ECLI:NL:RBMNE:2026:4986

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
31 juli 2026
Zaaknummer
C/16/606470 / FL RK 26-170
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:4 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot terugwijziging van voornaam wegens zwaarwegend belang

De vrouw heeft de rechtbank verzocht om haar voornaam terug te wijzigen naar de naam die zij bij haar geboorte heeft gekregen. In 2024 had zij haar voornaam gewijzigd om los te komen van een traumatische jeugd, maar nu ervaart zij juist een innerlijke afstand tot zichzelf door die wijziging en wil zij weer in verbinding komen met haar verleden.

De rechtbank overwoog aanvankelijk een mondelinge behandeling te plannen vanwege de tegenstrijdigheid in het zwaarwegend belang, maar na ontvangst van nadere stukken, waaronder een verklaring van haar behandelaar en verloskundige, werd duidelijk dat de vrouw psychisch belast is en behandeling krijgt vanwege vervreemding van haar identiteit. Tevens wenst zij dat op de geboorteakte van haar kind haar originele voornamen worden vermeld.

De rechtbank oordeelt dat de vrouw een zwaarwegend belang heeft bij de voornaamswijziging en dat de gevraagde voornaam niet ongepast is. De ambtenaar van de burgerlijke stand zal de geboorteakte aanpassen zodra de beschikking onherroepelijk is. Het verzoek om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren wordt afgewezen.

Uitkomst: Verzoek tot terugwijziging van de voornaam wordt toegewezen wegens zwaarwegend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Lelystad
zaaknummer: C/16/606470 / FL RK 26-170
Voornaamswijziging
Beschikking van 2 juli 2026
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende op een bij de rechtbank bekende woon- of verblijfplaats,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.P.J. Appelman.

1.Het verzoek

De vrouw heeft de rechtbank gevraagd om haar voornaam terug te wijzigen in:
[voornaam].

2.De beoordeling

2.1
De rechtbank wijst het verzoek toe en zal opdracht geven aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om de voornaam van de vrouw te wijzigen. De rechtbank zal hierna uitleggen waarom zij deze beslissing neemt.
2.2
In 2024 heeft de vrouw de rechtbank verzocht om haar voornaam te wijzigen naar [voornaam] . De rechtbank heeft dit verzoek destijds toegewezen. De vrouw verzoekt nu om haar naam weer te wijzigen naar de naam die zij heeft gekregen bij haar geboorte. In 2024 heeft de vrouw haar naam gewijzigd, omdat zij wilde loskomen van haar traumatisch jeugd. Zij stelt nu dat haar geboortenamen onlosmakelijk verbonden zijn met haar identiteit. Door de nieuwe voornamen ervaart zij een innerlijke afstand tot zichzelf. Zij wil zich weer zichzelf voelen en haar voornamen opnieuw wijzigen.
2.3
Omdat het verzoek relatief snel volgt op het vorige verzoek was de rechtbank voornemens om een mondelinge behandeling te plannen (zitting) om een nadere toelichting van de vrouw te vragen. De rechtbank moet een verzoek toetsen aan de wet, waarbij er sprake moet zijn van een zwaarwegend belang aan de zijde van de vrouw. De vorige keer heeft de vrouw gesteld dat zij een zwaarwegend belang had omdat zij wilde loskomen van het verleden. Nu is het zwaarwegende belang dat zij juist weer in verbinding wil komen met haar verleden. Dit is tegenstrijdig, waardoor de rechtbank niet goed kon vaststellen of de vrouw daadwerkelijk een zwaarwegend belang had bij deze wijziging. Na het voornemen tot het plannen van een mondelinge behandeling heeft de vrouw nadere stukken ingediend.
2.4
De vrouw heeft in de nieuwe stukken uitgelegd dat zij tijdens het eerste verzoek in 2024 ernstig psychisch belast was en dat zij nog haar trauma’s moest verwerken uit haar verleden. Daarnaast was er sprake van een emotionele ontregeling. Daardoor kon zij de gevolgen van haar verzoek destijds niet goed overzien. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek ook een verklaring ingediend van haar behandelaar waaruit blijkt dat zij behandeling krijgt vanwege de vervreemding van haar identiteit. Deze behandeling is onder andere ingezet omdat de vrouw niet kan omgaan met haar nieuwe namen. Daarnaast is de vrouw zwanger en wenst zij dat op de geboorteakte van haar kind haar originele voornamen staan en niet de voornamen die zij in 2024 heeft gekregen.
2.5
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw met het indienen van haar verklaring en die van haar behandelaar en de verloskundige voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij een zwaarwegend belang heeft bij de voornaamswijziging. Daarnaast is de gevraagde voornaam niet ongepast en geen geslachtsnaam. [1]
2.6
Zodra deze beslissing onherroepelijk is, zal de ambtenaar van de burgerlijke stand de geboorteakte van de vrouw aanpassen (door een latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte). Het is niet mogelijk dat de beslissing eerder wordt uitgevoerd. Daarom wijst de rechtbank het verzoek om de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’ te verklaren af.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1
geeft opdracht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand om de voornaam van
[de vrouw], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] , te wijzigen in:
[voornaam], zodat zij voortaan zal heten:
[naam];
3.2
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam;
3.3
wijst het verzoek voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M. Weistra, rechter, in samenwerking met mr. M. van Meurs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:4 lid 2 BW Pro.