De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarden van drie appartementen in [plaats] vastgesteld voor het belastingjaar 2023, met waardepeildatum 1 januari 2022. Eiseres, eigenaar van de woningen, maakte bezwaar tegen deze waarderingen, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
Tijdens de zitting op 8 december 2025 heeft de rechtbank het beroep inhoudelijk beoordeeld. De rechtbank constateerde dat de door eiseres aangevoerde beroepsgronden grotendeels onsamenhangend en onvoldoende onderbouwd waren, waardoor deze buiten beschouwing werden gelaten. De heffingsambtenaar onderbouwde de WOZ-waarden met een taxatiematrix en een taxatierapport, waarin vergelijkbare referentiewoningen werden gebruikt die qua ligging, type en verkoopdatum passend waren.
Eiseres voerde ook een beroep op overschrijding van de opbrengstlimiet aan, maar dit werd als te laat en niet volgens het voorgeschreven stappenplan ingediend, zodat dit argument niet werd meegenomen. De rechtbank oordeelde dat de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarden niet te hoog waren vastgesteld.
Verder verzocht eiseres om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Hoewel de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar duurden, was het financieel belang minder dan € 1.000,- en was de termijnoverschrijding minder dan twaalf maanden, waardoor geen vergoeding werd toegekend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wees het verzoek om schadevergoeding af en bepaalde dat eiseres het griffierecht niet terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt.