ECLI:NL:RBMNE:2026:4852

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
16/148247-25; 23/002123-21 (vord. tul)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor brandstichting en ontploffing met levensgevaar bij woning

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 29 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die op 27 juli 2024 in Nieuwegein een explosief heeft geplaatst en aangestoken bij een woning, waardoor brand en een ontploffing ontstonden met gevaar voor levens en goederen.

De verdachte bekende het feit en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn psychische problematiek en eerdere veroordelingen.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €5.000 voor immateriële schade, waarvan de rechtbank €3.000 toekende wegens de ernstige impact en angst die het incident veroorzaakte. Daarnaast werd de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke taakstraf toegewezen, omdat de verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit.

De rechtbank legde bijzondere voorwaarden op, waaronder meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, schuldaflossing en ambulante begeleiding, om de kans op gedragsverandering te vergroten.

De straf en maatregelen weerspiegelen de ernst van het delict en bieden de verdachte tegelijkertijd de mogelijkheid tot rehabilitatie en begeleiding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf (12 maanden voorwaardelijk) en €3.000 schadevergoeding wegens brandstichting en ontploffing met levensgevaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/148247-25; 23/002123-21 (vord. tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 29 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1998] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres op het adres [adres 1] , [postcode] in [woonplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 15 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. N. Schipper;
  • de advocaat van de verdachte: mr. E. Bruijn (hierna: de advocaat);
  • de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde partij] : mr. A. Sennef.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op 27 juli 2024 in Nieuwegein brand heeft gesticht en/of een ontploffing heeft veroorzaakt door een explosief voor de woning aan [adres 2] te [plaats] te plaatsen en deze aan te steken terwijl daardoor gevaar voor de woning en levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te verwachten was.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
  • De bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter zitting van 15 juli 2026;
  • Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] van 27 juli 2024, pagina 18-19;
  • Een proces-verbaal forensisch onderzoek plaats delict ( [adres 2] [plaats] ), pagina 58-61;
  • Een geschrift te weten, het explosievenonderzoek naar aanleiding van een ontploffing bij een woning in [plaats] op 27 juli 2024 van het Nederlands Forensisch Instituut van 10 februari 2025, pagina 80-87.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 27 juli 2024 te [plaats] opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
- met een explosief, naar [plaats] te gaan en
- een explosief voor de woning aan [adres 2] te [plaats] te plaatsen en
- vervolgens een explosief aan te steken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten een woning aan de [adres 2] te [plaats] en een woning tegenover de [adres 2] te [plaats] te duchten was
en
- levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een persoon aanwezig in de woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] te duchten was.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan een gedeelte van 24 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft verzocht om de straf zoals geëist door de officier van justitie te matigen vanwege de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 24 maanden waarvan een gedeelte van 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit. Hij heeft op 24 juli 2024 bij de voordeur van een woning in [plaats] een explosief achtergelaten en dat aangestoken. De benadeelde partij was op dat moment niet thuis maar zijn zwangere vrouw wel. Hun hond bevond zich in de garage. De vrouw lag te slapen op enkele meters van de voordeur die door de explosie naar binnen is geknald. Zij heeft door de explosie gelukkig geen lichamelijk letsel opgelopen, maar de explosie had dodelijk kunnen zijn of tot zwaar lichamelijk letsel kunnen leiden. De explosie was zo hevig dat zelfs bij de woning aan de overzijde van de straat de ruiten zijn gebarsten. Uit de vordering van de benadeelde partij en de toelichting daarop, volgt dat het feit bij de bewoners van de woning veel angst heeft veroorzaakt en er zelfs (mede) toe heeft geleid dat zij zijn verhuisd naar een andere woning. Het plaatsen en aansteken van een explosief voor een woning leidt bovendien niet alleen tot angst bij de bewoners van de woning en de omliggende woningen, maar tast ook het veiligheidsgevoel in de samenleving aan.
De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij het feit heeft gepleegd in opdracht van anderen met het doel om snel en eenvoudig geld te verdienen. Op dat moment heeft hij enkel zijn eigen belang voorop gesteld en geen rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers en de samenleving.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft het strafblad van de verdachte van 5 juni 2026 bekeken. Hieruit volgt dat de verdachte op 6 maart 2025 is veroordeeld voor het op 14 augustus 2024 medeplegen van een ontploffing met gevaar voor goederen en het op 15 augustus 2024 voorbereiden van een ontploffing. Aan de verdachte is toen een gevangenisstraf opgelegd van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Verder blijkt uit het strafblad dat de verdachte begin dit jaar op 31 maart 2026 nog veroordeeld is voor een vernieling, wederspannigheid en een diefstal gepleegd in december 2025. Omdat deze uitspraken feiten betreffen met pleegdata van na het feit waarover deze uitspraak gaat, is artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (oud) van toepassing. Dat betekent dat de rechtbank de voorschriften moet toepassen die gelden voor de situatie waarin verdachte tegelijkertijd een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 9 juli 2026. De reclassering beschrijft dat bij de verdachte sprake is van instabiliteit op meerdere leefgebieden. Hij kampt met een gokverslaving en heeft daardoor schulden. In het verleden is bij de verdachte een bipolaire stoornis gediagnosticeerd. De verdachte heeft al jaren een zorgmachtiging en op grond daarvan ontvangt hij depotmedicatie vanwege psychoses in het verleden. De verdachte heeft enige tijd begeleid gewoond bij het [organisatie 1] . Op de zitting is gebleken dat hij inmiddels niet meer verblijft bij het [organisatie 1] , maar wel nog op de wachtlijst staat voor een andere begeleid wonen plek. De verdachte verblijft op dit moment bij zijn vriendin en familie. Daarnaast heeft de verdachte op zitting aangegeven dat hij als pakketbezorger aan de slag kan gaan. De reclassering adviseert het opleggen van een (deels) voorwaardelijk strafdeel met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, ambulante behandeling met mogelijkheid tot kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, dagbesteding, de aflossing van schulden en ambulante begeleiding. Daarbij plaatst de reclassering wel de kanttekening dat ze onvoldoende zicht hebben of de bijzondere voorwaarden toereikend zijn om tot gedragsverandering te komen.
Strafkader
De rechtbank stelt voorop dat een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is bij het levensgevaar dat met de explosie werd veroorzaakt. De eis van de officier van justitie is dan ook begrijpelijk.
De rechtbank vindt in dit geval toch een lagere gevangenisstraf passend. De verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen en heeft oprecht spijt betuigd. Hij lijkt in te zien dat hij zijn leven een andere wending moet geven. De verdachte is daarmee bezig, maar hierin zijn nog geen concrete stappen gezet. Hij kan naar eigen zeggen aan de slag als pakketbezorger maar is daarmee nog niet begonnen. Ook is zijn begeleid woonplek bij het [organisatie 1] vergeven omdat hij er te weinig verbleef. De gokverslaving van de verdachte, zijn psychische problematiek en de medicatie die hij daarvoor ontvangt, zullen effect hebben op zijn functioneren. De rechtbank acht het daarom van groot belang dat de verdachte op afzienbare termijn aan de slag gaat met zijn verslaving en de kansen die hem worden geboden door de hulpverlening met beide handen aangrijpt. De rechtbank zal een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met daaraan de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering. Deze straf doet recht doet aan de ernst van het feit. Tegelijkertijd geeft het de verdachte de kans om met de hulpverlening aan de slag te gaan. Het voorwaardelijke strafdeel van 12 maanden dient ertoe de verdachte gemotiveerd te houden voor hulpverlening en als stok achter de deur om te voorkomen dat de verdachte opnieuw de fout ingaat.
Zoals hiervoor overwogen is, gelet op de veroordelingen van de rechtbank Noord-Holland van 6 maart 2025 en de rechtbank Amsterdam van 31 maart 2026, artikel 63 Sr Pro (oud) van toepassing. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank de voorschriften toegepast die gelden voor de situatie waarin verdachte een straf zou zijn opgelegd voor alle feiten tegelijk.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma.

6.Vordering benadeelde partij

6.1.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,- voor het feit, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 576,- voor gemaakte proceskosten. Daarbij heeft de benadeelde partij erop gewezen dat de totale vordering € 5.000,- bedraagt en dat bij vorderingen van een dergelijke omvang het liquidatietarief gewaardeerd wordt op € 288,- per punt. De benadeelde partij vraagt om het toekennen van twee punten: één punt voor het opstellen van de vordering en één punt voor de toelichting van de vordering op zitting.
6.2.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie heeft verzocht om de vordering in zijn geheel toe te wijzen met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel.
De advocaat laat de beslissing over de vordering tot schadevergoeding aan de rechtbank over.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
De immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW Pro mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, is de rechtbank van oordeel dat hij door het strafbare feit op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft uitgelegd wat de explosie met hem heeft gedaan. De gevolgen zijn door de verdediging niet betwist. De rechtbank baseert zich bij de beoordeling van de vordering dan ook op de gevolgen zoals door de benadeelde partij uiteengezet. Op de zitting is namens de benadeelde partij aangegeven dat het feit een grote impact op hem heeft gehad. De explosie heeft bij hem veel angst en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Zijn vrouw lag namelijk op een paar meter van de explosie te slapen. De benadeelde partij is bovendien niet duidelijk geworden wie de opdracht tot het plaatsen van een explosief heeft gegeven. Vanwege die gevoelens van onveiligheid zijn de benadeelde partij en zijn vrouw zelfs verhuisd naar een andere woning. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 3.000,- billijk is. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 27 juli 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat de verdachte een bedrag van € 3.000,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 (datum ontstaan schade) tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald.
Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank werkt met een puntensysteem om de proceskosten te berekenen, het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. De rechtbank kent twee punten toe voor een tarief van € 288,- per punt en begroot de proceskosten van de benadeelde partij daarmee op € 576,-.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

Het Gerechtshof Amsterdam heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 23/002123-21 op 24 november 2023 een taakstraf van 50 uur voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
7.1.
Vordering van de officier van justitie en het standpunt van de verdediging
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
De advocaat laat de beslissing over de vordering tot tenuitvoerlegging aan de rechtbank over.
7.2.
Oordeel van de rechtbank
Bij arrest van het hof in Amsterdam is verdachte een taakstraf van 50 uur voorwaardelijk opgelegd. De verdachte heeft zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Om die reden zal deze straf alsnog ten uitvoer gelegd worden.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4. is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1. is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf van 24 maanden;
- bepaalt dat
van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van 2 jarenvast;
- als
algemene voorwaardengelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als
bijzondere voorwaardengelden de volgende voorwaarden:
-
Meldplicht
De verdachte meldt zich gedurende de proeftijd op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact opnemen met de verdachte voor de eerste afspraak.
-
Ambulante behandeling met mogelijkheid kortdurende opname
Dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een
zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de
behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De
behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek,
agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden en sociale vaardigheden. Gelet op
de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte
voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in
middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige
verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende
klinische opname voor
detoxificatie/stabilisatie/observatie/diagnostiek/crisisbehandeling noodzakelijk
is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke
kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Indien de
voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname
indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat betrokkene zich opnemen in
een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is
voor plaatsing.
-
Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat de verdachte gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de
reclassering opstelt.
-
Dagbesteding
Indien de reclassering het nodig acht spant de verdachte zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
-
Aflossing schulden
De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
-
Ambulante begeleiding
De verdachte zal, indien de toezichthouder dit nodig acht, meewerken aan ambulante begeleiding van [organisatie 2] of een soortgelijke begeleidingsinstantie. De begeleiding richt zich op de keuzes die de verdachte maakt in relatie tot het delictgedrag, maar ook op dagbesteding om een zinvolle en veilige dagstructuur te creëren.
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde partij]
  • wijst de vordering van [benadeelde partij] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 3.000,-;
  • veroordeelt de verdachte tot betaling aan [benadeelde partij] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot de dag van volledige betaling;
  • verklaart [benadeelde partij] voor wat betreft het meer gevorderde niet-ontvankelijk in de vordering;
  • veroordeelt de verdachte ook in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt, tot op dit moment begroot op € 576,-;
  • legt aan de verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 3.000,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2024 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 30 dagen gijzeling;
  • bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed;
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de meervoudige kamer van het Gerechtshof Amsterdam bij arrest van 24 november 2023 opgelegde voorwaardelijke taakstraf voor de duur van 50 uur.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. S.M. van Lieshout, voorzitter, mr. S.D. Groen en mr. C. Van Wambeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.M. van Bemmelen als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.
De jongste rechter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 27 juli 2024 te Nieuwegein, althans in Nederland, opzettelijk
brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door
- met een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, naar Nieuwegein te gaan en/of
- een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een ontploffing, voor de woning aan [adres 2] te [plaats] te plaatsen en/of
- (vervolgens) een explosief, althans een voorwerp bestemd voor het teweegbrengen van een
ontploffing, aan te steken, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor een of meer goederen, te weten een woning aan de [adres 2] te [plaats] en/of een woning tegenover de [adres 2] te [plaats] en/of een of meer omliggende woningen te duchten was
en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meerdere personen aanwezig in het woning gelegen aan de [adres 2] te [plaats] en/of een of meerdere personen aanwezig in de omliggende woningen te duchten was.