Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:490

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
11718869 \ UC EXPL 25-4662
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande vordering en incassokosten na niet geslaagde bewijsopdracht

In deze civiele zaak vordert eiser betaling van openstaande bedragen voor werkzaamheden verricht voor de bedrijven van gedaagde, waaronder een aanvullende vergoeding van €100 per georganiseerde trip. In een tussenvonnis werd reeds vastgesteld dat €10.448,29 toewijsbaar is voor verrichte werkzaamheden.

Eiser kreeg de bewijsopdracht om aan te tonen dat de aanvullende vergoeding per trip was afgesproken. Hij legde slechts twee schriftelijke verklaringen over, waarvan één van zichzelf en één van een collega, zonder getuigenverhoor. De kantonrechter hechtte aan schriftelijke verklaringen minder bewijswaarde en concludeerde dat onvoldoende is bewezen dat de afspraak over de vergoeding per trip is gemaakt.

De verklaring van de collega toonde bovendien dat afspraken regelmatig wijzigden en dat de vergoeding pas later voor het gehele management werd vastgesteld. De bijlagen bij de verklaring boden geen duidelijke onderbouwing van de afspraak. Daarom werd de aanvullende vordering afgewezen.

De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van het eerder vastgestelde bedrag van €10.448,29, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 31 december 2022, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van €879,48 en proceskosten van €2.035,47. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde moet €10.448,29 plus wettelijke rente, incassokosten en proceskosten betalen; aanvullende vergoeding per trip wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11718869 \ UC EXPL 25-4662
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. Z.E. Guddas,
tegen
[gedaagde] , onder andere handelend onder de naam [handelsnaam],
wonend in Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. D. van der Wal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025;
- de akte van [eiser] van 3 december 2025;
- de akte van [gedaagde] van 7 januari 2026.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat vandaag het vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
In het tussenvonnis van 5 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) heeft de kantonrechter geoordeeld dat in ieder geval € 10.448,29 toewijsbaar is vanwege werkzaamheden die [eiser] heeft verricht voor de bedrijven van [gedaagde] , maar waar hij nog niet voor is betaald. [eiser] heeft werkzaamheden verricht als [functie] , [functie] , [functie] en [functie] voor de bedrijven van [gedaagde] . In het tussenvonnis heeft de kantonrechter [eiser] opgedragen om te bewijzen dat er daarnaast is afgesproken dat hij minimaal € 100,00 per trip zou krijgen wanneer hij een trip samen met een andere [functie] organiseerde. [eiser] heeft een akte genomen en [gedaagde] heeft daarop gereageerd met een akte. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Daarom zal alleen het eerdergenoemde bedrag van € 10.448,29 worden toegewezen.

3.De verdere beoordeling

[eiser] is niet geslaagd in de bewijsopdracht

3.1.
[eiser] heeft de opdracht gekregen om te bewijzen dat is afgesproken dat hij minimaal € 100,00 per trip zou krijgen wanneer hij een trip samen met een andere [functie] organiseerde (hierna ook ‘de afspraak’). De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in die bewijsopdracht, waardoor dit deel van zijn vordering wordt afgewezen. Er kan niet met een redelijke mate van zekerheid worden vastgesteld dat de afspraak tussen partijen is gemaakt. Hieronder wordt dit oordeel toegelicht.
[eiser] heeft alleen schriftelijke verklaringen gebruikt
3.2.
Hoewel [eiser] de mogelijkheid had om getuigen te laten horen heeft hij ervoor gekozen om alleen 2 schriftelijke verklaringen, waarvan één van hemzelf en één van [A] (hierna ‘ [A] ’), te gebruiken om zijn stelling te bewijzen. Schriftelijke verklaringen hebben bewijskracht, maar de kantonrechter hecht aan dergelijke schriftelijk afgelegde verklaringen een andere bewijswaarde toe dan aan verklaringen die tijdens een getuigenverhoor zijn afgelegd. Om te beginnen gaat het bij schriftelijke verklaringen namelijk niet om verklaringen die onder ede zijn afgelegd. Verder kunnen getuigen die tijdens een getuigenverhoor worden gehoord worden ondervraagd door de kantonrechter, de partij die de getuige heeft opgeroepen en de wederpartij. Die mogelijkheid bestaat in het geval van schriftelijke verklaringen niet. De kantonrechter merkt terzijde nog op dat in de verklaring van [eiser] geen nieuwe informatie staat ten opzichte van de dagvaarding en wat op de mondelinge behandeling is besproken.
Uit de verklaringen en bijlagen volgt niet dat de afspraak is gemaakt
3.3.
Onder 36 in de dagvaarding heeft [eiser] gesteld dat op 14 februari 2022 mondeling tussen hem en [gedaagde] zou zijn afgesproken dat [eiser] € 100,00 per trip zou krijgen wanneer hij een trip samen met een andere [functie] organiseerde. Naar de kantonrechter uit de stukken in het dossier en wat op de mondelinge behandeling naar voren is gekomen begrijpt was [A] daarbij niet aanwezig. Hij is pas in maart 2022 werkzaamheden gaan verrichten voor het bedrijf van [gedaagde] . Uit de schriftelijke verklaring van [A] volgt ook niet dat hij bij de bespreking op 14 februari 2022 aanwezig was. De verklaring levert dan ook geen bewijs op van het feit dat de gestelde afspraak op 14 februari 2022 zou zijn gemaakt.
3.4.
Daarbij komt dat de verklaring van [A] niet in overeenstemming is met wat [eiser] over de afspraak heeft gesteld, namelijk dat die op 14 februari 2022 zou zijn gemaakt. [A] is pas in maart 2022 voor [gedaagde] gaan werken en in zijn verklaring staat het volgende:

Toen ik begon was volgens mij de afspraak dat de persoon die de trip het meeste organiseerde € 100 kreeg. (…) Omdat al heel snel bleek dat bij elke trip bijna iedereen een bijdrage deed, was het heel moeilijk te bepalen wie het meeste gedaan had. (…) Al heel snel werd dus besloten dat iedereen van het management € 100 per trip zou krijgen.
Daaruit lijkt eerder te volgen dat er pas later zou zijn gesproken over een bedrag van € 100,00 per trip voor alle leden van het management.
3.5.
Verder heeft [A] verklaard dat afspraken met [gedaagde] ‘soms letterlijk van week tot week’ wijzigden en ‘veranderden met de waan van de dag’. Ook heeft hij verklaard dat [eiser] en hij onder dezelfde afspraken werkten. Afgaande op de verklaring van [A] is het dus maar de vraag of de (volgens [eiser] op 14 februari 2022 gemaakte) afspraak is blijven gelden. Uit de verklaring van [A] lijkt eerder te volgen dat afspraken regelmatig werden aangepast. Op grond van deze verklaring kan dus niet worden vastgesteld dat – als op 14 februari 2022 al een afspraak was gemaakt – die daarna is blijven gelden en [eiser] dus over een langere periode aanspraak zou kunnen maken op een bedrag van € 100,00 per trip.
3.6.
Om deze stelling te onderbouwen verwijzen [eiser] en [A] naar een aantal bijlagen bij de verklaring van [A] . Zowel [eiser] als [A] hebben nagelaten om duidelijk uit te leggen hoe uit de bijlagen zou moeten volgen dát de afspraak is gemaakt. Zonder duidelijke toelichting over wat uit die bijlagen zou moeten blijken, kan niet worden afgeleid – laat staan vastgesteld – dat de afspraak is gemaakt. Maar een dergelijke duidelijke toelichting ontbreekt. Bijlage 1 bij de verklaring van [A] lijkt te gaan over de winstverdeling onder [eiser] , [A] , [gedaagde] en de partner van [gedaagde] . Hierin staat namelijk:
“Iedere hieronder genoemde entiteit krijgt 10% basisloon, basisloon wordt uitgekeerd op basis van de nettowinst van het bedrijf”.
Bijlage 2 is een stuk dat [A] zelf heeft opgesteld waarin hij heeft bijgehouden wat hij ‘op papier verdiend had, en wat in natura is uitgekeerd’. Hieruit kan ook niet worden geconcludeerd dat de gestelde afspraak is gemaakt. Bijlage 3 is een financieel overzicht van oktober 2022. Wie dit stuk heeft opgesteld is onduidelijk. [A] zegt over dit overzicht dat het ‘dient als indicator dat er gemiddeld genomen altijd voldoende ruimte is om de afgesproken beloning, € 100,00 per [functie] , te voldoen.’ Maar hoe dat daaruit volgt is niet nader toegelicht. Ook dit stuk bewijst daarom niet dat de afspraak is gemaakt. [gedaagde] heeft er overigens nog op gewezen dat in het overzicht de indirecte kosten, zoals de huur van het pand, ontbreken. De stelling van [eiser] dat er genoeg financiële ruimte was om elke [functie] altijd € 100,00 per trip uit te betalen staat daarom ook niet vast.
3.7.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is er onvoldoende bewijs aangedragen voor de stelling dat om te kunnen concluderen dat [eiser] minimaal € 100,00 per trip zou krijgen wanneer hij een trip samen met een andere [functie] organiseerde. Zijn vordering tot betaling van de daarmee overeenkomende bedragen zal daarom worden afgewezen.
Conclusie
3.8.
In het tussenvonnis heeft de kantonrechter al geoordeeld dat in ieder geval € 10.448,29 toewijsbaar is. Daar komt gelet op het bovenstaande geen bedrag bij voor het organiseren van trips. De wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf 31 december 2022, omdat [eiser] onweersproken heeft gesteld dat alle vorderingen in elk geval vanaf die datum openstaan en vanaf die datum wettelijke rente verschuldigd is.
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.9.
[eiser] vordert € 1.131,30 aan buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit)
.De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen tot het wettelijke tarief dat hoort bij de toegewezen hoofdsom. Daarom wordt een bedrag van € 879,48 aan buitengerechtelijke incassokosten toegewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.10.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
144,47
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.015,00
(2,5 punten × € 406,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.035,47
Uitvoerbaar bij voorraad
3.11.
De kantonrechter verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Dit betekent dat de verplichting om aan dit vonnis te voldoen ingaat op het moment dat het is uitgesproken, totdat in een eventueel hoger beroep anders is beslist.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.448,28 binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 31 december 2022 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 879,48 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.035,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W. Wagenaar en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
61312