ECLI:NL:RBMNE:2026:522

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
18 februari 2026
Zaaknummer
16/140112-23
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SrArt. 26 WWM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit van een pijpbom met psychische problematiek en overschrijding redelijke termijn

Op 5 juni 2023 werd verdachte in Emmeloord aangetroffen met een zelfgemaakte pijpbom, een wapen van categorie II. De verdachte bekende het bezit en maakte zelf melding bij de politie, waardoor een ernstig ongeval werd voorkomen. De rechtbank achtte bewezen dat het bezit van het explosief een reëel gevaar voor de samenleving vormde.

De verdachte kampt met psychische problemen en verslavingsproblematiek, waarvoor hij onder zorgmachtiging behandeld wordt. Hoewel de verdediging verminderde toerekeningsvatbaarheid aanvoerde, vond de rechtbank onvoldoende bewijs voor een causaal verband tussen stoornis en handelen dat volledige toerekening uitsluit.

De redelijke termijn voor berechting werd met ongeveer vier maanden overschreden, wat de rechtbank strafverminderend meewoog. Gezien de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden en de melding door verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen op, waarvan 155 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden gericht op behandeling en reclassering.

De bijzondere voorwaarden omvatten ambulante behandeling, drugscontrole en meldplicht bij de reclassering. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven. De rechtbank benadrukte het belang van zorgcontinuïteit boven detentie.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 155 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden vanwege bezit van een pijpbom en psychische problematiek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/140112-23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 18 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1980] in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 4 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
  • de advocaat van de verdachte: mr. R.M. Joppen, waarnemend voor mr. A.T. van Vulpen (hierna: de advocaat);
  • de getuigen-deskundigen; twee behandelaren van de verdachte, beiden werkzaam als verpleegkundige bij Forensisch FACT van GGZ Friesland

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
op of omstreeks 5 juni 2023 in Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, een pijpbom voorhanden heeft gehad.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij het feit heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- de verklaring van de verdachte, afgelegd op de zitting van 4 februari 2026;
- een proces-verbaal van bevindingen van 5 juni 2023; [2]
- een geschrift, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 3 oktober 2023. [3]
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
op 5 juni 2023 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een pijpbom, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing voorhanden heeft gehad.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, onderdeel 7.
4.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 155 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:
- ambulante behandeling;
- controle op het gebruik van drugs om het middelengebruik te monitoren;
- meldplicht bij de reclassering.
5.2
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat sprake is van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Er is volgens de verdediging voldoende informatie beschikbaar om vast te stellen dat de verdachte lijdt aan een stoornis, dat er een causaal verband bestaat tussen deze stoornis en zijn handelen, en dat de stoornis zodanig is dat deze aan het volledig toerekenen van het feit in de weg staat. Wat betreft de op te leggen straf verzoekt de verdediging dat het onvoorwaardelijke deel gelijk wordt gesteld aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, aangevuld met een voorwaardelijk deel van een aantal maanden. De verdediging heeft verzocht om de bij 30 oktober 2024 geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan de op te leggen straf.
5.3
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van deze straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
Op 5 juni 2023 zijn agenten naar de [straat] in [plaats] gegaan in verband met een overlastmelding. Ter plaatse troffen zij de verdachte aan en gingen met hem in gesprek. Tijdens dit gesprek, waarin de verdachte een verwarde indruk maakte, verklaarde hij uit eigen beweging dat er een explosief in zijn boot lag. De agenten zijn vervolgens met de verdachte naar zijn boot gegaan. In de boot werd daadwerkelijk een explosief aangetroffen, provisorisch opgeslagen in een plastic koeltas. Het explosief is nader onderzocht, waaruit bleek dat het een geïmproviseerde pijpbom betrof, bestaande uit een metalen pijp van circa 24 centimeter en een ontsteker opgebouwd uit twee tegen elkaar geplakte vuurwerksterretjes. De pijp was gevuld met een pyrotechnisch mengsel. Gebleken is dat de constructie geschikt was om een ontploffing teweeg te brengen, waarbij tot op meerdere meters afstand gevaar bestond voor ernstig tot dodelijk lichamelijk letsel.
Door het openlijk en onzorgvuldig voorhanden hebben van een zelfgemaakt explosief heeft de verdachte aanzienlijke veiligheidsrisico’s genomen. Het gevaar dat hierdoor is ontstaan, behoeft geen verdere toelichting. Explosieven zoals dit vormen bovendien een groot en groeiend probleem in de samenleving. Het aantal explosies is de afgelopen jaren significant gestegen. De verdachte wordt niet verweten dat hij een explosie heeft veroorzaakt, maar het bezit van een explosief maakt hem wel onderdeel van het maatschappelijke probleem en brengt een reëel gevaar voor anderen met zich. Het in omloop zijn van dit soort explosieven draagt bij aan gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers en in de samenleving als geheel. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank houdt rekening met het strafblad van de verdachte van 29 september 2025. Daaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van de pleegdatum niet eerder was veroordeeld. De rechtbank zal het strafblad daarom niet in strafverzwarende dan wel strafmatigende zin meewegen.
Verder houdt de rechtbank rekening met rapportages en schriftelijke aanvullingen daarop van Reclassering Nederland van 5 december 2023, 30 oktober 2024, 26 november 2024 en 29 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte kampt met psychische problemen en verslavingsproblematiek, die eveneens als risicofactoren worden gezien, en dat hij momenteel via een zorgmachtiging gedwongen wordt behandeld. Tevens wordt gerapporteerd dat de verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van het explosief symptomen vertoonde die op de rand van een psychose lagen. De reclassering heeft de verdachte omschreven als een sociale man, en zij heeft de indruk dat hij anderen niet bewust in gevaar wilde brengen.
De getuigen-deskundigen beiden werkzaam als verpleegkundige bij Forensisch FACT van GGZ Friesland, hebben op de zitting een toelichting gegeven op hun behandelrelatie met de verdachte. Zij behandelen de verdachte in het kader van een zorgmachtiging die op 7 juli 2025 voor één jaar is afgegeven. De deskundigen omschrijven het huidige behandeltraject als zeer goed. Hoewel de verdachte op bepaalde momenten overmand kan worden door wanen of emoties, kunnen deze vervolgens op een later moment goed met hem worden besproken. Momenteel verblijft de verdachte in zijn eigen woning en ontvangt hij twee keer per week huisbezoeken. Ook krijgt de verdachte medicatie via een depot, eenmaal per vier weken. De verdachte heeft in het verleden vaker zorg- en rechterlijke machtigingen gehad, maar heeft eerder ook op vrijwillige basis contact gezocht met de ggz.
Anders dan de verdediging heeft bepleit, gaat de rechtbank niet uit van verminderde toerekeningsvatbaarheid. Er is geen gedragskundig onderzoek naar de psychische gesteldheid van de verdachte verricht. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om vast te stellen dat de verdachte lijdt aan een stoornis, dat er een causaal verband bestaat tussen deze stoornis en zijn handelen, en dat de stoornis zodanig is dat deze het volledig toerekenen van het feit in de weg staat. Wel houdt de rechtbank bij de strafmaat rekening met de beschikbare informatie die hiervoor is besproken, waaruit volgt dat de verdachte bekend is met psychische problematiek, waaronder psychotische episoden, waarvoor hij al langere tijd onder behandeling staat.
Redelijke termijn
De rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De eerste daad van vervolging is van 6 juni 2023 (de datum van inverzekerinsstelling) en de uitspraak in deze zaak vindt plaats op 18 februari 2026. Dat betekent in beginsel dat de redelijke termijn met acht maanden is overschreden, maar de rechtbank zal in dit geval uitgaan van een overschrijding van vier maanden. De reden hiervoor is dat de inhoudelijke behandeling eerder stond gepland op 5 november 2025, maar dat de verdachte toen niet is verschenen en zijn advocaat daarom heeft verzocht om aanhouding. De rechtbank weegt de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van het explosief is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.
De rechtbank ziet aanleiding om van dit oriëntatiepunt af te wijken. De rechtbank houdt namelijk in strafmatigende zin rekening met het feit dat de verdachte zelf melding heeft gemaakt bij de politie van het voorhanden hebben van het explosief. Daarmee is een ernstig ongeval, met mogelijk aanzienlijke schade en ernstig dan wel dodelijk letsel, voorkomen. Verder houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met de hiervoor vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn en met de psychische problematiek van de verdachte, die ten tijde van het feit aanwezig was en ook nu nog bestaat. De rechtbank acht het op dit moment belangrijker dat de verdachte de juiste zorg ontvangt en blijft ontvangen, dan dat hij opnieuw wordt gedetineerd. De rechtbank is met de officier van justitie en de advocaat van oordeel dat het passend is om de door de reclassering in oktober 2024 geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden aan de hierna op te leggen straf.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen op, met aftrek van het voorarrest, waarvan 155 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.
De rechtbank verbindt de volgende bijzondere voorwaarden aan deze proeftijd:
- ambulante behandeling;
- controle op het gebruik van drugs om het middelengebruik te monitoren;
- meldplicht bij de reclassering;
De volledige tekst van de aan de proeftijd verbonden voorwaarden is opgenomen onder de beslissing in paragraaf 7.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 14a, 14b, 14c, 63 van het Wetboek van Strafrecht;
  • 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte het feit heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstraf van 180 (honderdtachtig) dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat van de gevangenisstraf
een gedeelte van 155 (honderdvijfenvijftig) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een proeftijd van 2 jaar vast;
- stelt als algemene voorwaarden dat de verdachte:
* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:
* zich laat behandelen door de GGZ vanwege zijn psychische problemen en door de Verslavingszorg vanwege zijn problematische druggebruik, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. De verdachte wordt momenteel reeds behandeld in het kader van een zorgmachtiging. Na afloop van de zorgmachtiging blijft hij zich laten behandelen door de GGZ en/of Verslavingszorg op de wijze zoals door de reclassering voorgeschreven;
* zich binnen twee weken na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Zoutbranderij 1 te Leeuwarden. De verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
* meewerkt aan controle van het gebruik van drugs om het middelengebruik te monitoren. De reclassering kan urineonderzoek gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd;
voorlopige hechtenis
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. B.F. Hammerle en R.W. Nederveen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. Dam als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 5 juni 2023 te Emmeloord, gemeente Noordoostpolder, althans
in Nederland
een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,
te weten een pijpbom,
zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing
voorhanden heeft gehad.

Voetnoten

2.Pagina’s 62-63.
3.Pagina’s 187-203 (rapport NFI).