeveer) 217,94 gram, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende MDMA (methyleendioxymethamfetamine),
zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst 1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2024 tot en met 25
februari 2025 te Hilversum, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
meermalen, althans eenmaal,
(telkens) opzettelijk
heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht
en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens)
opzettelijk aanwezig heeft gehad
een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA
(methyleendioxymethamfetamine), zijnde MDMA
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst
1, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2025 tot en met 25 februari
2025 te Hilversum,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een pistool, van het merk Woltra Combat, model 85, zijnde een
vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 25 februari 2025 te Hilversum, in elk geval in
Nederland, als een ander dan een persoon met gespecialiseerde kennis,
al dan niet opzettelijk, een hoeveelheid, althans één of meer, stuks,
knalvuurwerk te weten
- 40 Flashbangs en/of
- 9 Super Cobra 6
in elk geval professioneel vuurwerk, voorhanden heeft gehad;
5
hij op of omstreeks 25 februari 2025 te Hilversum, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk aanwezig heeft gehad
ongeveer 40,92 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram
van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige
elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn
toegevoegd (hasjiesj), zijnde hasjiesj
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Bijlage II: Bewijsmiddelen [16]
Een proces-verbaal van bevindingen aantreffen vuurwerk doorzoeking [adres 2] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 25 februari 2025 werd er ter inbeslagneming binnengetreden in de woning aan de
[adres 2] te [plaats] (de rechtbank begrijpt de woning van verdachte). Tijdens de uitgevoerde doorzoeking werd er in de slaapkamer van verdachte vuurwerk aangetroffen. Dit betroffen 9 stuks Cobra 6 en 40 stuks Black Widow. [17]
Een kennisgeving van inbeslagneming, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Plaats: [plaats] (woning aan de [adres 2] )
Datum: 25 februari 2025
Beslagene: [verdachte]
Goednummer : PL0900-2025020097-3488800
Object: Vuurwerk (l.lg Explosief)
Aantal/eenheid : 9 stuks
Bijzonderheden: 9 cobra's type 6.
Goednummer : PL0900-2025020097-3488807
Object: Vuurwerk (l.lg Explosief)
Aantal/eenheid : 40 stuks
Merk/type: Black Widow [18]
Een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslaggenomen vuurwerk, inclusief bijlagen , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven
Op 6 maart 2025 is door mij, [verbalisant] , hoofdagent van politie, werkzaam als [functie] , het inbeslaggenomen vuurwerk op uiterlijke kenmerken onderzocht. Ik, verbalisant, zag de door mij onderzochte partij was voorzien van:
De PL-code en BVH-nummer: PL0900-2025020097-A.
De resultaten daarvan vermeldde ik in onderstaande tabel:
Lijst IIB
(flash-) bangers in aantal.
Aantal: 40 st.
Lijst III Bangers Aantal: 9 st. [19]
Bijlage 2: Knalvuurwerk - Lijst IIBIk zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk.(banger / flashbanger).
Dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk. [21]
Bijlage 3: Knalvuurwerk - Lijst IIIIk zag dat dit vuurwerk was van het soort knalvuurwerk.(banger / flashbanger)
Dit vuurwerk is aan te merken als professioneel vuurwerk. [23]

Voetnoten

2.Pagina 141 t/m 144.
3.Pagina 211.
4.Pagina 456 en 457.
5.Pagina 224.
6.Pagina 20 t/m 25.
7.Pagina 41.
8.Pagina 44 en 45.
9.Pagina 46.
10.Pagina 359 en 360.
11.Pagina 435.
12.Pagina 406 t/m 409.
13.Pagina 49 t/m 51.
14.Pagina 381 t/m 383.
15.Pagina 399 t/m 404.
17.Pagina 1 PVB aantreffen vuurwerk [verdachte] .
18.Pagina 469 Einddossier.
19.Pagina 189 Einddossier.
20.Pagina 194 Einddossier.
21.Pagina 196 Einddossier.
22.Pagina 197 Einddossier.
23.Pagina 199 Einddossier.