ECLI:NL:RBMNE:2026:4960

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juli 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
UTR 25/6816
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 WlzArt. 3.2.1 lid 1 WlzArt. 3.2.1 lid 1 onder b WlzArt. 6:19 lid 1 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag persoonsgebonden budget op grond van Wet langdurige zorg wegens ontbreken noodzaak 24-uurs zorg

Eiser, lijdend aan sikkelcelanemie met ernstige vermoeidheid en chronische pijn, vroeg op 21 november 2024 een indicatie aan voor een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) wees deze aanvraag op 12 maart 2025 af, waarna eiser bezwaar maakte. Dit bezwaar werd op 23 oktober 2025 ongegrond verklaard (bestreden besluit I). Eiser stelde beroep in en verzocht om herziening, welke op 13 maart 2026 werd afgewezen (bestreden besluit II).

De kern van het geschil betrof de vraag of eiser vanwege zijn aandoening recht heeft op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Het CIZ baseerde zich op medisch advies van een medisch adviseur die concludeerde dat eiser niet permanent toezicht nodig heeft omdat hij in staat wordt geacht op relevante momenten hulp in te roepen. Ook was er geen medisch geobjectiveerde zware regieproblematiek of cognitieve stoornis vastgesteld.

Eiser voerde aan dat tijdens sikkelcelcrisissen hij niet kan alarmeren en dat de situatie niet stabiel of planbaar is. De rechtbank oordeelde echter dat de medische adviezen zorgvuldig en objectief zijn en dat eiser onvoldoende medische gegevens heeft aangeleverd om deze te betwisten. De revalidatiearts bevestigde dat eiser bij het begin van een crisis kan alarmeren en dat cognitieve beperkingen die regie belemmeren niet medisch zijn vastgesteld.

De rechtbank concludeerde dat het CIZ terecht heeft geoordeeld dat eiser niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz en verklaarde het beroep ongegrond. De bestreden besluiten blijven daarmee in stand en eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een persoonsgebonden budget wordt ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6816

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en

Centrum Indicatiestelling Zorg, het CIZ

(gemachtigde: mr. J.E. Koedood).

Inleiding

1. Eiser is bekend met sikkelcelanemie en ervaart onder andere extreme vermoeidheid en chronische pijnklachten. Daarnaast is sprake van zeer forse deconditionering. Eiser is rolstoelafhankelijk en woont in een aangepaste woning met zijn gezin. Eiser heeft op 21 november 2024 een aanvraag gedaan voor een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Eiser wil in aanmerking komen voor een persoonsgebonden budget (pgb) om zelf zorg te kunnen inkopen.
1.1.
Het CIZ heeft deze aanvraag met het besluit van 12 maart 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het besluit van 23 oktober 2025 (het bestreden besluit I) heeft het CIZ eisers bezwaar ongegrond verklaard en is het CIZ bij de afwijzing van de aanvraag gebleven
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarnaast heeft eiser het CIZ verzocht om het bestreden besluit te herzien.
1.4.
Het CIZ heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Verder heeft het CIZ op 13 maart 2026 beslist op het verzoek om herziening van het bestreden besluit en dit verzoek afgewezen (bestreden besluit II).
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de echtgenote van eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CIZ.
1.6.
Bij het sluiten van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en de uitspraaktermijn verlengd.

De bestreden besluiten

2. Het CIZ heeft de aanvraag van eiser afgewezen in bestreden besluit I, omdat niet kan worden onderbouwd dat er, vanuit een Wlz-grondslag, een noodzaak is tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Daarnaast is er geen sprake van een stabiele eindsituatie, waardoor de blijvendheid van de zorgbehoefte niet is vast te stellen. Het CIZ heeft zich in het bestreden besluit I gebaseerd op het medisch advies van de medisch adviseur [A] (hierna: de medisch adviseur) van 12 augustus 2025. De medisch adviseur heeft vastgesteld dat er sprake is van een grondslag somatische aandoening die toegang kan geven tot Wlz-zorg. De medisch adviseur heeft verder geconcludeerd dat eiser niet is aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. Volgens de medisch adviseur is er nog geen separate stoornis van het cognitief functioneren medisch geobjectiveerd. Medisch gezien is eiser op basis van de vastgestelde grondslag niet aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid omdat hij in staat wordt geacht om op relevante momenten hulp in te roepen en voldoende de zorgbehoefte te overzien en inschatten, om ernstig nadeel voor zichzelf te voorkomen. Er zijn fysieke problemen aan de orde waarbij een toename van het aantal crisis wordt gesignaleerd maar daarvoor behoeft eiser geen voortdurende begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg. Daarnaast kunnen er geen zware regieproblemen voortkomend uit een Wlz grondslag medisch geobjectiveerd worden. Ook is de zorgbehoefte van eiser volgens de medisch adviseur hoofdzakelijk planbaar en kan de zorgbehoefte op niet planbare momenten worden gecompenseerd door zorg op afroep. Omdat een behoefte aan 24 uurs zorg in de nabijheid niet kan worden vastgesteld, is het beoordelen van de blijvendheid aan de 24 uurs zorgbehoefte niet aan de orde. Ook als wel een medische noodzaak voor 24 uur per dag zorg in de nabijheid zou zijn, dan nog zijn er volgens de medisch adviseur behandelopties betreffende deconditionering en psychisch functioneren van eiser waardoor de blijvendheid van de huidige zorgbehoefte niet kan worden vastgesteld.
2.1.
Met het bestreden II heeft het CIZ het verzoek om herziening van bestreden besluit I afgewezen en bestreden besluit I gehandhaafd. Het bestreden besluit II is gebaseerd op het aanvullend medisch advies van 9 maart 2026 van de medisch adviseur. Daarin is de door eiser in de beroepsfase overgelegde medische informatie – te weten brieven/medische informatie van 28 maart 2025, 29 december 2025, en 14 januari 2026 van drs. [B] , revalidatiearts (hierna: de revalidatiearts) beoordeeld. De medisch adviseur ziet geen aanleiding tot wijziging of aanpassing van het medisch advies van 12 augustus 2025 en concludeert dat op basis van deze informatie het bestaan van zware regieproblematiek niet kan worden onderbouwd. Eiser is op basis van de vastgestelde somatische grondslag niet aangewezen op 24 uurs zorg per dag in de nabijheid omdat hij geacht wordt te kunnen alarmeren om ernstig nadeel te voorkomen. Het CIZ concludeert dat de zorgbehoefte van eiser met gestructureerde inzet van professionele thuiszorg adequaat kan worden opgevangen.

Beoordeling door de rechtbank

De periode in geding
3. Uit de aanvullende gronden van beroep van 17 maart 2026 en het debat van partijen ter zitting volgt dat eiser de door hem gedurende de beroepsfase overgelegde medische informatie van de revalidatiearts - zoals hiervoor genoemd onder 2 en 2.1 - ook in het kader van een verzoek om herziening aan het CIZ heeft overgelegd. Het CIZ heeft vervolgens bestreden besluit II genomen. Uit het debat ter zitting is gebleken dat eiser deze medische informatie van de revalidatiearts en het medisch advies van 9 maart 2025 in de beoordeling door de rechtbank wenst te betrekken. Voorts is niet in geschil is dat in de beroepsprocedure en in het kader van het verzoek om herziening door eiser dezelfde stukken ingediend. Omdat het CIZ met het bestreden besluit II niet volledig is tegemoetgekomen aan het beroep van eiser, wordt dit besluit met overeenkomstige toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de procedure betrokken. De periode in geding loopt van 21 november 2024 (datum aanvraag) tot 13 maart 2026 (datum bestreden besluit II)
.
Toetsingskader
4. Om in aanmerking te komen voor zorg op grond van de Wlz moet aan drie cumulatieve criteria [1] worden voldaan:
- er moet sprake zijn van een grondslag;
- vanwege deze grondslag moet er behoefte zijn aan permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstige nadeel te voorkomen;
- de zorgbehoefte moet blijvend zijn.
4.1.
Met een behoefte tot 24 uur per dag zorg in de nabijheid wordt bedoeld de situatie dat de verzekerde zelf niet in staat is om gedurende 24 uur op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel te voorkomen. [2] Het kan hierbij gaan om fysieke problemen waardoor iemand voortdurend begeleiding, verpleging of overname van zelfzorg nodig heeft of om zware regieproblemen waardoor iemand voortdurend begeleiding of overname van taken nodig heeft.
4.2.
Van ernstig nadeel is sprake als iemand:
- zich maatschappelijk te gronde richt of dreigt te richten;
- zichzelf in ernstige mate verwaarloost of dreigt te verwaarlozen;
- ernstig lichamelijk letsel oploopt of dreigt op te lopen dan wel zichzelf ernstig lichamelijk letsel toebrengt of dreigt toe te brengen;
- ernstig in zijn ontwikkeling wordt geschaad of dreigt te worden geschaad of dat zijn veiligheid ernstig wordt bedreigd, al dan niet doordat hij onder de invloed van een ander raakt.
3 (https://pi.rechtspraak.minjus.nl/)
Omvang van het geschil
5. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er sprake is van een grondslag voor toegang tot de Wlz, namelijk de grondslag een somatische aandoening of beperking. Het geschil ziet met name op beantwoording van de vraag of de aard en ernst van de klachten/ beperkingen dusdanig is dat er een noodzaak is tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid om ernstige nadeel te voorkomen.
5.1.
Eiser voert aan dat het CIZ ten onrechte heeft geconcludeerd dat er geen noodzaak is tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid. Eiser voert aan dat hij tijdens een sikkelcelcrisis feitelijk niet in staat is om te alarmeren omdat hij tijdens een crisis, die onvoorspelbaar is, volledig geblokkeerd raakt door hevige pijn, benauwdheid en uitputting en op die momenten niet kan spreken, niet kan bellen en niet adequaat kan reageren. Volgens eiser is er geen sprake van een stabiele, planbare zorgsituatie en koppelt het CIZ het alarmeringsvermogen van eiser ten onrechte uitsluitend aan het ontbreken van een formele cognitieve of psychiatrische diagnose. Voorts betwist eiser dat geen sprake is van zware regieproblemen en dat er geen sprake is van blijvendheid. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat eiser vanwege de somatische problematiek tijdens een acute crisis niet kan alarmeren. Zij heeft daarbij met name verwezen naar de brief van 14 januari 2026 waarin de revalidatiearts heeft verklaard dat eiser bij een bezoek aan de spoedeisende hulp in juni 2025 bij een acute crisis versuft was en niet in staat was om zelf adequaat zijn klachten en beloop aan te geven.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat het CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is komen vast te staan dat voor eiser 24 uur zorg in de nabijheid noodzakelijk is om ernstig nadeel te voorkomen. Het CIZ heeft medisch onderzoek laten verrichten naar de situatie van eiser. De medisch adviseur van het CIZ heeft twee medische adviezen uitgebracht over de situatie van eiser. Het CIZ heeft zich in de besluitvorming ook gebaseerd op de medische adviezen van 13 augustus 2025 en 9 maart 2026.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) zijn de adviezen van de medisch adviseur van het CIZ aan te merken als een deskundigenadvies als is vastgesteld dat zij onpartijdig, objectief en inzichtelijk zijn en zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Dit ligt anders als concrete aanknopingspunten bestaan waaruit twijfel aan de juistheid of volledigheid van dit advies blijkt. Het is echter aan eiser om met medische informatie te komen die aan het advies doet twijfelen.
6.2.
De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor twijfel aan het door het CIZ verrichte onderzoek. De adviezen van de medisch adviseur zijn op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en zijn navolgbaar. Van belang is dat de medisch adviseur dossieronderzoek heeft verricht en kennis heeft genomen van de beschikbare medische informatie van de behandelaars van eiser waaronder ook de medische informatie van de revalidatiearts en deze ook heeft betrokken bij de medische adviezen. Uit de stukken blijkt niet dat een zware regieproblematiek medisch gezien kan worden onderbouwd. Er zijn vooralsnog geen cognitieve beperkingen medisch geobjectiveerd die de regievoering structureel belemmeren. Hierbij is van belang dat de internist-hematoloog op 11 juli 2024 heeft aangegeven dat er geen reden zijn om te verwachten dat eiser niet adequaat zou kunnen handelen bij het optreden van een crisis en dat een gepland onderzoek naar het cognitief functioneren van eiser in november 2025 niet heeft plaatsgevonden.
6.3.
Voorts is van belang dat de revalidatiearts in de brief van 14 januari 2026 heeft uitgelegd dat eiser bij het begin van het ontstaan van een crisis in staat is om zelfstandig te alarmeren en om aan te geven wat het stappenplan is. De revalidatiearts schrijft vervolgens dat hij niet in staat is om te beoordelen hoe eiser in een verder gevorderde crisissituatie cognitief is en dat hetero-anamnestisch de partner degene is die op dat moment de zorg moet organiseren. Verder verklaart de revalidatiearts dat eiser in juni 2025 bij een bezoek aan de spoedeisende hulp bij een acute crisis versuft was en niet in staat was om zelf adequaat zijn klachten en beloop aan te geven. Naar het oordeel van de rechtbank is deze constatering - waar eiser in de beroepsgronden en ter zitting nadrukkelijk op heeft gewezen – onvoldoende aanknopingspunt voor twijfel aan het door het CIZ verrichte onderzoek. De rechtbank overweegt daartoe dat de revalidatiearts de vraag of sprake is van cognitieve beperkingen (zogeheten “brainfrog”) die structureel het vermogen tot regie en zelfzorg belemmeren ontkennend heeft beantwoord.
6.4.
Nu geen noodzaak tot permanent toezicht of 24 uur zorg in de nabijheid kan worden vastgesteld, heeft het CIZ zich terecht op het standpunt gesteld dat beoordeling van de blijvendheid van de zorgbehoefte niet aan de orde is.
7. De rechtbank concludeert dat eiser verder niet met medische gegevens heeft onderbouwd dat aan de juistheid van de medische adviezen moet worden getwijfeld. Het CIZ heeft dan ook mogen uitgaan van de juistheid van de medische adviezen. Dit betekent dat het CIZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor zorg op grond van de Wlz.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3.2.1, eerste lid, van de Wlz.
2.Artikel 3.2.1, eerste lid, onder b, van de Wlz.