ECLI:NL:RBMNE:2026:4855

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2757
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 4:17 AwbArt. 2:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken geldige ingebrekestelling bij niet tijdig beslissen WIA-herbeoordeling

Eiseres heeft een verzoek tot herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid ingediend bij het UWV op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Verweerder heeft niet tijdig op dit verzoek beslist. Eiseres heeft een ingebrekestelling gestuurd via 'Mijn UWV' en per e-mail aan cliëntondersteuners van het UWV.

De rechtbank overweegt dat een ingebrekestelling vereist is om een beroep tegen niet tijdig beslissen ontvankelijk te maken. De ingebrekestelling moet voldoen aan de voorwaarden van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaronder het elektronisch indienen via een door het bestuursorgaan opengestelde weg. Verweerder heeft deze elektronische weg niet opengesteld voor ingebrekestellingen, waardoor de ingebrekestelling van eiseres niet formeel geldig is.

Daarnaast zou de ingebrekestelling prematuur zijn geweest, omdat deze werd verstuurd voordat de beslistermijn was verstreken. Hierdoor is het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor vergoeding van proces- of griffiekosten. De uitspraak is gedaan door rechter R.C. Stijnen op 26 mei 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een geldige ingebrekestelling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2757

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] ,

eiseres
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Op 21 april 2026 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Awb.
Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
3. Als de betrokkene geen ingebrekestelling stuurt, is het beroep niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet inhoudelijk kan beoordelen.
4. In dit geval stelt verweerder in het verweerschrift van 21 april 2026 primair dat er geen sprake is van niet tijdig beslissen ten tijde van de ingebrekestelling. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 27 januari 2026. Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 30 januari 2026. Verweerder had dus nog tot en met 27 maart 2026 de tijd om een beslissing te nemen. Verweerder is vanaf de dag daarna te laat met beslissen. De ingebrekestelling is verstuurd op 27 maart 2026, dat is voor het einde van de beslistermijn.
5. Subsidiair voert verweerder aan in zijn verweerschrift dat hem geen schriftelijke ingebrekestelling bekend is. De ingebrekestelling van eiseres van 27 maart 2026 is via ‘Mijn UWV’ ingediend. Ook heeft eiseres de ingebrekestelling op 27 maart 2026 per mail verstuurd aan twee cliëntondersteuners van het UWV. In deze mail vraagt eiseres ook om een bevestiging van haar ingebrekestelling. Per mail van 30 maart 2026 geeft één van de twee cliëntondersteuners aan dat de rechtstreekse e-mailadressen niet bestemd zijn voor verzoeken van eiseres om andere afdelingen te benaderen of iets te bevestigen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de ingebrekestelling niet voldoet aan de voorwaarden zoals vermeld in artikel 4:17, derde lid van de Awb. Op grond van artikel 2:15, eerste lid, van de Awb kan een bericht alleen elektronisch naar een bestuursorgaan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Verweerder heeft deze elektronische weg niet opengesteld voor het indienen van ingebrekestellingen. Omdat formeel geen sprake is van een ingebrekestelling, voldoet het beroep van eiseres niet aan de voorwaarden van artikel 6:12, tweede lid van de Awb. [2]
7. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat als de ingebrekestelling wel via de juiste weg was ingediend, deze prematuur zou zijn. De termijn was namelijk op 27 maart 2026 nog niet verstreken.
8. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.
9. Voor een vergoeding van proceskosten of griffiekosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1871, r.o. 4.3.