ECLI:NL:RBMNE:2026:538

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4508
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:42 AwbArt. 8:88 AwbArt. 3:4 AwbArt. 27 IVRKArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing huisvestingsvergunning wegens niet voldoen aan voorwaarden sociale huurwoning

Eisers hebben een huisvestingsvergunning aangevraagd voor een sociale huurwoning in Utrecht, maar werden afgewezen omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden van de Huisvestingsverordening. De (schoon)zus die mantelzorg verleent en de ongeboren tweeling worden niet meegeteld voor het begrip 'huishouding'.

De rechtbank oordeelt dat eisers voldoende procesbelang hebben, ondanks dat hun tweeling inmiddels is geboren. De rechtbank stelt vast dat het college terecht heeft gehandeld door de (schoon)zus niet mee te tellen, omdat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en mantelzorg niet is aangetoond als langdurig. Ook de ongeboren tweeling kan niet worden meegeteld omdat de Huisvestingsverordening dit niet toestaat.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en de hardheidsclausule wordt verworpen. De rechtbank vindt dat het college een juiste afweging heeft gemaakt en dat het besluit niet onzorgvuldig of onvoldoende gemotiveerd is. Eisers krijgen geen schadevergoeding toegewezen omdat er geen sprake is van een onrechtmatig besluit.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de huisvestingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4508

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser en

[eiseres], eiseres, beiden uit [plaats] , (eisers)
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht

(gemachtigde: mr. M. Journée).

Inleiding

1. Eisers hebben een huisvestingsvergunning aangevraagd voor de sociale huurwoning aan [adres] in [plaats] (de huurwoning). Eisers willen daar gaan wonen met hun (schoon)zus.
1.1.
Met het besluit van 27 februari 2025 heeft de woningcorporatie, namens het college, eisers niet geaccepteerd als huurders voor de woning, omdat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor van de Huisvestingsverordening [1] en eisers daarom niet in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. Eisers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Met het bestreden besluit van 31 juli 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van huisvestingsvergunning gebleven.
1.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 12 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eisers zijn niet verschenen. Zij hebben de rechtbank bij brief van 7 november 2025 laten weten dat zij niet naar de zitting komen.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van procesbelang?
2. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eisers procesbelang hebben bij hun beroep. Het college stelt zich op het standpunt dat het procesbelang van eisers is komen te vervallen, omdat op 31 december 2025 hun tweeling is geboren, waarmee eisers alsnog voldoen aan de voorwaarden voor een huisvestingsvergunning voor een huurwoning voor drie of meer personen.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat eisers voldoende (proces)belang hebben bij de beoordeling van hun beroep, omdat zij tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij als gevolg van de besluitvorming, als deze onrechtmatig zou zijn, schade hebben. Eisers hebben in dat verband onweersproken gesteld dat zij nu meer kosten hebben dan wanneer zij eerder in 2025 naar een driepersoons huurwoning hadden kunnen verhuizen. Dat eisers hun gestelde schade niet met bewijsstukken hebben onderbouwd, is naar het oordeel van de rechtbank voor het aannemen van procesbelang niet doorslaggevend.
3. De rechtbank beoordeelt daarom of het bestreden besluit tot afwijzing van de huisvestingsvergunning voor eisers, rechtmatig is. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.
Heeft het college alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd?
4. Het college heeft op 4 september 2025 op verzoek van de rechtbank de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. Deze stukken zijn voor de rechtbank volledig en ook voldoende om het beroep van eisers te kunnen beoordelen. De rechtbank is van oordeel dat het college daarom heeft voldaan aan de verplichting van artikel 8:42, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het alsnog opvragen van de door eisers gewenste stukken, zoals de emailcorrespondenties tussen de bezwaarbehandelaar van het college en de Regionale Sociale Dienst en tussen de gemeente Utrecht en de woningcorporatie, en andere schriftelijke of digitale communicatie. Deze stukken heeft de rechtbank niet nodig om te beoordelen of het bestreden besluit rechtmatig is.
Voldoen eisers aan de voorwaarden voor een huisvestingsvergunning?
5. Eisers menen dat zij wel voldoen aan de voorwaarden voor een huisvestingsvergunning. Volgens eisers had het college de (schoon)zus moeten meetellen bij de samenstelling van het huishouden, omdat zij mantelzorger is voor eiser. Daarnaast had het college bij de norm al rekening kunnen en moeten houden met de aanstaande gezinsuitbreiding nu eiseres zwanger was van de tweeling. Andere woningcorporaties, zoals Centrada in Lelystad, staan inschrijving van ongeboren kinderen wel toe. Eisers menen dat daarom het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Het besluit is volgens eisers ook onzorgvuldig genomen en onvoldoende gemotiveerd.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eisers met hun registratie niet voldoen aan de voorrangsregels, omdat de (schoon)zus als ‘overige volwassene’, gelet op de definitie van het begrip ‘huishouden’ in de Huisvestingsverordening, niet behoort tot het huishouden van eisers en hierdoor niet kan meetellen voor de bezettingsnorm. Uitzonderingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld in het geval van mantelzorg, maar eisers hebben niet aangetoond dat daarvan blijvend sprake is. Aan het feit dat een woningcorporatie in Lelystad wel toestaat dat bij een zwangerschap vanaf vier maanden het ongeboren kind wordt toegevoegd als meeverhuizende, kunnen eisers volgens het college in dit geval geen rechten ontlenen, omdat die regel niet van toepassing is op de woonruimteverdeling in Utrecht. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel kan volgens het college daarom niet slagen. Het beroep van eisers op de hardheidsclausule slaagt volgens het college niet.
Meetellen (schoon)zus
6. De rechtbank is van oordeel dat het college de (schoon)zus van eisers voor de bezettingsnorm niet heeft hoeven meetellen, omdat geen sprake is het voeren van een duurzame gemeenschappelijk huishouding. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
6.1.
In artikel 1 van Pro de Huisvestingsverordening is het begrip ‘huishouden’ gedefinieerd als een of twee volwassen personen, plus eventuele inwonende kinderen, die een duurzame gemeenschappelijke huishouding voeren of willen voeren. Hierbij is er niet alleen sprake van het samen (willen) bewonen van een bepaalde woonruimte, maar ook van bewuste wederzijdse zorg en taakverdeling en de intentie om voor onbepaalde tijd met elkaar samen te wonen. Het college heeft in het bestreden besluit en op de zitting toegelicht dat op grond van de Huisvestingsverordening in beginsel wordt aangenomen dat een bewoner niet met iemand anders dan zijn partner, kinderen of ouders een duurzame huishouding kan voeren. Het college heeft in dat verband ook verwezen naar de informatie op de website van WoningNet [2] . Uit die informatie blijkt dat bij de inschrijving voor een sociale huurwoning ouders van de aanvrager kunnen worden toegevoegd aan het huishouden als de aanvrager hun mantelzorger is en dat andere familieleden (nichten, neven, broers, zussen, ooms, tantes), vrienden of kennissen niet worden toegevoegd. De (schoon)zus van eisers behoort op grond van de Huisvestingsverordening daarom niet tot het huishouden van eisers.
6.2.
De rechtbank leidt uit het standpunt van het college af dat de definitie van het begrip ‘huishouden’ in de Huisvestingsverordening ruimte laat voor uitzonderingen, bijvoorbeeld in het geval van mantelzorg. De rechtbank is van oordeel dat die uitzondering zich voor de (schoon)zus niet voordoet. Eisers hebben niet aangetoond dat sprake is van een langdurige samenwoning met hun (schoon)zus vanwege het verlenen van mantelzorg. Eisers hebben weliswaar gesteld dat de schoonzus mantelzorgtaken uitvoert voor eiser die zorgbehoevend is, maar zij hebben op geen enkele wijze onderbouwd welke mantelzorgtaken hun (schoon)zus verleend. Daarbij hebben eisers ook bij hun aanvraag voor de huisvestingsvergunning niet kenbaar gemaakt dat de (schoon)zus mantelzorger is voor eiser. Bovendien blijkt uit het bezwaarschrift dat het gaat om mantelzorg voor de periode gedurende de zwangerschap en kraamperiode van eiseres, wat naar zijn aard ook geen langdurige situatie is.
Meetellen ongeboren tweeling
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college evenmin is gehouden om de ongeboren tweeling van eiseres bij de bezettingsnorm mee te tellen als meeverhuizend gezinslid. De Huisvestingsverordening biedt hiervoor geen ruimte. Dat de woningbouwcorporatie in Lelystad bij een zwangerschap vanaf vier maanden het ongeboren kind wel toevoegt als meeverhuizende, betekent niet dat het college dat in het geval van eisers ook moet doen. Het college is gebonden aan de Huisvestingsverordening van de gemeente Utrecht en niet aan de regels die in Lelystad worden gehanteerd. Bovendien was eiseres ten tijde van het bestreden besluit nog geen vier maanden zwanger. Van gelijke gevallen is daarom geen sprake.
De hardheidsclausule
7. Eisers voeren aan dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. Eisers hebben in dat kader naar voren gebracht dat zij willen verhuizen naar Utrecht, omdat hun directe familieleden daar wonen. Eisers bevinden zich in een kwetsbare positie. Zij leven van een bijstandsuitkering en beschikken niet over eigen vervoer. Daarbij is eiser zorgbehoevend. In verband met de verwachte tweeling is het voor eisers van groot belang dat zij in acute situaties op familieleden kunnen terugvallen voor ondersteuning. Eisers zijn vanwege hun financiële beperkingen niet in staat om kort na de bevalling opnieuw te verhuizen.
7.1.
Op grond van de hardheidsclausule kan het college in bijzondere gevallen een artikel van de Huisvestingsverordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing ervan, gelet op het belang dat deze verordening beoogt te beschermen, tot onaanvaardbare hardheid zou leiden. De hardheidsclausule wordt slechts in uitzonderlijke gevallen toegepast. Er kan niet vooraf worden geconcretiseerd om welke gevallen en welke gevolgen het zal gaan.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college in wat eisers naar voren hebben gebracht geen bijzondere omstandigheden heeft hoeven zien om de hardheidsclausule toe te passen. Dat eisers willen verhuizen vanwege ondersteuning van familie, zodra de tweeling is geboren, betekent niet dat sprake is van een incidentele noodsituatie. De situatie van eisers is niet anders dan van veel andere personen in vergelijkbare gevallen. Eisers hebben ook niet concreet gemaakt dat de huidige woning ongeschikt is voor een gezin met twee kleine kinderen en een verhuizing daarom eerder noodzakelijk is. Het college heeft in het bestreden besluit verder terecht gesteld dat eisers, als de tweeling is geboren, op basis van de voorrangsregels binnen afzienbare tijd in aanmerking kunnen komen voor de gevraagde huisvestingsvergunning voor een grotere sociale huurwoning.
Evenredigheid
8. Volgens eisers is de weigering van de huisvestingsvergunning vanwege de nadelige gevolgen ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel van artikel 3:4 van Pro de Algemene wet Bestuursrecht (Awb).
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de weigering om de huisvestingsvergunning niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft uiteengezet dat de strikte toepassing van de voorrangsregels van de Huisvestingsverordening bijdraagt aan een rechtvaardige verdeling van de krappe woningmarkt in de gemeente Utrecht. Het college heeft aan dat met de weigering van de huisvestingsvergunning te dienen doel, een zwaarder gewicht mogen toekennen dan aan de nadelige gevolgen daarvan voor eisers. Daarbij heeft het college meegewogen dat als de kinderen zijn geboren, eisers alsnog voldoen aan de voorwaarden voor een sociale huurwoning voor drie of meer personen. Zover sprake is van nadelige gevolgen voor eisers, omdat zij voor de geboorte van hun kinderen nog niet kunnen verhuizen, zijn deze gevolgen dus van tijdelijke aard.
Internationale verdragen
9. Eisers voeren aan dat het besluit in strijd is met de rechten van het kind, gewaarborgd in artikel 27 van Pro het IVRK en artikel 8 van Pro het EVRM.
9.1.
Artikel 27 van Pro het IVRK bevat geen normen die vatbaar zijn voor rechtstreekse toepassing omdat zij niet voldoende concreet zijn. Deze normen behoeven dan ook nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving. Het beroep op dit artikel kan reeds daarom geen doel treffen.
9.2.
Van een inbreuk op artikel 8 van Pro het EVRM is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het doel van artikel 8 van Pro het EVRM is het individu te beschermen tegen willekeurige inbreuken door de overheid op het recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven. Aan het effectief respecteren daarvan kunnen positieve verplichtingen voor de overheid zijn verbonden. Daarom moet worden beoordeeld of in het besluit om een huisvestingsvergunning te weigeren een juist evenwicht is bereikt tussen de belangen van eisers en het algemeen belang van een rechtvaardige woonruimteverdeling. Uit het bovenstaande oordeel over de weigering van de huisvestigingsvergunning volgt dat er sprake is van een juist evenwicht tussen beiden belangen. De rechtbank voegt daaraan het volgende toe. Uit artikel 8 van Pro het EVRM vloeit niet voort dat het college ervoor moet zorgen dat eisers op het door hen gewenste moment in Utrecht moeten kunnen wonen. Eisers hebben ook op enkele manier onderbouwd dat het weigeren van de huisvestingsvergunning hen belemmert in het uitoefenen van hun (toekomstige) privé- of familieleven. Zij beschikken immers over woonruimte in Zeist. Evenmin is gebleken dat het college zich van de belangen van de (ongeboren) kinderen van eisers onvoldoende rekenschap heeft gegeven.
Conclusie
10. Uit het voorgaande volgt dat het college terecht heeft vastgesteld dat eisers niet voldoen aan de voorrangsregels en zij daarom niet in aanmerking komen voor een huisvestingsvergunning. Van een onzorgvuldig genomen of onvoldoende gemotiveerd besluit is naar het oordeel van de rechtbank ook geen sprake.
Verzoek om schadevergoeding 8:88 Awb
11. Eisers voeren aan dat zij psychische klachten hebben als gevolg van de trage besluitvorming en het handelen van de het college. Zij hebben last van stress, slecht slapen en maagproblemen. Eisers verzoeken daarom om schadevergoeding die ook de verhuiskosten dekt.
11.1.
Op grond van artikel 8:88 van Pro de Awb kan de bestuursrechter op verzoek van de belanghebbende een bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van - voor zover van belang - een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Van een onrechtmatig besluit is geen sprake. Het verzoek om schadevergoeding moet daarom worden afgewezen.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Zij krijgen daarom ook het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenvergoeding bestaat ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep is ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Huisvestingsverordening gemeente Utrecht.