ECLI:NL:RBMNE:2026:508

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
11720206
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:217 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot betaling uit beleggingsovereenkomst en rente

Eiser vordert betaling van het resultaat van een beleggingsovereenkomst en bijkomende rente en kosten van gedaagde, die betwist dat er een overeenkomst is omdat hij niet heeft getekend.

Uit Whatsapp-berichten en gedragingen blijkt dat partijen een beleggingsovereenkomst zijn aangegaan, waarbij eiser een bedrag van € 8.812,78 heeft overgemaakt en de overeenkomst ondertekend heeft teruggezonden. Gedaagde heeft dit bevestigd met een reactie en zich later op de voorwaarden van de overeenkomst beroepen.

De kantonrechter oordeelt dat er wilsovereenstemming is en dat gedaagde € 15.175,26 moet betalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 5 oktober 2024 wegens verzuim. Daarnaast worden de proceskosten van € 1.886,64 aan eiser toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 15.175,26 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11720206 \ UC EXPL 25-4728
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: De Ruijter & Willemsen gerechtsdeurwaarders en incasso B.V.,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen:
  • de dagvaarding met producties;
  • de conclusie van antwoord met producties.
1.2.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] wegens medische redenen verzocht om uitstel van de zitting. Hij heeft hierbij gewezen op het bestaan van fysieke en cognitieve beperkingen, waardoor deelname aan de mondelinge behandeling zowel fysiek als digitaal niet mogelijk zou zijn. De kantonrechter heeft dit verzoek afgewezen, omdat uit de door [gedaagde] overgelegde medische bescheiden niet kan worden opgemaakt dat hij als gevolg van medische redenen daar niet toe in staat zou zijn. Ook is in deze zaak eerder uitstel verleend vanwege medische redenen en heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen verder uitstel. Daarnaast stond het [gedaagde] in deze procedure vrij om in elk stadium daarvan deugdelijke vertegenwoordiging in te schakelen, wat hij niet heeft gedaan.
1.3.
De mondelinge behandeling is gehouden op 12 februari 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mevrouw Beemster. [gedaagde] is niet verschenen. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.4.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiser] wil met deze procedure bereiken dat [gedaagde] tot uitbetaling overgaat van het resultaat van een tussen hen gesloten beleggingsovereenkomst. Daarnaast vordert [eiser] ook de betaling van rente en kosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Volgens [gedaagde] heeft hij nooit een contract getekend en is er daardoor geen sprake van een met [eiser] gesloten beleggingsovereenkomst. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] toe en zal dat hieronder uitleggen.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
Partijen hebben veel Whatsapp-berichten naar elkaar gestuurd, nadat zij door een gemeenschappelijke vriend aan elkaar zijn voorgesteld. Uit deze berichten volgt dat [gedaagde] zich bezighoudt met beleggen en ‘daytraden’ voor derden. Nadat [eiser] zijn interesse hiervoor heeft geuit, heeft [gedaagde] op 9 mei 2023 een overeenkomst met de kop ‘Contract Investeren In [gedaagde] ’ (hierna: de beleggingsovereenkomst) aan [eiser] toegezonden. Daar heeft [eiser] enthousiast op gereageerd, waarbij hij wel heeft aangegeven het fijn te vinden om nog even te bellen. Niet is duidelijk wat tijdens dat telefoongesprek is besproken, maar uit de Whatsappberichten volgt dat [eiser] vervolgens op 16 mei 2023 een bedrag van in totaal € 8.812,78 aan [gedaagde] heeft overgemaakt. Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] toegelicht dat hij dit heeft gedaan door een bedrag van zijn cryptorekening over de maken naar de cryptorekening van [gedaagde] . Uit de Whatsappberichten volgt verder dat [eiser] de door [gedaagde] toegezonden beleggingsovereenkomst heeft uitgeprint, ondertekend en middels een foto op – eveneens – 16 mei 2023 retour aan [gedaagde] heeft toegezonden. [gedaagde] heeft daarop gereageerd met ‘binnen’.
3.2.
Uit de Whatsapp-berichten volgt verder dat [gedaagde] [eiser] de periode daarna periodiek op de hoogte houdt van de stijgingen en de dalingen van het door hem ingelegde bedrag. Op 1 juli 2024 bericht [gedaagde] aan [eiser] dat de waarde van zijn belegging een bedrag van € 15.175,26 bedraagt. Naar aanleiding van die mededeling heeft [eiser] op 5 juli 2024 aan [gedaagde] bericht zijn investering te willen innen. [gedaagde] heeft als reactie daarop naar de voorwaarden uit de beleggingsovereenkomst verwezen en aangegeven dat hij drie maanden de tijd heeft om tot terugbetaling over te gaan. Daar heeft [eiser] zich aan geconformeerd. Na het verstrijken van de drie maanden is [gedaagde] niet overgegaan tot uitbetaling, waarna [eiser] deze procedure is gestart.

4.De beoordeling

Tussen partijen is een beleggingsovereenkomst tot stand gekomen
4.1.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat hij de aan [eiser] toegezonden beleggingsovereenkomst niet heeft ondertekend en dat er daarom geen beleggingsovereenkomst tot stand is gekomen. Verder betreffen de investeringen volgens [gedaagde] een vriendendienst en is er daarom geen sprake van een juridische verplichting tot terugbetaling. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet en zal dit hieronder uitleggen.
4.2.
In de wet [1] is bepaald dat een overeenkomst tot stand komt wanneer de ene partij een aanbod doet en de andere partij dat aanbod aanvaardt. Daarvoor is van belang dat tussen partijen wilsovereenstemming bestaat. Om na te gaan of daarvan sprake is, zal gekeken moeten worden naar de verklaringen en gedragingen die partijen naar elkaar hebben geuit, de betekenis die partijen daaraan mochten toekennen en wat zij in dat verband van elkaar mochten verwachten.
4.3.
Vaststaat dat [gedaagde] op 9 mei 2023 een beleggingsovereenkomst aan [eiser] heeft toegezonden met de voorwaarden waaronder [gedaagde] bereid is voor [eiser] te gaan beleggen. In deze beleggingsovereenkomst zijn geen voorbehouden gemaakt, zoals bijvoorbeeld het vermelden van een conceptversie. Van dergelijke voorbehouden is ook geen sprake in de Whatsappgesprekken. Er is dus sprake van een definitief aanbod. [eiser] heeft dit aanbod vervolgens ongewijzigd aanvaard door zijn handtekening onder de beleggingsovereenkomst te zetten en deze binnen één week na toezending daarvan retour aan [gedaagde] toe te sturen. Dit document heeft [gedaagde] ook bereikt, wat volgt uit zijn reactie: ‘binnen’.
4.4.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] het aanbod van [gedaagde] binnen een redelijke termijn heeft aanvaard en dat hierdoor sprake is van wilsovereenstemming tussen partijen met betrekking tot de beleggingsovereenkomst. Er is daarom sprake van een gesloten overeenkomst. Dat [gedaagde] de overeenkomst niet heeft ondertekend, maakt het voorgaande niet anders. Bovendien heeft [gedaagde] zich op het moment van uitbetaling zelf op de voorwaarden uit de beleggingsovereenkomst beroepen. Dat bevestigt dat ook [gedaagde] uitging van een beleggingsovereenkomst gebaseerd op wat hij had opgesteld.
[gedaagde] moet € 15.175,26 aan [eiser] betalen
4.5.
De kantonrechter dient vervolgens te bepalen welk bedrag [gedaagde] op grond van de beleggingsovereenkomst aan [eiser] moet terugbetalen. Dit bedrag wordt door de kantonrechter bepaald op € 15.175,26. Hierover wordt als volgt overwogen.
4.6.
Op de mondelinge behandeling heeft [eiser] erkend dat hij wist dat er aan zijn belegging risico’s waren verbonden en dat zijn inleg dus minder waard kon worden. Dit risico is volgens hem echter niet ingetreden. Hierbij baseert [eiser] zich op de door [gedaagde] toegezonden Whatsappberichten, waaruit volgt dat zijn inleg alleen maar meer waard is geworden. Op 1 juli 2024 bedroeg dit € 15.175,26, waarna hij kort daarna heeft aangegeven dat bedrag te willen innen. Dat die waarde nadien zou zijn gedaald is gesteld nog gebleken. Daarom wordt uitgegaan van de waarde van de belegging zoals voor het laatst door [gedaagde] aan [eiser] is bericht.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
4.7.
[gedaagde] moet ook de gevorderde wettelijke rente over het verschuldigde bedrag betalen. [eiser] heeft namelijk meerdere keren aan [gedaagde] verzocht om het verschuldigde bedrag aan hem (terug) te betalen en dat heeft [gedaagde] niet gedaan. De rente zal worden toegewezen vanaf 5 oktober 2024, omdat [gedaagde] op grond van de beleggingsovereenkomst en het daarop gebaseerde betalingsverzoek, vanaf die dag in verzuim verkeert. [gedaagde] moet die rente betalen totdat hij het volledige bedrag dat hij verschuldigd is, heeft terugbetaald.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
4.8.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,64
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.886,64
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
4.9.
De kantonrechter zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 15.175,26, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro, met ingang van 5 oktober 2024, tot de dag van volledige betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.886,64, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
LHJ/63796

Voetnoten

1.Zie artikel 6:217 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).