ECLI:NL:RBMNE:2026:557

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3413
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.1 WhtArt. 2.1 WhtArt. 9.1 Wht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag kinderopvangtoeslag wegens te late indiening niet verschoonbaar

Eiseres diende op 24 december 2024 een aanvraag in voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag, na de uiterste datum van 31 december 2023. Dienst Toeslagen wees de aanvraag af wegens te late indiening, wat door eiseres werd bestreden met het argument dat zij niet tijdig op de hoogte was van de hersteloperatie en vanwege haar verblijf in België en gezondheidsproblemen.

De rechtbank oordeelde dat het niet op de hoogte zijn van de toeslagenaffaire en het feit dat eiseres in het buitenland woont, geen bijzondere omstandigheden vormen die een verschoonbare termijnoverschrijding rechtvaardigen. De ruime aanmeldperiode en de informatievoorziening via de website en media, ook in België, maken dat eiseres voldoende gelegenheid had zich aan te melden.

Daarnaast stelde eiseres dat het besluit in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, maar de rechtbank wees dit af omdat de wettelijke termijn onderdeel is van een formele wet en toetsing daaraan beperkt is. De wetgever heeft met een ruime termijn en een hardheidsclausule al rekening gehouden met bijzondere omstandigheden.

De rechtbank concludeerde dat de strikte toepassing van de aanmeldtermijn niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard en verklaarde het beroep ongegrond. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de afwijzing van de te late aanvraag kinderopvangtoeslag.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3413

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. P.W.E. Ros),
en

Dienst Toeslagen

(gemachtigden: [gemachtigde] ).

Inleiding

1. Eiseres heeft zich op 24 december 2024 bij Dienst Toeslagen aangemeld voor herbeoordeling van haar kinderopvangtoeslag. Deze uitspraak gaat over de vraag of Dienst Toeslagen heeft mogen weigeren om deze aanvraag in behandeling te nemen omdat de aanvraag te laat was ingediend. De uiterste datum waarop aanvragen om compensatie in de zin van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) konden worden ingediend was namelijk
31 december 2023.
1.1.
Dienst Toeslagen heeft de aanvraag met het besluit van 5 februari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is Dienst Toeslagen bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
1.2.
Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De zaak is behandeld op de zitting van 7 januari 2026 door middel van een Teams-beeldverbinding. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen de aanvraag op goede gronden niet in behandeling heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is de termijnoverschrijding verschoonbaar?
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat Dienst Toeslagen haar aanvraag in behandeling had moeten nemen, omdat zij goede redenen heeft gehad voor het te laat indienen daarvan. Eiseres voert aan dat zij niet op de hoogte was van de uiterste datum waarop zij zich kon aanmelden en dat zij niet op de hoogte was van de ontwikkeling in de toeslagenaffaire. Eiseres is sinds 2018 woonachtig in België en is hierdoor niet op de hoogte geraakt van informatie rondom de toeslagenaffaire. Eiseres heeft de afgelopen drie jaar veel moeten investeren in haar gezondheid. Zij heeft een heupprothese en kampt met de gevolgen daarvan.
3.1.
Uit artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) volgt dat een aanvraag voor compensatie in de zin van artikel 2.1, eerste lid, van de Wht, moet worden ingediend voor 1 januari 2024. Indien er sprake is van een bijzondere situatie die niet is te voorzien en waarin toepassing van artikel 6.1 van de Wht leidt tot een zeer onbillijke uitkomst, kan van deze termijn worden afgeweken op grond van de hardheidsclausule van artikel 9.1, eerste lid, van de Wht. In gevallen waarin er omstandigheden zijn die een geldige reden kunnen vormen voor een te late aanmelding, zal door Dienst Toeslagen worden gekeken of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.
3.2.
Voor de vraag of er in deze zaak sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, beoordeelt de rechtbank aan de hand van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) of er sprake is van actuele, schrijnende omstandigheden, zoals serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat eiseres niet op de hoogte was van de kinderopvangtoeslagaffaire en de mogelijkheid om compensatie aan te vragen niet als bijzondere omstandigheid kan worden aangemerkt en daardoor niet leidt tot verschoonbare termijnoverschrijding. Met het feit dat mogelijke slachtoffers van de kinderopvangtoeslagaffaire al in een lastige situatie zitten heeft de wetgever in algemene zin al rekening mee gehouden door een ruime aanmeldperiode te nemen van ongeveer drieënhalf jaar. De mogelijkheid om op grond van de Wht compensatie aan te vragen is veelvuldig en op verschillende manieren onder de aandacht van de burger gebracht, waarbij werd vermeld dat burgers zich tot 1 januari 2024 konden aanmelden via de website of telefoon. Ook in België is de toeslagenaffaire in het nieuws geweest en de informatie stond op de website van Dienst toeslagen. Verder heeft eiseres niet met documenten aangetoond dat zij wegens ziekte zowel fysiek als mentaal niet in staat was om zich op tijd aan te melden. Hoewel de situatie van eiseres moeilijk moet zijn geweest de afgelopen jaren, voldoet het niet aan de strenge eisen die de Afdeling stelt om een te late aanmelding toch in behandeling te nemen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank in de stellingen dat eiseres niet op de hoogte was en dat zij gezondheidsproblemen had, geen grond voor het oordeel dat de Dienst Toeslagen dit als bijzondere omstandigheden had moeten aanmerken.
Is het bestreden besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel?
4. Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.
4.1.
De rechtbank overweegt dat voor toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in beginsel geen ruimte is. Artikel 6.1, eerste lid, van de Wht, waarin is bepaald dat een aanvraag moet worden ingediend voor 1 januari 2024, is immers onderdeel van een wet in formele zin en mag daarom vanwege het toetsingsverbod niet aan het evenredigheidsbeginsel worden getoetst. Dit is slechts anders als zich bijzondere omstandigheden voordoen die niet volledig zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. In dit geval heeft de wetgever bewust gekozen voor een ruime aanmeldperiode van ongeveer drieënhalf jaar, om daarmee rekening te houden met persoonlijke omstandigheden. [1] Daarnaast heeft de wetgever ook middels artikel 9.1 van de Wht ruimte geboden om (in verdergaande mate) rekening te kunnen houden met bijzondere omstandigheden. De rechtbank is daarmee van oordeel dat de bijzondere omstandigheden waar eiseres zich op beroept, voldoende zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever. De rechtbank komt aan een evenredigheidstoetsing van artikel 6.1, eerste lid van de Wht dan ook niet toe.
5. De rechtbank komt tot het oordeel dat strikte toepassing van de aanmeldtermijn in het geval van eiseres niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de Dienst Toeslagen de aanvraag van eiseres niet in behandeling hoeft te nemen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.N.M. Rijlaarsdam, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
18 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Kamerstukken II, 2019 - 2020, 35468, nr. 11, p. 64.