Eisers zijn in dienst getreden bij de werkgever, waarbij onduidelijkheid bestond over de exacte rechtsvorm van de werkgever. Na ziekmelding ontvingen eisers vanaf november 2025 geen loon meer. Eisers vorderden in kort geding betaling van achterstallig loon, wettelijke verhoging en rente.
Gedaagden verschenen niet in de procedure, waardoor verstek werd verleend. De kantonrechter oordeelde dat eisers een spoedeisend belang hadden en dat hun vorderingen aannemelijk waren. De loonbetalingen waren onbetwist niet voldaan, waardoor toewijzing gerechtvaardigd was.
De kantonrechter veroordeelde gedaagden hoofdelijk tot betaling van het achterstallige loon, het loon tijdens ziekte zolang de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd, de wettelijke verhoging van 50% over het achterstallige loon en de wettelijke rente vanaf 26 januari 2026. Tevens werden de proceskosten aan gedaagden opgelegd.