De zaak betreft de vraag of Amerikaanse filmregisseurs en schrijvers recht hebben op een proportionele billijke vergoeding van Ziggo op grond van artikel 45d lid 2 van de Auteurswet. De eisende partijen, verenigd in vakbonden, stellen aanspraak te maken op deze vergoeding voor het uitzenden van hun filmwerken.
De rechtbank stelt vast dat de vraag wie als maker en auteursrechthebbende geldt, moet worden beoordeeld naar het recht van het land van oorsprong, hier het Amerikaanse recht. Volgens dit recht geldt het 'work made for hire'-principe, waarbij de filmproducent als rechthebbende wordt beschouwd en de filmmakers hun rechten niet zelf bezitten. Hierdoor is er geen overdracht van rechten aan de producent en ontstaat geen recht op vergoeding.
De rechtbank verwerpt ook het beroep op het overdrachtsvermoeden van artikel 45d lid 1 Aw, omdat partijen uitdrukkelijk anders zijn overeengekomen. Daarnaast leidt toepassing van het Unierecht en het assimilatiebeginsel van de Berner Conventie niet tot een andere uitkomst. De Amerikaanse filmmakers ontvangen via hun vakbonden reeds passende vergoedingen.
De vordering wordt afgewezen en de eisers worden veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank concludeert dat Ziggo niet gehouden is een proportionele billijke vergoeding te betalen aan de Amerikaanse filmmakers.