Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
hierna te noemen: de verdachte
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 20 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging doodslag, bedreiging, vuurwapenbezit en vernieling op 1 juli 2024 in Hilversum.
De officier van justitie stelde dat verdachte gedeeltelijk moest worden vrijgesproken van poging doodslag, maar dat overige feiten wel bewezen konden worden. De verdediging bepleitte volledige vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat niet wettig bewezen kon worden dat verdachte aanwezig was op de plaats delict. De herkenning op camerabeelden was onbetrouwbaar en de verklaring van een getuige vond geen steun in andere bewijsmiddelen.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten. Tevens wees de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke werkstraf af, omdat verdachte werd vrijgesproken. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van mr. C. Van Wambeke en kinderrechters O. Böhmer en J.E.S. Dolmans.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende wettig bewijs.