ECLI:NL:RBMNE:2026:4892

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
C/16/602813 / FO RK 25-1458
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:227 BWArt. 1:228 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing stiefouderadoptie wegens tegenspraak biologische vader

De moeder en de stiefvader verzochten de rechtbank om adoptie van twee minderjarige kinderen door de stiefvader uit te spreken. De biologische vader is het niet eens met dit verzoek en spreekt het tegens. De kinderen zien de stiefvader als hun vader en wensen de adoptie, maar de rechtbank moet toetsen of aan de wettelijke voorwaarden is voldaan.

De rechtbank constateert dat de vader en de kinderen sinds enkele jaren geen contact meer hebben, maar dat de vader wel aangeeft graag weer contact te willen en zijn vaderschap niet wil verliezen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert daarom om de juridische band tussen vader en kinderen niet te verbreken.

Op grond van artikel 1:227 en Pro 1:228 BW kan adoptie alleen worden toegewezen als het in het belang van het kind is en geen van de ouders het verzoek tegenspreekt, tenzij uitzonderingen van toepassing zijn. Deze uitzonderingen zijn hier niet van toepassing omdat de vader in het verleden wel zorg heeft gedragen voor de kinderen, geen grove verwaarlozing is vastgesteld en de tegenspraak niet misbruikt wordt.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot stiefouderadoptie af. De vader blijft juridisch ouder, wat overeenkomt met de biologische werkelijkheid, terwijl de stiefvader en moeder de kinderen blijven verzorgen en opvoeden. Tegen deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Het verzoek tot stiefouderadoptie wordt afgewezen vanwege de tegenspraak van de biologische vader en het niet voldoen aan wettelijke uitzonderingen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/602813 / FO RK 25-1458
adoptie
Beschikking van 30 juni 2026
in de zaak van:
[de stiefvader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
advocaat mr. E.P.J. Appelman,
met als belanghebbende
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
[de vader],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
  • het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 19 november 2025;
  • het bericht van 8 december 2025 van de vader;
  • het rapport van 5 maart 2026 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad).
1.2
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 2 juni 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de stiefvader met zijn advocaat,
  • de moeder,
  • de vader,
  • mevrouw [A] , namens de Raad.
1.3
De rechtbank heeft aan de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gevraagd wat zij van het verzoek vinden. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben op 9 juni 2026 met de kinderrechter gesproken.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De moeder en de vader zijn getrouwd geweest. De echtscheidingsbeschikking is op [echtscheidingsdatum] 2012 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2
De moeder en de vader zijn de ouders van:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] .
2.3
In de beschikking van 21 mei 2014 van deze rechtbank is het gezamenlijk gezag van de moeder en de vader beëindigd en is de moeder alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Dit betekent dat de moeder de belangrijke beslissingen over de kinderen mag nemen.
2.4
Sinds circa 2013 is er geen contact meer tussen de vader en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.5
Sinds juli 2020 heeft de moeder een relatie met de stiefvader. In maart 2024 zijn de moeder en de stiefvader gaan samenwonen en op [trouwdatum] 2024 zijn zij getrouwd.
2.6
De stiefvader verzoekt de rechtbank om de adoptie uit te spreken van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door hem. De moeder staat achter dit verzoek.
2.7
De vader is het niet eens met het verzoek.

3.De beoordeling

3.1
De rechtbank zal het verzoek tot adoptie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] door de stiefvader afwijzen. Hierna zal de rechtbank uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
3.2
Allereerst merkt de rechtbank op dat zij begrijpt dat het voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een grote teleurstelling zal zijn dat de adoptie niet wordt uitgesproken. De kinderen hebben bij de kinderrechter en de Raad voor de Kinderbescherming goed uitgelegd dat het hun wens is om door de stiefvader te worden geadopteerd. De kinderen zien de stiefvader als hun vader, omdat hij al jarenlang de vaderrol voor ze vervult. Aan de vader hebben zij negatieve herinneringen. De stiefvader begeleidt de kinderen bij hun gezondheid, werk en hobby’s en hij is er altijd als ze hem nodig hebben. De kinderen hebben daarom het initiatief genomen voor het verzoek tot adoptie. De rechtbank begrijpt de wens van de kinderen en wil benadrukken dat de kinderen hun standpunt goed duidelijk hebben gemaakt.
De reden dat de rechtbank het verzoek toch zal afwijzen, is dat er volgens de wet strenge eisen gelden voor adoptie. Aan die eisen is niet voldaan, zoals hierna zal worden uitgelegd.
Dit betekent dat de vader van de kinderen op hun geboorteakte blijft staan, wat overeenkomt met de biologische werkelijkheid. In de praktijk zullen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dit niet merken, want de stiefvader en de moeder blijven hen verzorgen en opvoeden.
3.3
Op grond van artikel 1:227 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het verzoek tot adoptie alleen worden toegewezen, indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is, op het tijdstip van het verzoek tot adoptie vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft, en aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW Pro wordt voldaan.
3.4
De rechtbank kan het verzoek tot (stiefouder)adoptie niet toewijzen, omdat de vader dit verzoek tegenspreekt. Voor de rechtbank staat onvoldoende vast dat de kinderen in de toekomst niets meer van de vader in de hoedanigheid van ouder kunnen verwachten.
Zowel tijdens de zitting als bij de Raad voor de Kinderbescherming heeft de vader verklaard dat hij graag weer contact zou willen met de kinderen. Hij zou het heel erg vinden als hij naast het contact met de kinderen ook zijn vaderschap zou kwijtraken. De Raad adviseert daarom om niet de juridische band tussen de vader en de kinderen te verbreken door de (stiefouder)adoptie, ondanks dat de kinderen nu geen behoefte aan contact met de vader hebben en de kinderen niet verwachten dat dit ooit zal veranderen.
3.5
In artikel 1:228 lid Pro 1d BW is bepaald dat een voorwaarde voor adoptie is dat geen van de ouders het verzoek tegenspreekt. Slechts in een aantal gevallen kan de rechtbank voorbijgaan aan de tegenspraak van een ouder, te weten [1] :
a. indien het kind en de ouder niet of nauwelijks in gezinsverband hebben samengeleefd, of
b. indien de ouder het gezag over het kind heeft misbruikt of de verzorging en opvoeding van het kind op grove wijze heeft verwaarloosd, of
c. indien de ouder onherroepelijk is veroordeeld wegens het plegen tegen de minderjarige van een van de misdrijven, omschreven in de titels XIII tot en met XV en XVIII tot en met XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.
3.6
Volgens de rechtbank is hieraan niet voldaan. Daarom kan niet voorbij worden gegaan aan de tegenspraak van de vader. De rechtbank licht dit hierna toe.
De kinderen hebben 3,5 jaar respectievelijk 1,5 jaar in gezinsverband met de vader geleefd. Dit is inmiddels lang geleden, maar het gaat erom dat de kinderen in het verleden mede zijn verzorgd en opgevoed door de vader. Daarnaast is uit het onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming niet gebleken dat de vader op grove wijze de verzorging en opvoeding van de kinderen heeft verwaarloosd. Vaststaat dat de vader al jaren geen contact meer heeft met de kinderen, maar de vader en de moeder verschillen sterk van mening over de oorzaak daarvan. Ook kan de tegenspraak van de vader niet worden gekwalificeerd als tegenspraak met als enig doel de adoptiefouder te schaden (wat misbruik van bevoegdheid oplevert).
3.7
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot (stiefouder)adoptie afwijzen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan.

4.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. A.C. van den Boogaard, (kinder)rechter, in samenwerking met mr. A. Verouden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:228 lid 2 BW Pro