ECLI:NL:RBMNE:2026:495

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
11826462 \ UC EXPL 25-6423
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27.4 notariële akte Splitsing in appartementsrechtenArt. 6:127 BWArt. 6:119 BWArt. 6:81 BWArt. 6:82 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling helft kosten scheidingswand tussen ex-partners na plaatsing muur in gezamenlijke kinderkamer

Partijen zijn ex-partners die naast elkaar woonden en een gezamenlijke kinderkamer hadden zonder scheidingswand. Toen eiseres de woning wilde verkopen, liet zij een muur plaatsen door een aannemer. Gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de helft van de kosten van de scheidingswand, omdat in de splitsingsakte was afgesproken dat beide partijen de kosten gelijk dragen.

Gedaagde stelde dat de werkzaamheden niet goed waren uitgevoerd en dat hij kosten moest maken voor herstel, die hij wilde verrekenen met zijn betalingsverplichting. Dit beroep op verrekening werd afgewezen omdat onvoldoende was onderbouwd dat herstel nodig was en geen vordering op eiseres bestond.

Ook hoefde gedaagde niet mee te betalen aan het brandveiligheidsonderzoek, omdat eiseres dit zelfstandig had laten uitvoeren en er geen afspraak was dat de kosten gedeeld zouden worden. De kantonrechter wees voorts de vordering van eiseres af om het vonnis in de plaats te laten treden van toestemming van gedaagde, en veroordeelde gedaagde tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Gedaagde moet de helft van de kosten van de scheidingswand betalen en niet meebetalen aan herstel- en brandveiligheidsonderzoekkosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11826462 \ UC EXPL 25-6423
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de rapportage over de brandveiligheid met twee bijlagen
- de mondelinge behandeling van 7 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling liet [eiseres] weten dat zij de hiervoor genoemde rapportage over de brandveiligheid digitaal had ingediend, maar de kantonrechter had daarvan toen nog geen kennisgenomen. Met partijen is afgesproken dat [eiseres] het stuk nog een keer zou mailen naar de kantonrechter. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat [gedaagde] bekend was met dit rapport en hij heeft tijdens de mondelinge behandeling inhoudelijk op de rapportage gereageerd.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat [eiseres] de hiervoor genoemde rapportage over de brandveiligheid digitaal had ingediend op 28 december 2025 maar dat deze abusievelijk nog niet onder de aandacht was gebracht van de kantonrechter. Het stuk is alsnog gelezen en maakt onderdeel uit van het procesdossier.
1.4.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag uitspraak wordt gedaan.
1.5.
De kantonrechter hoeft geen beslissing meer te nemen over de vordering van [gedaagde] over de contractuele boete, omdat [gedaagde] die vordering heeft ingetrokken.

2.De kern van het geschil

2.1.
Partijen zijn ex-partners. Zij hebben naast elkaar gewoond. Bij de bouw van de woningen is één kamer voor hun dochter gerealiseerd die deels in de woning van [eiseres] is gelegen en deels in de woning van [gedaagde] . Door in die kamer geen scheidingwand te plaatsen, had [A (voornaam)] via haar eigen kamer toegang tot beide woningen. Toen [eiseres] de woning wilde verkopen, heeft [onderneming 1] B.V. (hierna: [onderneming 1] ) de doorgang dichtgemaakt. [eiseres] wil dat [gedaagde] de helft van de factuur van [onderneming 1] betaalt. De kantonrechter zal haar daarin gelijk geven, maar [gedaagde] hoeft niet mee te betalen aan het onderzoek naar de brandveiligheid van de scheidingswand. [gedaagde] stelt dat de werkzaamheden niet goed zijn uitgevoerd en dat hij kosten moet maken om dat te laten herstellen. [gedaagde] wil die herstelkosten verrekenen en stelt dat er daarna nog een bedrag overblijft dat [eiseres] aan hem moet betalen. Die vorderingen zullen worden afgewezen. [eiseres] hoeft ook niet te betalen voor de herinrichting van de kamer van [A (voornaam)] .

3.De beoordeling

in conventie (de vorderingen van [eiseres] )
[gedaagde] moet de helft van de kosten van de scheidingswand betalen (€ 7.483,00)
3.1.
De kantonrechter zal beslissen dat [gedaagde] € 7.483,00 aan [eiseres] moet betalen voor de kosten van het plaatsen van de scheidingswand, omdat:
  • in de splitsingsakte is afgesproken dat ieder de helft van de kosten van de scheidingswand moet betalen
  • er geen andere afspraken zijn gemaakt
  • de kosten in totaal € 14.966,00 zijn.
3.2.
De kantonrechter zal deze drie argumenten hierna toelichten.
In de splitsingsakte staat dat ieder de helft van de kosten voor de scheidingswand moet betalen
3.3.
In de splitsingsakte hebben partijen afgesproken dat als één van hen de woning verkoopt, de ander onvoorwaardelijk en direct medewerking moet verlenen aan het (terug)plaatsen of herstellen van de scheidingswand en dat zij ieder de helft dragen van de kosten daarvan. [1]
[eiseres] en [gedaagde] hebben geen andere afspraken gemaakt over de scheidingswand
3.4.
[gedaagde] vindt dat hij niet hoeft mee te betalen aan de kosten van de scheidingswand omdat:
  • hij geen opdracht heeft gegeven aan [onderneming 1] voor de werkzaamheden
  • hij geen invloed heeft gehad op de prijs of uitvoering van de werkzaamheden
  • hij de offerte van [onderneming 1] niet vooraf heeft gezien
  • [onderneming 1] de werkzaamheden niet volledig heeft uitgevoerd volgens de offerte die [gedaagde] op een eerder moment van bouwbedrijf [onderneming 2] b.v. (hierna: [onderneming 2] ) heeft ontvangen.
3.5.
Dit verweer slaagt niet. [gedaagde] moet de helft van de kosten van de werkzaamheden betalen. [eiseres] mocht [onderneming 1] namelijk zelfstandig, dus zonder [gedaagde] , opdracht geven voor de werkzaamheden. [onderneming 1] mocht deze werkzaamheden ook naar eigen inzicht uitvoeren. In de splitsingsakte staat namelijk dat partijen onvoorwaardelijk hun medewerking moesten verlenen aan het plaatsen van de scheidingswand en [gedaagde] en [eiseres] hebben daarna geen nieuwe afspraken gemaakt, op grond waarvan [gedaagde] alleen de helft van de kosten van de scheidingswand zou hoeven te betalen als aan bepaalde voorwaarden werd voldaan. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] ook erkend dat er, naast de afspraken in de splitsingsakte, geen aanvullende of andere afspraken zijn gemaakt over de werkzaamheden of de kosten. Daarom moet hij de helft van de kosten betalen.
3.6.
Overigens blijkt uit het dossier ook niet dat [eiseres] de hiervoor genoemde ‘voorwaarden’ heeft geschonden, integendeel. [gedaagde] heeft er zelf voor gekozen om geen opdrachtgever te zijn. [gedaagde] heeft [eiseres] namelijk op 6 oktober 2024 per mail laten weten dat hij geen opdrachtgever wilde zijn. [gedaagde] is niet uitgebreider betrokken bij de uitvoering van de werkzaamheden, omdat hij niet in gesprek wilde met de aannemer. [gedaagde] is uitgenodigd voor het gesprek met de aannemer over de opdracht en uit te voeren werkzaamheden. De uitnodiging heeft [gedaagde] in zijn mail van 8 oktober 2024 afgeslagen met de mededeling dat hij geen directe betrokkenheid wenste.
3.7.
[gedaagde] is ook vooraf geïnformeerd over de kosten van de werkzaamheden. [eiseres] heeft [gedaagde] namelijk op 13 oktober 2024 gemaild dat [onderneming 1] de werkzaamheden zou gaan uitvoeren aan de hand van de offerte van [onderneming 2] , dat het bedrag van de offerte van [onderneming 2] daarbij leidend zou zijn en toegelicht dat het bedrag nog iets zou kunnen veranderen door meer- en minderwerk.
3.8.
[gedaagde] heeft [eiseres] laten weten dat hij er mee kon instemmen dat de werkzaamheden niet zouden worden uitgevoerd volgens de offerte van [onderneming 2] . [gedaagde] schrijft in zijn mail van 8 oktober 2024 namelijk dat voor hem voorop staat dat het werk kwalitatief goed wordt uitgevoerd tegen een goede prijs-kwaliteit verhouding en met minimale overlast. De offertes van [onderneming 2] en [onderneming 3] voldoen daaraan, maar als een andere aannemer dit kan waarmaken, is dat volgens hem ook prima is.
De kosten voor het plaatsen van de scheidingswand zijn € 14.966,00
3.9.
[onderneming 1] heeft voor het plaatsen van de scheidingswand een bedrag van € 14.966,00 in rekening gebracht. De factuur van [onderneming 1] is volledig betaald door [eiseres] . Daarom moet [gedaagde] de helft van die kosten aan [eiseres] betalen. De vordering van € 7.7483,00 wordt dus toegewezen.
Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt niet
3.10.
[gedaagde] stelt dat hij de vordering van [eiseres] op hem niet hoeft te betalen, omdat hij een vordering heeft op [eiseres] die hij daarmee mag verrekenen. Het gaat om de vordering van [gedaagde] vanwege de kosten die hij moet maken om de scheidingswand te herstellen. Het beroep op verrekening slaagt niet, omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] een vordering heeft op [eiseres] , en dat is wel nodig voor verrekening. [2]
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat herstelwerkzaamheden nodig zijn
3.11.
[gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd dat het nodig is om herstelwerkzaamheden uit te voeren aan de scheidingswand.
3.12.
[gedaagde] maakt zich zorgen over de brandveiligheid van de scheidingswand. Hij vreest dat de brandwerendheid van de scheidingswand onvoldoende is, omdat [onderneming 1] is afgeweken van de offerte van [onderneming 2] . In de offerte van [onderneming 2] stond dat zij als brandwerende voorziening brandwerende vlamschermen van ca. 1 meter zouden aanbrengen aan beide zijden van de wand en het plafond. [gedaagde] heeft toegelicht dat ook het dakbeschot met vlamschermen zou worden bekleed. [onderneming 1] heeft inderdaad andere brandwerende voorzieningen aangebracht dan [onderneming 2] van plan was. Zij hebben de hele muur vanaf de betonnen vloer tot aan het dakbeschot met Promatect vlamschermen bedekt en de plafonds bedekt met dubbelgips.
3.13.
Dat [onderneming 1] de werkzaamheden niet heeft uitgevoerd volgens de offerte van [onderneming 2] , betekent niet dat herstelwerkzaamheden nodig zijn. Hiervoor is namelijk al geoordeeld dat partijen niet zijn overeengekomen dat de werkzaamheden exact moesten worden uitgevoerd volgens de offerte van [onderneming 2] .
3.14.
[gedaagde] heeft ook niet onderbouwd dat de brandwerendheid van de huidige scheidingswand onvoldoende is en herstelwerkzaamheden daarom nodig zijn. [eiseres] heeft betwist dat herstelwerkzaamheden nodig zijn. Zij stelt dat de brandveiligheid van de scheidingswand in orde is. Dit wordt ook bevestigd in het onderzoeksverslag van [onderneming 4] van 22 april 2025. Daarom had [gedaagde] moeten onderbouwen dat de werkzaamheden nodig zijn, bijvoorbeeld met een onderzoeksverslag van een andere deskundige of een bevestiging van Veiligheidsregio Utrecht dat de huidige scheidingswand niet voldoet.
[eiseres] hoeft niet te betalen voor het herstel, dus er is geen vordering om te verrekenen
3.15.
Omdat niet komt vast te staan dat herstelwerkzaamheden aan de scheidingswand nodig zijn waaraan [eiseres] moet meebetalen, komt ook niet vast te staan dat [gedaagde] een vordering heeft die hij kan verrekenen. Daarom slaagt zijn beroep op verrekening niet.
[gedaagde] hoeft niet mee te betalen aan de kosten van het onderzoek naar de brandveiligheid (€ 1.120,00)
3.16.
[gedaagde] hoeft niet mee te betalen aan de kosten van het onderzoek naar de brandveiligheid van de scheidingswand, omdat [eiseres] zelfstandig, zonder [gedaagde] , opdracht heeft gegeven voor het onderzoek en niet is komen vast te staan dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] zou meebetalen aan het onderzoek naar de brandveiligheid.
[eiseres] was de opdrachtgever voor het onderzoek naar de brandveiligheid
3.17.
[eiseres] heeft zelfstandig, dus zonder overleg met [gedaagde] , opdracht gegeven aan de heer [B] van [onderneming 4] om te onderzoeken of de scheidingswand die [onderneming 1] heeft geplaatst voldoet aan de brandveiligheidseisen. De opdracht is vervolgens uitgevoerd en daarvoor moet een bedrag van € 1.120,00 worden betaald. Omdat [gedaagde] niet (mede)opdrachtgever was, is hij richting de opdrachtnemer niet (mede) aansprakelijk voor het betalen van de factuur.
Het is niet komen vast te staan dat [eiseres] en [gedaagde] hebben afgesproken dat de kosten van het onderzoek zouden worden gedeeld
3.18.
Het is niet komen vast te staan dat [eiseres] en [gedaagde] hebben afgesproken dat [gedaagde] de helft van de kosten van het onderzoek zou betalen.
3.19.
[eiseres] maakte zich geen zorgen over de brandveiligheid van de scheidingswand. De kantonrechter vindt het daarom aannemelijk dat [eiseres] het onderzoek heeft laten uitvoeren omdat zij hoopte dat als de zorgen van [gedaagde] over de brandveiligheid zouden worden weggenomen, hij alsnog zou meebetalen aan de kosten van de scheidingswand. Maar, dat betekent niet dat [gedaagde] het onderzoek ook moet betalen, zoals [eiseres] stelt.. Het is niet gebleken dat [gedaagde] heeft geëist dat dit brandveiligheidsonderzoek zou worden uitgevoerd en ook is niet komen vast te staan dat partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] zou meebetalen aan de kosten daarvan. Dit stelt [eiseres] wel, maar zij heeft dat niet nader onderbouwd. Onderbouwing was wel nodig, omdat [gedaagde] heeft betwist dat die afspraak is gemaakt. Hij heeft toegelicht dat als ze hadden afgesproken dat hij zou meebetalen aan de kosten van het onderzoek, hij logischerwijs ook inspraak zou hebben gehad in wie het onderzoek zou uitvoeren. Dat was nu niet het geval. Omdat [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling vertelde dat partijen alleen nog per mail met elkaar communiceren, had [eiseres] haar standpunt bijvoorbeeld kunnen onderbouwen door het mailbericht in te dienen met deze afspraak over de kosten.
De vordering dat het vonnis in de plaats treedt van medewerking van [gedaagde] wordt afgewezen
3.20.
De vordering van [eiseres] om te bepalen dat het vonnis van kantonrechter in de plaats treedt van de toestemming of wilsverklaring van [gedaagde] , wordt afgewezen. Het is de kantonrechter niet duidelijk geworden voor welke toestemming of wilsverklaring het vonnis in de plaats moet treden. Er is in elk geval geen toestemming of wilsverklaring van gedaagde nodig om de facturen voor de scheidingswand en het brandveiligheidsonderzoek te betalen. Deze facturen zijn namelijk al door [eiseres] betaald en met dit vonnis kan zij zo nodig al afdwingen dat [gedaagde] de toe te wijzen vordering aan haar voldoet.
[gedaagde] moet vanaf 8 december 2024 de wettelijke rente betalen over € 7.483,00
3.21.
[gedaagde] moet vanaf 8 december 2024 de wettelijke rente betalen over de hoofdsom van € 7.483,00, zoals [eiseres] heeft gevorderd. De wettelijke rente is een schadevergoeding voor de periode dat een schuldenaar te laat is met het betalen van een geldsom. [3] [eiseres] heeft [gedaagde] op 2 december 2024 in gebreke gesteld door hem een termijn gegeven tot
7 december 2024 om de helft van de kosten van de scheidingswand te betalen. Deze termijn was redelijk, omdat:
  • [eiseres] [gedaagde] daarvoor al meerdere keren per mail had gevraagd om te betalen
  • Het doen van een betaling niet veel tijd in beslag neemt
  • [gedaagde] niet afhankelijk was van de medewerking van anderen om het verschuldigde bedrag over te maken.
Daardoor is [gedaagde] sinds 8 december 2024 in verzuim [4] en moet hij vanaf die datum de wettelijke rente over de hoofdsom betalen. De rente is verschuldigd tot het moment dat hij volledig heeft betaald.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] in conventie betalen (€ 452,45)
3.22.
[gedaagde] wordt in conventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiseres] betalen. [gedaagde] moet de kosten voor de dagvaarding (€ 145,45) en het griffierecht (€ 257,00) betalen. [eiseres] heeft zich niet laten bijstaan door een gemachtigde en zij heeft niet gemotiveerd gesteld dat sprake is geweest van kosten waarvoor de wet een vergoeding toekent. Maar, [eiseres] was wel aanwezig bij de mondelinge behandeling. Het is aannemelijk dat [eiseres] hiervoor kosten heeft gemaakt. Deze kosten worden verletkosten genoemd en worden door de kantonrechter begroot op
€ 50,00. Nakosten zijn de proceskosten die na het vonnis worden gemaakt, maar de kantonrechter kent daarvoor in dit geval geen vast bedrag toe omdat [eiseres] zich niet heeft laten bijstaan door een gemachtigde.
De proceskosten van [eiseres] worden daarom begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
257,00
- de verletkosten
50,00
Totaal
452,45
De beslissingen in conventie moeten worden nagekomen, ook bij hoger beroep
3.23.
[eiseres] heeft in conventie gevorderd dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. Die vordering wordt toegewezen. Dat betekent dat de beslissingen in conventie moeten worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissingen gelden in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
in reconventie (de vorderingen van [gedaagde] )
[eiseres] hoeft niet te betalen voor de herstelkosten
3.24.
[gedaagde] stelt (in reconventie) dat [eiseres] nog € 1.500,00 aan hem moet betalen. Dat is het bedrag dat volgens [gedaagde] overblijft na verrekening van de herstelkosten (volgens [gedaagde] € 9.000,00) met wat [eiseres] van hem vordert (volgens [gedaagde]
€ 7.500,00). Na verrekening zou [eiseres] nog € 1.500,00 aan hem moet betalen.
3.25.
Deze vordering van [gedaagde] wordt afgewezen. Hierboven onder het kopje ‘Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt niet’ is uitgelegd dat de kantonrechter van oordeel is dat [gedaagde] geen vordering heeft op [eiseres] vanwege de herstelkosten.
[eiseres] hoeft niet te betalen voor de (her)inrichting van de slaapkamer van [A (voornaam)]
3.26.
De vordering van [gedaagde] om te bepalen dat [eiseres] moet meebetalen aan de kosten voor de herinrichting van de kamer van [A (voornaam)] , wordt afgewezen. [gedaagde] stelt dat zij hebben afgesproken dat [eiseres] hieraan moet meebetalen, maar dat betwist [eiseres] . Toen de huizen werden gebouwd, hadden partijen afgesproken dat [gedaagde] de bouw zou coördineren en zij de vloer en de gordijnen in de kamer van [A (voornaam)] zou betalen. Maar dat ook is afgesproken dat [eiseres] na het plaatsen van de scheidingswand zou meebetalen aan de kosten voor de herinrichting van de kamer van [A (voornaam)] , wordt door [eiseres] betwist en is niet gebleken. [gedaagde] heeft zijn stelling niet onderbouwd zodat niet is komen vast te staan dat [eiseres] , naast wat zij al heeft betaald en naast het maatbed dat zij kosteloos voor [A (voornaam)] heeft achtergelaten in de woning van [gedaagde] , ook nog herinrichtingskosten zou moeten betalen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eiseres] in reconventie betalen (€ 25,00)
3.27.
[gedaagde] wordt in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van [eiseres] betalen. Net als hierboven bij randnummer 3.22, begroot de kantonrechter de proceskosten van [eiseres] voor het bijwonen van de mondelinge behandeling op € 25,00. [eiseres] heeft niet gesteld en niet onderbouwd dat zij hogere kosten heeft gemaakt. De kantonrechter vindt het redelijk dat [eiseres] ook in reconventie een vergoeding krijgt voor de verletkosten, maar halveert het bedrag vanwege de samenhang tussen de vorderingen over en weer. De vorderingen hebben allemaal te maken met (de gevolgen van) het plaatsen van de scheidingswand tussen de woningen. [eiseres] heeft in reconventie geen andere proceskosten gemaakt Daarom is het totaal van de proceskosten in reconventie € 25,00.
In conventie en reconventie
Als [eiseres] kosten maakt voor betekening van het vonnis, moet [gedaagde] die kosten betalen
3.28.
De kantonrechter zal ook beslissen dat als [gedaagde] niet op tijd aan de veroordelingen in dit vonnis voldoet en het vonnis officieel wordt uitgereikt (wordt betekend), hij de kosten van de betekening moet betalen. Als [gedaagde] niet betaalt, zal [eiseres] namelijk een deurwaarder moeten inschakelen om het vonnis te betekenen. Een vonnis kan namelijk pas ten uitvoer worden gelegd als deze officieel is betekend. [5]

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.483,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 8 december 2024, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 452,45, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.5.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 25,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in conventie en reconventie
4.7.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Haas, in samenwerking met de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
67422

Voetnoten

1.Artikel 27.4 van de notariële akte ‘Splitsing in appartementsrechten, project [project] ’ van
2.Artikel 6:127 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW)
3.Artikel 6:119 BW Pro
4.Artikel 6:81 en Pro 6:82 BW
5.Artikel 430 lid 3 van Pro het Wetboek van Rechtsvordering.