ECLI:NL:RBMNE:2026:4943

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
16/022185-25
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 45 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot zware mishandeling van slapend slachtoffer

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 31 juli 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die samen met twee medeverdachten een slapend slachtoffer bij een nachtopvang heeft aangevallen. De verdachte sloeg en schopte het slachtoffer meerdere malen met een stok en een onbekend voorwerp, waarna zij het slachtoffer hevig bloedend achterlieten.

De officier van justitie beschuldigde de verdachte primair van poging tot moord, subsidiair van zware mishandeling en meer subsidiair van poging tot zware mishandeling. De rechtbank sprak de verdachte vrij van poging tot moord en zware mishandeling, maar verklaarde de poging tot zware mishandeling bewezen. De verdachte bekende dit feit en vroeg geen vrijspraak daarvan.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer en het feit dat het slachtoffer weerloos was. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder zijn motivatie en vooruitgang in begeleiding, werden meegewogen, maar boden geen aanleiding tot een lichtere straf. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 10 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en contactverboden.

De bijzondere voorwaarden omvatten onder meer meldplicht bij de reclassering, verblijf in een instelling voor beschermd wonen, controle op middelengebruik, inspanning voor werk of dagbesteding en een contactverbod met het slachtoffer en medeverdachten. De strafdoelen van vergelding, algemene en speciale preventie stonden centraal in de motivering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor medeplegen van poging tot zware mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/022185-25
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 31 juli 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1987] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven en verblijvende op het adres [adres 1] , [postcode] in [plaats 1] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 17 juli 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M.J. van Aalderen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. L.M. de Zeeuw (waarnemend voor mr. S.C. Sassen) (hierna: de advocaat);

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
primair: op 17 juli 2024 in Utrecht samen met anderen heeft geprobeerd [slachtoffer]
opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade van het leven te beroven, door hem meerdere keren met een stok en/of metalen voorwerp op het hoofd en/of lichaam te slaan en meerdere keren tegen het hoofd en/of lichaam te slaan en schoppen;
subsidiair:ten laste gelegd als zware mishandeling;
meer subsidiair:ten laste gelegd als poging tot zware mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire feit (poging tot zware mishandeling) heeft gepleegd.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primaire feit (poging tot moord/doodslag) en het subsidiaire feit (zware mishandeling).
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van het primaire feit (poging tot moord/doodslag) en het subsidiaire feit (zware mishandeling).
De advocaat voert geen verweer over het bewijs ten aanzien van het meer subsidiaire feit (poging tot zware mishandeling).
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat het primaire feit (poging tot moord/doodslag) en het subsidiaire feit (zware mishandeling) niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit niet verder zal motiveren.
3.3.2.
Bewijsmiddelen
De rechtbank oordeelt dat het meer subsidiaire feit (poging tot zware mishandeling) feit is bewezen. De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
  • de verklaring van de verdachte op de zitting van 17 juli 2026;
  • het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende de beschrijving van de camerabeelden; [1]
-
de medische informatie over het slachtoffer, opgesteld door de spoedeisendehulparts. [2]
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
meer subsidiair
op 17 juli 2024 te [plaats 1] tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermalen met een stok en/of een voorwerp heeft geslagen op het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] en
- meermalen heeft geslagen en/of geschopt tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit:
medeplegen van een poging tot zware mishandeling.
4.2.
Strafbaarheid feit en de verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan een gedeelte van 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte probeert zijn leven op orde te krijgen. Hij heeft inmiddels een woning en dagbesteding. De persoonlijk begeleiding van de [organisatie 1] is positief over de verdachte en geeft aan dat hij vooruitgang boekt. Daarnaast is de verdachte nog niet eerder in aanraking geweest met politie en justitie. De advocaat verzoekt aan de verdachte een taakstraf van 120 uur op te leggen, waarvan een deel voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. Mocht de rechtbank dit onvoldoende vinden, verzoekt de advocaat subsidiair om naast de taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is niet wenselijk, omdat dit de ontwikkeling van de verdachte zal belemmeren, hij zijn kamer zal kwijtraken en mogelijk weer dakloos zal worden.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. De verdachte en de medeverdachten hebben het slachtoffer omsingeld, terwijl hij in een hoekje lag te slapen. De verdachte droeg gezichtsbedekkende kleding en een van de medeverdachten had een capuchon op. Zij hadden een stok en een onbekend gebleven voorwerp mee als wapens. Op de beelden is te zien dat de verdachte en een van de medeverdachten direct nadat zij aan komen lopen grof geweld uitoefenen op het slapende slachtoffer. De verdachte en een van de medeverdachten halen met kracht uit met de stok en het voorwerp richting het hoofd en het lichaam van het slachtoffer. Op de beelden is te zien dat de verdachte het slachtoffer ongeveer acht keer slaat en/of schopt. Na deze geweldsexplosie lopen de drie verdachten weg en laten het slachtoffer, hevig bloedend, in hulpeloze toestand achter. De verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Bij de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar het strafblad van de verdachte van 8 april 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Zijn strafblad is daarom geen reden voor een zwaardere straf, maar ook niet voor een lichtere straf.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van het [organisatie 2] van 17 maart 2025. Uit dit advies volgt dat de verdachte op diverse leefgebieden problemen heeft. De verdachte lijkt wel open te staan voor hulpverlening. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden.
Uit de brief van zijn persoonlijk begeleider binnen het [organisatie 2] – [organisatie 1] van 8 juli 2026, volgt dat de verdachte wordt begeleid op verschillende leefgebieden, zoals huisvesting, psychische gezondheid en dagbesteding. De verdachte boekt daarin vooruitgang en is gemotiveerd. Er zijn nog aandachtspunten, vooral op het gebied van activering en psychische gesteldheid. Een detentie zou de ontwikkeling van de verdachte verstoren.
Op de zitting heeft de verdachte naar voren gebracht dat het nu beter met hem gaat. Hij heeft een woonplek en dagbesteding. Hij is bereid om mee te werken aan bijzondere voorwaarden.
Strafkader
Gelet op de aard en de ernst van het feit, kan naar het oordeel van de rechtbank met geen andere straf worden volstaan dan een gevangenisstraf. In strafverzwarende zin weegt de rechtbank de intensiteit van het geweld en de kwetsbaarheid van het slachtoffer mee. Het is geenszins aan de verdachte te danken dat er geen zwaar lichamelijk letsel is ingetreden. De rechtbank weegt ook mee dat de verdachte, hoewel hij op de zitting heeft verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling en dat hij daarvan spijt heeft, geen openheid heeft gegeven over het planmatige karakter van zijn handelen. De rechtbank houdt in strafverminderende zin rekening met het tijdsverloop.
Het is positief dat de verdachte gemotiveerd is en vooruitgang boekt op verschillende leefgebieden. De aard en de ernst van het feit, te weten een geweldsexplosie van drie verdachten tegen een weerloze, slapende man, bieden echter geen ruimte om naast de strafdoelen van vergelding en algemene preventie de persoonlijke omstandigheden en de belangen van de verdachte in strafverminderende zin mee te wegen. De persoonlijke omstandigheden van de verdachte geven de rechtbank dan ook geen aanleiding tot een lichtere straf of andere strafmodaliteit. De rechtbank heeft bij het bepalen van de op te leggen straf de strafdoelen van vergelding en algemene preventie op de voorgrond laten staan, ook om te benadrukken dat het handelen van de verdachte absoluut onaanvaardbaar is en ter bescherming van de maatschappij. De rechtbank volgt het standpunt van de verdediging over de strafmaat daarom niet.
Met het oog op het strafdoel speciale preventie vindt de rechtbank het belangrijk dat de verdachte, nadat hij in de gevangenis heeft gezeten, de benodigde hulp, behandeling en begeleiding krijgt. Daarom legt de rechtbank een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk op en aan het voorwaardelijk strafdeel worden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf op van 10 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en met de bijzondere voorwaarden zoals hierna omschreven in de beslissing.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

7.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart het primaire feit en het subsidiaire feit niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
  • verklaart bewezen dat de verdachte het meer subsidiaire feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
  • verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
  • veroordeelt de verdachte tot een
  • bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van
  • stelt daarbij een
- als
algemene voorwaardengelden dat de verdachte:
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de Identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- als
bijzondere voorwaardengelden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- zich binnen drie werkdagen bij de reclassering van het [organisatie 2] , [adres 2] in [plaats 2] . De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
- verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zo veel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;
- meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en cannabis om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
- zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of
vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met het slachtoffer [slachtoffer] , geboren op [1971] . De politie ziet toe op dit contactverbod;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de medeverdachten, te weten [medeverdachte 1] , geboren op [1984] en [medeverdachte 2] , geboren op [1996] . De politie ziet toe op dit contactverbod;
- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van de contactverboden, en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.P.J. Janssens, voorzitter, mr. K. de Meulder en mr. S.D. Groen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Benschop als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 31 juli 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven
- meermalen, althans eenmaal met een stok en/of een metalen voorwerp heeft geslagen op het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- meermalen, althans eenmaal heeft geslagen en/of geschopt tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of hoofdletsel en/of blijvende littekens aan het hoofd, heeft toegebracht, door
- meermalen, althans eenmaal met een stok en/of een metalen voorwerp op het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of
- meermalen, althans eenmaal te slaan en/of schoppen tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] ;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 17 juli 2024 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
- meermalen, althans eenmaal met een stok en/of een metalen voorwerp heeft geslagen op het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] en/of
- meermalen, althans eenmaal heeft geslagen en/of geschopt tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voetnoten

1.Pagina’s 34-59 uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer [.] , doorgenummerd pagina 1 tot en met 182. Dit zijn pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2.Pagina 3 van het aanvullend proces-verbaal Medische verklaring [slachtoffer] , registratienummer [.] , pagina 1 tot en met 3. Geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.