ECLI:NL:RBMNE:2026:4859

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
UTR 26/2675
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot proceskostenvergoeding na te late beslissing UWV op bezwaar toegewezen

Verzoekster diende op 7 april 2026 beroep in tegen het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar van 29 augustus 2025 tegen een besluit van 28 juli 2025. Het UWV nam op 13 april 2026 alsnog een beslissing op het bezwaar, waarna verzoekster het beroep introk en een vergoeding van proceskosten vorderde.

De rechtbank beoordeelde het verzoek om proceskostenveroordeling en stelde vast dat het UWV aan verzoekster was tegemoetgekomen door alsnog een beslissing te nemen. Het UWV erkende bovendien de te late beslissing en stemde in met het verzoek om proceskostenvergoeding.

De rechtbank veroordeelde het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten, berekend volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht, en bepaalde dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden. De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 24 juni 2026.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 467,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 54,- aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2675

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. A.J. Heijman),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, (gemachtigde: G. Metz)

Procesverloop

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Het UWV heeft niet op tijd beslist op haar bezwaar van 29 augustus 2025 tegen het besluit van 28 juli 2025.
Verzoekster heeft op 7 april 2026 beroep ingesteld. Het UWV heeft op 13 april 2026 alsnog een besluit genomen op het bezwaar van verzoekster. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft hierop gereageerd op 4 juni 2026.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
3. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4. Op 7 april 2026 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het uitblijven van het nemen van een beslissing op haar bezwaar van 29 augustus 2025 tegen het besluit van 28 juli 2025. Het UWV heeft op 13 april 2026 alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
5. Het UWV heeft per brief van 4 juni 2026 gereageerd op het verzoek van verzoekster. Het UWV geeft aan dat, gelet op het feit dat hij te laat was met het afgeven van een beslissing op bezwaar, akkoord gaat met het verzoek van verzoekster.
6. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoekster die het UWV moet betalen vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
7. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat het UWV verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 54,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoekster zal zich hiervoor tot het UWV moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 467,- aan proceskosten en bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
E.H.M. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).