Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:491

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
11945903 \ MC EXPL 25-5956
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:755 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betwisting over prijs en meer- en minderwerk bij aannemingsovereenkomst tuinaanleg

Eiser gaf opdracht tot tuinaanleg en vorderde betaling van een restantbedrag van €2.000,00, stellende dat de afgesproken prijs €20.000 bedroeg. Gedaagde betwistte dit en stelde dat de prijs €18.979 was, met een correctie wegens minderwerk van €1.120,00, resulterend in een resterend bedrag van €17.859,00 dat zij volledig had betaald.

De kantonrechter oordeelde dat eiser onvoldoende had onderbouwd dat de prijs €20.000 bedroeg en volgde gedaagde in haar stelling over de prijs en het minderwerk. Eiser had ook geen voldoende bewijs geleverd voor meerwerk en had niet aangetoond dat gedaagde hiermee had ingestemd of op de hoogte was gesteld van een prijsverhoging.

Daarom werd de vordering van eiser afgewezen, inclusief rente en incassokosten. Eiser werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €50,00. Het vonnis werd uitgesproken op 4 februari 2026 door de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland.

Uitkomst: Vordering van eiser tot betaling van restantbedrag afgewezen wegens onvoldoende bewijs van hogere prijs en meerwerk.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11945903 \ MC EXPL 25-5956
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiser] , H.O.D.N. [handelsnaam],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 21 oktober 2025 met producties A tot en met D;
- het uittreksel uit het audiëntieblad van de mondelinge conclusie van antwoord;
- de schriftelijke conclusie van antwoord met producties;
- de conclusie van repliek met producties I tot en met III;
- de conclusie van dupliek met producties.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat er een vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] heeft [eiser] opdracht gegeven om haar tuin aan te leggen. [eiser] stelt dat [gedaagde] de afgesproken prijs nog niet volledig heeft betaald en vordert in deze zaak betaling van het restant. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Zij stelt dat er een lagere prijs is afgesproken en dat er sprake is van minderwerk. Het restantbedrag heeft zij betaald. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens en wijst de vorderingen van [eiser] af.

3.De beoordeling

Er is geen tegenvordering ingesteld
3.1.
Onderaan de schriftelijke conclusie van antwoord heeft [gedaagde] verzocht te bepalen dat [eiser] aansprakelijk is voor herstelkosten. Tijdens de rolzitting heeft [gedaagde] verklaard geen tegeneis te willen instellen en dat het haar alleen gaat om de kosten voor het meerwerk. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [gedaagde] geen eis in reconventie (tegenvordering) instelt.
Partijen hebben een prijs van € 18.979,00 afgesproken
3.2.
Partijen hebben afgesproken dat [eiser] de tuin van [gedaagde] aanlegt tegen betaling door [gedaagde] van een prijs in geld. Dit is een aannemingsovereenkomst.
3.3.
Partijen verschillen van mening over de prijs (de aanneemsom) die zij in eerste instantie hebben afgesproken. De bewijslast van de afgesproken prijs rust op [eiser] , omdat hij betaling van het restant vordert.
3.4.
[eiser] stelt dat een prijs van € 20.000,00 is afgesproken.
3.5.
[gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist en stelt dat er prijs van € 18.979,00 is afgesproken. Zij heeft dit onderbouwd door te verwijzen naar een Excelsheet waarin de uit te voeren werkzaamheden met bijbehorende prijzen zijn opgenomen (productie 1 bij de conclusie van antwoord). Daarin staat een totaalbedrag van € 19.960,00. [gedaagde] heeft hierbij geschreven dat de post voor de tegels lager uitviel, omdat een andere soort tegel is gekozen (betontegels in plaats van keramische tegels). Hierdoor kwam de prijs volgens [gedaagde] uit op € 18.979,00.
3.6.
Ondanks deze gemotiveerde betwisting van [gedaagde] heeft [eiser] in de conclusie van repliek volstaan met een herhaling van zijn stelling dat een prijs van
€ 20.000,00 is afgesproken, zonder daar een goede onderbouwing voor te geven. Volgens [eiser] volgt deze afspraak uit de WhatsAppberichten tussen partijen, maar de kantonrechter volgt hem daarin niet. Deze berichten bevestigen juist het standpunt van [gedaagde] . Te lezen valt dat [gedaagde] een screenshot van twee soorten tegels naar [eiser] stuurt (Nova Titan en Nova Steel). [eiser] reageert daarop: “
Ja als je voor zoiets gaat zit je op € 18.979 all-in”.Waarop [gedaagde] reageert: “
Oke met tegels? 19000”, en even later: “
Oke dan een van deze lets go voor 19000 dat zou super zijn”. Een minuut later reageert [eiser] met een lachende smiley. Dit strookt ook met de factuur van [eiser] , waarin voor de post ‘leveren plaatsen materiaal’ een bedrag van € 19.000,00 is opgenomen.
3.7.
Gelet op het voorgaande kan er niet vanuit worden gegaan dat er een prijs van € 20.000,00 is afgesproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat er een prijs van
€ 18.979,00 is afgesproken, welk bedrag door [gedaagde] wel is erkend.
Er is sprake van minderwerk van € 1.120,00
3.8.
[gedaagde] stelt dat tijdens de uitvoering van de werkzaamheden bleek dat het voegwerk niet hoefde te worden uitgevoerd (minderwerk). De kantonrechter begrijpt dat betontegels – in tegenstelling tot keramische tegels – niet gevoegd hoeven te worden. Volgens [gedaagde] is met [eiser] afgesproken dat hierdoor een bedrag van € 1.120,00 op de prijs van € 18.979,00 in mindering zou worden gebracht, zodat er een prijs van
€ 17.859,00 overblijft. Het bedrag van € 1.120,00 staat gelijk aan de kostenposten ‘voegmiddel’ en ‘voegen’ in de hiervoor genoemde Excelsheet. De bewijslast van de stelling dat er sprake is van minderwerk rust op [gedaagde] , omdat zij zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan.
3.9.
[eiser] brengt hier tegenin dat het voegwerk alleen bij de oorspronkelijke keramiektegels aan de orde was, en niet bij de betontegels die uiteindelijk geplaatst zijn. Omdat het voegwerk dus geen onderdeel meer uitmaakte van het werk, hoeft er volgens [eiser] ook geen correctie op de prijs te worden aangebracht.
3.10.
Het verschil van inzicht tussen partijen zit in de kern in de vraag of de berekening van de prijs, zoals opgenomen in de Excelsheet, ook nog gold na de wijziging van keramische tegels naar betontegels. [gedaagde] vindt van wel, zodat de posten voor het voegwerk nog op de prijs in mindering moeten worden gebracht. [eiser] vindt – zo begrijpt de kantonrechter – van niet, omdat er bij betontegels geen voegwerk wordt toegepast en daar bij de afgesproken prijs van € 18.979,00 al rekening mee is gehouden.
3.11.
De kantonrechter is van oordeel dat het – in het kader van zijn betwisting van de stelling dat er sprake is van minderwerk – op de weg van [eiser] had gelegen om nader te onderbouwen hoe de prijs van € 18.979,00 is opgebouwd, en dat daarin – in afwijking van de prijsopbouw in de Excelsheet – geen kosten voor voegwerk zijn begrepen. Dit geldt te meer omdat dit zou betekenen dat de prijsvermindering in verband met het vervangen van de keramische tegels voor betontegels slechts € 1.021,00 zou bedragen (€ 20.000,00 –
€ 18.979,00), terwijl de kosten voor alleen het niet uitgevoerde voegwerk al € 1.120,00 bedragen en het een feit van algemene bekendheid is dat betontegels goedkoper zijn dan keramische tegels. [eiser] heeft echter niet uitgelegd hoe de nieuwe prijs is opgebouwd. Omdat [eiser] de stelling van [gedaagde] dat er sprake is van minderwerk van € 1.120,00 niet voldoende gemotiveerd heeft betwist, neemt de kantonrechter deze stelling als vaststaand aan. Dit betekent dat er een prijs van € 17.859,00 resteert.
Er is geen sprake van meerwerk
3.12.
[eiser] stelt dat er sprake is van meerwerk. Ten eerste heeft hij 60 meter (tegels) gezaagd, terwijl in de prijs maar 10 meter zaagwerk was inbegrepen. Ten tweede heeft hij groen en stenen afgevoerd, wat niet bij de prijs was inbegrepen.
3.13.
De kantonrechter merkt ten eerste op dat [eiser] als hoofdsom een bedrag van
€ 2.000,00 vordert. Dit bedrag baseert hij op de aanneemsom die volgens hem € 20.000,00 bedraagt, waarvan volgens hem € 2.000,00 nog niet is betaald. De vordering van € 2.000,00 is dus gebaseerd op de betaling van de afgesproken aanneemsom, en niet op meerwerk. In zoverre kan de kantonrechter [eiser] niet in zijn standpunt volgen.
3.14.
Voor zover [eiser] (subsidiair) heeft bedoeld dat in het geval vast komt te staan dat de afgesproken aanneemsom lager is dan € 20.000,00, hij de vordering tot betaling van
€ 2.000,00 op meerwerk baseert, dan overweegt de kantonrechter als volgt. Uit artikel 7:755 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat als een opdrachtgever toevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk wenst, de aannemer alleen een verhoging van de prijs kan vorderen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging, tenzij de opdrachtgever die noodzaak uit zichzelf had moeten begrijpen.
3.15.
Als een aannemer aanspraak maakt op een verhoging van de prijs in verband met meerwerk, dan moet hij ten eerste stellen en zo nodig bewijzen dat er sprake is van meerwerk (en voor welk bedrag) en dat de opdrachtgever dit heeft opgedragen. [eiser] heeft dit niet voldoende gedaan. Hij heeft weliswaar gesteld dat hij meer heeft gezaagd en groen en stenen heeft afgevoerd, maar niet dat [gedaagde] dit heeft opgedragen en ook niet hoe het bedrag van dit meerwerk precies is opgebouwd, ondanks het verzoek van [gedaagde] om een specificatie van de afvoerkosten. Verder moet [eiser] stellen en zo nodig bewijzen dat hij [gedaagde] heeft gewezen op de noodzaak van een prijsverhoging door het meerwerk, of dat [gedaagde] dit zelf had moeten begrijpen. [eiser] heeft ook dit niet gedaan. Omdat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, is de vordering niet toewijsbaar op grond van artikel 7:755 BW Pro.
De vorderingen worden afgewezen
3.16.
De conclusie is dat de betalingsverplichting van [gedaagde] € 17.859,00 bedraagt. [gedaagde] stelt dat zij dit bedrag volledig aan [eiser] heeft betaald. [eiser] heeft dit niet betwist. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen. Daarom worden ook de gevorderde rente en buitengerechtelijke incassokosten afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.17.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op € 50,00 aan verletkosten in verband met het bijwonen van de rolzitting.
3.18.
De nakosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen af;
4.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
45353