ECLI:NL:RBMNE:2026:500

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
11575959 UB VERZ 25-85
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:198 BWArt. 4:209 lid 1 BWArt. 4:211 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing van de vereffening van een nalatenschap wegens gebrek aan baten

Verzoekers, als vereffenaars van de nalatenschap van de in 2023 overleden erflater, hebben bij de rechtbank Midden-Nederland een verzoek ingediend tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap. De nalatenschap is beneficiair aanvaard door de erfgenamen, waaronder verzoekers en een overige belanghebbende.

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de preferente schuldeisers slechts gedeeltelijk kunnen worden voldaan uit de activa van de nalatenschap, wat aanleiding geeft tot opheffing van de vereffening op grond van artikel 4:209 lid 1 BW Pro. De overige belanghebbende heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot mondelinge behandeling en reageerde niet op de brief van de griffier. Daarom is aan verzoekers gezamenlijk de bevoegdheid toegekend om het verzoek zonder medewerking van de overige belanghebbende in te dienen.

De kantonrechter heeft de vereffeningskosten vastgesteld op nihil, omdat deze niet zijn gesteld door verzoekers. De opheffing van de vereffening zal worden ingeschreven in het boedelregister, zonder publicatie in de Staatscourant, aangezien de beneficiaire aanvaarding geen publicatieplicht met zich meebrengt. Het verzoek tot opheffing is daarmee toegewezen en het overige is afgewezen.

Uitkomst: De kantonrechter beveelt de opheffing van de vereffening van de nalatenschap wegens onvoldoende baten en kent verzoekers gezamenlijk de bevoegdheid toe het verzoek in te dienen zonder medewerking van de overige belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 11575959 UB VERZ 25-85
Beschikking van 19 januari 2026
Inzake het verzoek van:
[verzoekster 1],
wonend in [woonplaats 1] , en
[verzoekster 2],
wonend in [woonplaats 1] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
wonend in [woonplaats 2] ,
verder te noemen: verzoekers.
Verzoekers hebben het verzoek gedaan in hun hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van:
[erflater] ,geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, overleden in [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] 2023, laatste woonplaats in [woonplaats 3] , verder te noemen: erflater.
Overige belanghebbende bij het verzoek is:
[belanghebbende],
wonend in [woonplaats 4] ,
hierna: de overige belanghebbende.

1.De procedure

1.1.
Op 3 maart 2025 heeft de griffie een verzoekschrift ontvangen waarin verzoekers vragen om opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflater.
1.2.
De griffier heeft op diverse data aanvullende informatie gevraagd, welke aanvullende informatie door de griffie op diverse data is ontvangen waardoor het verzoek op 11 augustus 2025 compleet was aangeleverd.
1.3.
De boedelbeschrijving heeft conform de verplichting op grond van artikel 4:211 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) ter inzage gelegen op griffie van deze rechtbank van 31 maart 2025 tot 12 mei 2025.
1.4.
De griffier heeft op 22 september 2025 een brief gezonden aan de overige belanghebbende. Hierbij is de overige belanghebbende in de gelegenheid gesteld om het verzoek op een zitting te laten behandelen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
1.5.
Nu belanghebbende geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid dit verzoek op een zitting te behandelen en er naast de overige belanghebbende en verzoekers geen andere op te roepen belanghebbenden zijn als bedoeld in artikel 4:209 lid 1 BW Pro en de kantonrechter zich op grond van de overgelegde stukken voldoende geïnformeerd acht, zal zonder mondelinge behandeling op het verzoek worden beslist.

2.De overwegingen van de kantonrechter

2.1.
Verzoekers vragen om opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflaatster.
2.2.
Op grond van artikel 4:209 lid 1 BW Pro kan de kantonrechter op verzoek van de vereffenaar of een belanghebbende de opheffing van de vereffening bevelen indien de geringe waarde der baten van een nalatenschap daartoe aanleiding geeft. Hiervan is (onder meer) sprake als uit de activa van de nalatenschap de preferente schuldeisers slechts gedeeltelijk voldaan kunnen worden.
2.3.
Verzoekers en de overige belanghebbenden zijn de erfgenamen van erflater. Zij hebben de nalatenschap blijkens het boedelregister beneficiair aanvaard. Dit betekent dat zij ook alle drie vereffenaar zijn van de nalatenschap en op grond van artikel 4:198 BW Pro gezamenlijk bevoegd om de taken als vereffenaar uit te voeren, waaronder het verzoeken om opheffing van de vereffening van de nalatenschap.
2.4.
De overige belanghebbende heeft niet gereageerd op de brief van de griffier, waarin hij in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. In die brief is namens de kantonrechter het voornemen geuit om op grond van artikel 4:198 BW Pro aan de verzoekers de bevoegdheid toe te kennen om gezamenlijk het verzoek tot opheffing van de vereffening in te dienen. Derhalve zal de kantonrechter bepalen dat de verzoekers dit verzoek gezamenlijk mogen doen, zonder medewerking van de overige belanghebbende.
2.5.
Uit de overgelegde boedelbeschrijving blijkt dat uit de tot de nalatenschap behorende activa de preferente schuldeisers slechts gedeeltelijk kunnen worden voldaan. Daarom zal de kantonrechter de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van erflaatster bevelen wegens een gebrek aan baten.
2.6.
Door verzoekers is niet gesteld dat er vereffeningskosten zijn, zodat de vereffeningskosten op nihil zullen worden vastgesteld.
2.7.
Omdat de beneficiaire aanvaarding door de erfgenamen geen publicatieplicht met zich heeft meegebracht (in de Staatscourant) kan worden volstaan met de inschrijving van de opheffing in het boedelregister. De kantonrechter zal de griffier opdragen de opheffing van de vereffening onverwijld in te schrijven in het boedelregister.

3.Beslissing

De kantonrechter:
- bepaalt dat aan verzoekers de bevoegdheid toekomt het verzoek tot opheffing van de vereffening van de nalatenschap samen in te dienen, zonder medewerking van de overige belanghebbende;
- beveelt de opheffing van de vereffening van de nalatenschap van
[erflater] ,geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959, overleden in [overlijdensplaats] op [overlijdensdatum] 2023, laatste woonplaats in [woonplaats 3] ;
- bepaalt dat de vereffeningskosten nihil zijn;
- draagt de griffier op de opheffing van de vereffening in te schrijven in het boedelregister;
- wijst het anders of meer verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.W.J. van Veen, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Tegen deze beslissing kan binnen drie maanden na de dag van de uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Het beroepschrift kan uitsluitend door een advocaat worden ingediend.