ECLI:NL:RBMNE:2026:4904

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 juni 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
C/16/610830 / FO RK 26-570
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377g BWArt. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en contactherstel tussen minderjarige en vader

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 19 juni 2026 een zaak over de zorgregeling van een minderjarige geboren in 2014. De ouders hadden gezamenlijk gezag en een bestaande zorgregeling waarbij de minderjarige om de week wisselde van ouder. De minderjarige had via een e-mail aangegeven minder vaak bij de vader te willen zijn.

Tijdens de zitting spraken de ouders, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtbank over het loyaliteitsconflict van de minderjarige en het belang van contactherstel met de vader. De ouders kwamen tot afspraken om de zorgregeling aan te passen, waarbij de minderjarige om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de vader verblijft, met duidelijke afspraken over het brengen en halen.

De rechtbank bevestigde deze afspraken en verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Tevens werd een brief aan de minderjarige gestuurd waarin de afspraken werden toegelicht en het belang van het contact met de vader werd benadrukt. De ouders werden geadviseerd om met het wijkteam te overleggen over verdere contactmogelijkheden, bijvoorbeeld tijdens vakanties.

Uitkomst: De zorgregeling wordt gewijzigd zodat de minderjarige om het weekend bij de vader verblijft met afspraken over brengen en halen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/610830 / FO RK 26-570
Informele rechtsingang
Beschikking van 19 juni 2026
op aanvraag van
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
Als belanghebbenden worden aangemerkt:
[de moeder],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
en
[de vader],
wonende in [woonplaats]
hierna te noemen: de vader.

1.De procedure

1.1
De rechtbank heeft op 30 april 2026 de e-mail ontvangen die [minderjarige] heeft gestuurd.
1.2
Op 8 mei 2026 heeft [minderjarige] in een gesprek met de kinderrechter van deze rechtbank gesproken over deze brief.
1.3
Bij brief van 15 mei 2026 heeft de rechtbank de ouders ingelicht over het gesprek met [minderjarige] en hen uitgenodigd voor een zitting om hun mening over de wensen van [minderjarige] aan de rechtbank kenbaar te maken. Ook de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de Raad) is voor de zitting uitgenodigd.
1.4
Op 19 juni 2026 heeft de rechtbank de zaak met gesloten deuren mondeling behandeld. Daarbij waren aanwezig:
  • De moeder;
  • De vader;
  • De Raad, vertegenwoordigd door [A] .
1.5
De rechtbank heeft tijdens de zitting van 19 juni 2026 mondeling uitspraak gedaan. Deze beschikking is een uitwerking van die beslissing.

2.Waar de procedure over gaat

2.1
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.
2.2
De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.
2.3
Bij beschikking van 5 oktober 2023 heeft de rechtbank bepaald dat [minderjarige] in de ene week bij haar moeder en in de andere week bij de vader is. De ouders hebben afgesproken dat [minderjarige] met ingang van 23 maart 2026 per vier weken eerst drie weken bij de moeder verblijft en daarna één week bij de vader.
2.4
[minderjarige] heeft in het kader van de informele rechtsingang aangegeven dat zij al een aantal weken niet meer bij de vader is geweest. Zij wil graag minder vaak dan volgens de huidige zorgregeling bij de vader zijn. Daarom wil zij dat de zorgregeling wordt gewijzigd.

3.De beoordeling

Zorgregeling
3.1
De rechter kan, als haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing nemen over de zorgregeling. [1]
3.2
De rechtbank heeft tijdens de zitting met de ouders en de Raad gesproken over het loyaliteitsconflict waar [minderjarige] in zit en het belang van contactherstel met de vader. De ouders hebben vervolgens afspraken gemaakt over de (opbouw van) de zorgregeling. Zij hebben afgesproken dat:
  • [minderjarige] op zondag 28 juni tot 20.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
  • [minderjarige] op zaterdag 11 juli vanaf het einde van de middag tot zondag 20.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
  • [minderjarige] vervolgens om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
  • wanneer één van de ouders op vakantie is in het weekend dat [minderjarige] bij de vader zou verblijven, vervalt het verblijf van [minderjarige] bij de vader dat weekend. De ouders informeren elkaar hierover per e-mail.
De rechtbank geeft de ouders mee dat het belangrijk is voor [minderjarige] dat de ouders uitdragen dat zij samen tot deze zorgregeling zijn gekomen en dat zij willen dat deze wordt nagekomen.
3.3
Tijdens de zitting heeft de Raad de ouders geadviseerd om met behulp van het wijkteam te bespreken wat er verder mogelijk is in het contact tussen [minderjarige] en de vader, bijvoorbeeld een wat langer verblijf van [minderjarige] tijdens de vakantieperiodes. De rechtbank onderschrijft dit advies van de Raad.
Brief aan [minderjarige]3.4 Tegelijk met de beschikking stuurt de rechtbank een brief aan [minderjarige] . Daarin is het volgende opgenomen:
‘’Een tijdje geleden heb jij met de kinderrechter gesproken omdat je een e-mail aan de rechtbank had gestuurd. Jij hebt de kinderrechter toen verteld dat je al een paar weken niet meer bij je vader bent geweest en dat je niet meer volgens de huidige regeling naar je vader toe wil gaan. Je wilde minder vaak en minder lang bij je vader zijn.
Na het gesprek met de kinderrechter heeft de kinderrechter op 19 juni op de rechtbank met jouw ouders gesproken. Daar was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig om advies te geven. Met jouw ouders is besproken dat het goed is voor jou om weer naar je vader toe te gaan. Daar waren zij het mee eens. Zij hebben daarom samen op de rechtbank afgesproken dat er wordt toegewerkt naar een zorgregeling waarbij jij om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij je vader bent. Dat is iets anders dan jij wilde, maar samen met jouw ouders vind ik het in jouw belang dat jij regelmatig bij je vader bent.
Als het goed is ben je al drie keer in het weekend bij je vader geweest. Ik hoop dat je het naar je zin hebt gehad! Ik wens jou verder een fijne zomer!’’
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt hier de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1
bepaalt ambtshalve dat de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] wordt gewijzigd in die zin dat:
  • [minderjarige] op zondag 28 juni tot 20.30 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
  • [minderjarige] op zaterdag 11 juli vanaf het einde van de middag tot zondag 20.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
  • [minderjarige] vervolgens om de week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 20.00 uur bij de vader verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader brengt en de vader [minderjarige] terugbrengt naar de moeder;
  • wanneer één van de ouders op vakantie is in het weekend dat [minderjarige] bij de vader zou verblijven, vervalt het verblijf van [minderjarige] bij de vader dat weekend. De ouders informeren elkaar hierover per e-mail.
4.2
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2026 door mr. V.M.M. van Amstel, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. R. Jelicic als griffier, en op schrift gesteld op 29 juli 2026. Vanwege verhindering van mr. V.M.M. van Amstel is deze beslissing ondertekend door mr. D.S. Terporten-Hop.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:377g en 1:253a van het Burgerlijk Wetboek.