ECLI:NL:RBMNE:2026:543

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
10837459 \ UC EXPL 23-8440
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 164 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Overeenkomst van opdracht met resultaatsverbintenis voor vrijlating broer

In deze civiele zaak stond centraal of tussen eiser en gedaagde een overeenkomst van opdracht met een resultaatsverbintenis was gesloten, waarbij gedaagde de broer van eiser in Syrië vrij zou krijgen. De kantonrechter stelde vast dat eiser voldoende bewijs had geleverd dat gedaagde een harde belofte had gedaan, ondersteund door getuigenverklaringen en Whatsapp-spraakberichten waarin gedaagde toezeggingen deed om het resultaat te behalen.

De kantonrechter oordeelde dat de culturele en religieuze context van de partijen de zwaarte van de belofte versterkte. Omdat gedaagde er niet in was geslaagd de broer vrij te krijgen, mocht eiser de overeenkomst buitengerechtelijk ontbinden. Vervolgens werd vastgesteld dat gedaagde diverse bedragen aan eiser verschuldigd was, waaronder een lening, contante betalingen en betalingen aan derden in opdracht van gedaagde.

Gedaagde slaagde er niet in te bewijzen dat hij reeds had terugbetaald. De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot terugbetaling van €6.200 plus wettelijke rente vanaf 29 november 2023, en tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot terugbetaling van €6.200 met rente en betaling van incasso- en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 10837459 \ UC EXPL 23-8440 RvdH/1037
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.E.W. Jansen,
tegen
[gedaagde],
wonende in [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 juni 2024,
- de akten van [eiser] en van [gedaagde] , waarin zij aangeven dat en op welke wijze zij invulling willen geven aan de bewijsopdrachten,
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 13 november 2024,
- de akte van [eiser] met producties 15 tot en met 18,
- de akte van [eiser] met productie 19,
- het proces-verbaal van het getuigenverhoor voor tegenbewijs van 8 september 2025, waaruit blijkt dat de opgeroepen getuigen niet zijn verschenen,
- de conclusies na enquête van beide partijen.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De beoordeling

2.1.
De vraag in deze zaak is of [eiser] en [gedaagde] een resultaat zijn overeengekomen, of dat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] zich alleen hoefde in te spannen om de broer van [eiser] vrij te krijgen.
De regels bij uitleg van de overeenkomst tussen [eiser] en [gedaagde]
2.2.
Om vast te stellen wat [eiser] en [gedaagde] hebben afgesproken, is een uitleg van de overeenkomst nodig. Het is vaste rechtspraak dat daarvoor niet alleen moet worden gekeken naar de tekst van de overeenkomst (als die op schrift is gesteld). Het is ook belangrijk wat partijen verder nog gezegd en gedaan hebben, en wat zij op grond daarvan van elkaar mochten verwachten. [1] Hierbij speelt ook een rol om wat voor partijen het gaat. De ene partij heeft bijvoorbeeld veel ervaring met het sluiten van bepaalde overeenkomsten, de andere doet dat bijna nooit. Dat alles moet bij de uitleg van een overeenkomst worden betrokken. Bovendien is niet alleen het gedrag rondom het sluiten van de overeenkomst van belang. Ook wat partijen na het sluiten van de overeenkomst gedaan hebben, kan een rol spelen bij het bepalen wat partijen zijn overeengekomen. [2]
Partijen hebben een resultaat afgesproken: [gedaagde] heeft beloofd de broer vrij te krijgen
2.3.
[eiser] is in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat [gedaagde] de belofte heeft gedaan dat hij de broer van [eiser] in Syrië vrij zou krijgen. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] is geslaagd in het leveren van dit bewijs en gaat
ervan uit dat [eiser] en [gedaagde] een resultaat zijn overeengekomen, namelijk dat [gedaagde] ervoor zou zorgen dat de broer daadwerkelijk werd vrijgelaten. Hierbij is het volgende relevant.
2.4.
[eiser] heeft – in aanvulling op het hierna nog te noemen bewijs – als getuige verklaard dat [gedaagde] heeft beloofd dat hij zijn broer vrij zou krijgen. Als het met de ene partij niet zou lukken, zou hij het via de andere doen. [gedaagde] heeft dat bij God beloofd, aldus [eiser] . [eiser] verklaarde ook dat [gedaagde] heeft gezegd dat het 100 procent goed zou gaan en dat het geld in Nederland zou blijven, tot hij zijn broer vrij kreeg. [eiser] heeft ook verklaard dat [gedaagde] in [land] heeft gewerkt en daar mensen vrij heeft kunnen krijgen, dat hij er ervaring mee had en dat hij iemand had gevonden die in Syrië werkt. [eiser] heeft verklaard dat dit zich afspeelde in maart en april 2023 en dat partijen in die tijd overleg hadden over hoe ze het gingen doen en wat het zou kosten.
2.5.
De verklaring van [eiser] past bij een aantal Whatsapp spraakberichten van [gedaagde] . In die berichten doet hij (indirect) toezeggingen dat hij ervoor zal zorgen dat de broer van [eiser] wordt vrijgelaten. Zo zegt hij in een van de berichten:
‘Bij God de grootste, je raakt niks kwijt. Ik zweer bij God dat je op het einde in de twee gevallen zult zeggen: bedankt. Ons werk is honderd procent volgens de regels. Ik zei tegen je dat ik weet dat je broer al lang…je hebt het me verteld…en ik zweer bij God dat ik hem nu niet aan zijn lot overlaat. Ik zweer het, ik verlaat hem niet.’.
2.6.
Tijdens het getuigenverhoor bleek dat er onduidelijkheid bestond over de zin
‘ons werk is honderd procent volgens de regels’. De tolk heeft bevestigd dat dit informele taal is. De tolk heeft op verzoek van partijen en de kantonrechter de zin vertaald en verklaard:
‘Uit het zinsverband blijkt dat wordt bedoeld “goed” en niet “volgens de regels”. Goed ziet in dit verband op met een bepaald resultaat’. Met ‘ons werk’ bedoelt [gedaagde] het vrij krijgen van de broer van [eiser] . [gedaagde] heeft dit niet betwist.
2.7.
In het hiervoor genoemde spraakbericht geeft [gedaagde] dus de garantie (in de vorm van een belofte) dat hij de broer zal vrij krijgen. In dit geval spelen de culturele achtergrond en de geloofsovertuiging van [eiser] en [gedaagde] een rol. [eiser] heeft gesteld (en tijdens het getuigenverhoor verklaard) dat een belofte bij God, een harde belofte is en dat zo’n belofte voor een gelovige zwaarder weegt dan een gewone belofte. [gedaagde] heeft dit niet betwist. De kantonrechter kent daarom veel gewicht toe aan het feit dat [gedaagde] zulke beloftes doet.
2.8.
Uit het volgende bericht kan bovendien worden afgeleid dat [gedaagde] – in tegenstelling tot [eiser] – kennelijk succesvolle ervaringen had met de procedure. Hij wist dus wat hij toezegde.
‘Met Gods Welzijn, ik help. Ik zei tegen je, zodra we gaan zitten, vertel ik je hoeveel mensen ik heb laten wegkomen. Op die manier. Bij God de grootste en soms…ik zweer bij God, mijn moeders schoot en de hoofden van mijn vier kinderen, ik betaal het eerst uit eigen zak en ik zeg tegen [A] dat het geen probleem is, het is bij God geen probleem.’
2.9.
[gedaagde] zegt ook dat [eiser] broer al vrij was geweest, als [eiser] er eerder over had verteld en dat er mensen in het buitenland zijn die precies doen wat hij vraagt:
‘Ik heb tegen je gezegd, ik zweer het bij God, als je eerder tegen me over je broer had verteld, dan was hij al weggekomen. Ik bedoel, met mijn relaties en vrienden…en zo…ik heb nu gepraat met degene die er middenin zit. Intern. Ik zei je, God verhoede, er zijn mensen van de [naam 1] beweging. Dat betekent dat hij precies doet wat ik vraag.’
2.10.
De kantonrechter is van oordeel dat al deze berichten samen en de verklaring van [eiser] voldoende weergeven dat de afspraak tussen partijen inhield dat [gedaagde] ervoor zou zorgen dat de broer van [eiser] vrij zou komen en niet dat hij daarvoor slechts zijn best zou doen. [eiser] zou dus pas betaling verschuldigd zijn, als het resultaat zou zijn behaald. Met andere woorden: als de broer van [eiser] zou zijn bevrijd.
[eiser] mocht de overeenkomst op 6 september 2023 buitengerechtelijk ontbinden
2.11.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat het [gedaagde] niet is gelukt om de broer van [eiser] vrij te krijgen. Hij is daardoor tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst. Dat betekent dat [eiser] op 6 september 2023 de overeenkomst buitengerechtelijk mocht ontbinden. De ontbinding van de overeenkomst van opdracht heeft tot gevolg dat [gedaagde] het bedrag dat [eiser] aan hem of voor hem heeft betaald, moet terugbetalen.
[gedaagde] moet [eiser] nog € 6.200,00 terugbetalen
2.12.
[eiser] vordert betaling van totaal € 6.200,00, bestaande uit € 700,00 uit hoofde van de geldleningsovereenkomst en € 5.500,00 uit hoofde van de overeenkomst van opdracht. De kantonrechter wijst deze vordering toe. [gedaagde] is daarover de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro verschuldigd met ingang van 29 november 2023 tot de voldoening. Hierna wordt ingegaan op de verschillende posten.
De geldlening van € 700,00 en het in bewaring genomen bedrag van € 3.000,00
2.13.
Tussen partijen staat vast dat [eiser] een lening van € 700,00 aan [gedaagde] heeft verstrekt en dat [gedaagde] € 3.000,00 in bewaring heeft genomen voor [eiser] .
2.14.
[gedaagde] is in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat hij € 3.700,00 aan [eiser] heeft terugbetaald, maar hij is daarin niet geslaagd. [gedaagde] heeft weliswaar als partijgetuige een gedetailleerde verklaring afgelegd, maar bewijs waarop die verklaring als aanvulling geldt, ontbreekt. Volgens artikel 164 lid 2 Rv Pro (oud recht) kan de verklaring van een partijgetuige geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De kantonrechter oordeelt daarom dat [gedaagde] dit bedrag nog aan [eiser] moet terugbetalen.
[eiser] heeft € 2.000,00 contant aan [gedaagde] betaald
2.15.
[eiser] slaagt in het leveren van bewijs van zijn stelling dat hij op 6 april 2023 € 2.000,00 contant aan [gedaagde] heeft betaald. Uit het Whatsappgesprek tussen [eiser] en [gedaagde] blijkt dat er op 6 april 2023 een afspraak is geweest bij het station in Apeldoorn. Er is op die datum een locatie in Apeldoorn gedeeld. De dag erna bevestigt [gedaagde] dat het geld bij zijn contactpersoon ligt. [gedaagde] heeft de inhoud van dit gesprek niet betwist. In aanvulling daarop heeft [eiser] tijdens het getuigenverhoor verklaard dat hij op 6 april 2023 een afspraak met [gedaagde] had om geld (€ 2.000,00) te overhandigen). [gedaagde] heeft deze stelling slechts in algemene bewoordingen betwist. [gedaagde] zal daarom ook dit bedrag aan [eiser] moeten terugbetalen.
[eiser] heeft voor [gedaagde] aan derden betaald
2.16.
[eiser] stelt dat hij in totaal € 2.500,00 aan derden heeft betaald in opdracht van [gedaagde] : € 500,00 via geldtransferkantoor [naam 2] en € 2.000,00 via geldtransferkantoor [naam 3] . Van die laatste overboeking was € 1.500,00 afkomstig van [gedaagde] en € 500,00 van [eiser] . Als komt vast te staan dat [eiser] deze overboekingen in opdracht van [gedaagde] heeft gedaan voor het vrij krijgen van zijn broer, dan zou [gedaagde] dus € 1.000,00 aan [eiser] moeten terug betalen.
2.17.
[gedaagde] betwist dat deze betalingen in zijn opdracht zijn verricht, maar de kantonrechter is van oordeel dat [eiser] voldoende heeft gesteld dat deze betalingen zijn verricht in opdracht van [gedaagde] en dat de betalingen zijn gedaan in het kader van de uitvoering van de overeenkomst van opdracht die hij met [gedaagde] sloot. [eiser] heeft dit tijdens zijn getuigenverhoor verklaard en heeft er in zijn akte na enquête terecht op gewezen dat zijn verklaring wordt ondersteund door de producties 5 en 7 bij de dagvaarding. Beide zijn (vertalingen van) whatsapp berichten tussen [eiser] en [gedaagde] .
2.18.
Uit productie 5 blijkt dat [gedaagde] op 8 mei 2023 aan [eiser] ID-gegevens en een telefoonnummer heeft geappt, plus de tekst:
“Hallo[naam 4] ”
[eiser] heeft terug geappt:
“ [B] , is dit zijn volledige naam?En het geld moet naar [naam 4] gestuurd worden?”
[gedaagde] heeft hierop gereageerd met:
“Even moment. Ja”
Daarna heeft [eiser] een transactiebevestiging aan [gedaagde] geappt, waaruit blijkt dat er € 500,00 (of $ 500,00) is overgeboekt naar [naam 4] in Syrië ten gunste van [B] . De betaling is gedaan via geldtransferkantoor [naam 2] . [gedaagde] heeft hierop gereageerd met: ‘’.
2.19.
Uit productie 7 blijkt dat [gedaagde] op 21 mei 2023 aan [eiser] heeft geappt:
“ [C]Istanbul – [locatie] ”
[eiser] heeft terug geappt:
“2000 dollar?”
[gedaagde] heeft in antwoord geappt:
“Ja”
en
“Het is noodzakelijk om van het verhaal af te ronden.Stuur het zodat we met [D] gaan praten.”
Vervolgens heeft [eiser] aan [gedaagde] een transactiebevestiging geappt, waaruit volgt dat hij op 21 mei 2023 om 12:10 uur $ 2.000,00 heeft overgeboekt naar of via [naam 3] . De begunstigde van die betaling was [E] en het adres Istanbul [locatie] .
2.20.
[gedaagde] heeft in zijn getuigenverklaring of in zijn akte na enquête niet meer gereageerd op dat wat [eiser] naar voren heeft gebracht over deze twee overboekingen via de geldtransferkantoren. Gelet op de vordering van [eiser] , wordt [gedaagde] veroordeeld tot terugbetaling van een deel van deze betalingen, ter grootte van € 1.000,00.
Conclusie
2.21.
[gedaagde] moet in totaal aan [eiser] betalen: € 700,00 (geldlening) + € 3.000,00 (in bewaring genomen bedrag ) + € 2.000,00 (geld overhandigd bij station Apeldoorn) + € 1.000,00 (per saldo overboekingen via geldtransferkantoren). Dit is in totaal € 6.700,00. Dit is meer dan is gevorderd door [eiser] , maar de kantonrechter kan niet meer toewijzen dan is gevorderd. Daarom wordt [gedaagde] veroordeeld tot betaling van € 6.200,00 plus rente (zie 2.12 hiervoor).
[gedaagde] moet de buitengerechtelijke incassokosten aan [eiser] betalen
2.22.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is (vanwege de eiswijziging) hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief, te weten € 685,00.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.23.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eiser] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- griffierecht
86,00
- salaris gemachtigde
1.440,00
(4 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
Totaal
1.670,00
2.24.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 6.885,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over € 6.200,00, met ingang van 29 november 2023, tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.670,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
3.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Dit is verkort weergegeven wat de Hoge Raad heeft bepaald in HR 13 maart 1981,
2.Dit is door de Hoge Raad bepaald: HR 12 oktober 2012,