ECLI:NL:RBMNE:2026:578

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/16/588917 / HA ZA 25-99
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid en vergoeding herstelkosten lekkage woning

In deze civiele zaak vorderden eisers vergoeding van herstelkosten wegens lekkage in hun woning. In een tussenvonnis werd reeds vastgesteld dat gedaagden aansprakelijk zijn voor de noodzakelijke herstelkosten tot een maximum van €12.142,01, onder voorbehoud van mogelijke dubbeltellingen in de facturen.

De rechtbank oordeelde dat de facturen van de aannemer geen dubbeltellingen bevatten. De herstelwerkzaamheden betroffen verschillende delen van de gevel, waarbij onder meer het herstel van de loodslab en het voegen van een hoger gelegen muur werden onderscheiden. Ook de factuur van €8.470,00 voor later noodzakelijk geworden herstel werd als noodzakelijk erkend.

Daarnaast werden expertisekosten van €3.548,30 toegewezen, bestaande uit rapportage- en schadevaststellingskosten. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de dagvaarding, omdat de omvang van de schade toen nog niet volledig bekend was. Gedaagden werden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het totale bedrag van €15.690,31 plus rente en proceskosten van €4.605,96. Het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: Gedaagden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €15.690,31 plus wettelijke rente en proceskosten aan eisers.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/588917 / HA ZA 25-99
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van

1.[eiser sub1] ,

te [plaats 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
te [plaats 1] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
advocaat: mr. W. van Dijk ,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [plaats 2] ,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. F.P.W. Kralt.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025 en de daarin genoemde stukken
- de akte van [eisers] met producties 20 tot en met 22
- de akte van [gedaagden] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 5 november 2025 (hierna: het tussenvonnis) is geoordeeld dat [gedaagden] aansprakelijk is voor de noodzakelijk herstelkosten van de lekkage in de woonkamer van [eisers] . Beslist is dat van de gevorderde schadevergoeding van € 100.000,- een bedrag wordt toegewezen van maximaal € 12.142,01 aan door [eisers] aan de aannemer betaalde facturen. Dit bedrag kan lager worden, als blijkt dat de onderliggende facturen dubbeltellingen bevatten. [eisers] is in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld dit te verduidelijken. Wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist blijft staan. In aanvulling daarop beslist de rechtbank als volgt.
Geen sprake van dubbeltellingen in de facturen
2.2.
[eisers] heeft voldoende onderbouwd dat de aan de aannemer betaalde facturen geen dubbeltellingen bevatten en de daarin vermelde herstelkosten noodzakelijk waren. De rechtbank komt als volgt tot deze conclusie.
2.3.
Het onderzoek op 19 januari 2024 wees uit dat de loodslab van de woning van [eisers] niet goed aansloot op het binnenblad en dat de buitenmuur van de achtergevel heel vochtig was (tussenvonnis 3.10.3). Daarom heeft de aannemer van [eisers] op 31 januari 2024 twee offertes uitgebracht. Tijdens de mondelinge behandeling is besproken dat het ging om offertes voor:
  • het herstellen van de loodslab (offerte 202431010006, later gefactureerd onder factuurnummer 20241702008 voor € 4.222,28)
  • het opnieuw voegen van de muur, omdat de muur zo nat was dat de voegen niet meer goed waren (offerte 202431010007, later gefactureerd onder factuurnummer 20241702007
2.4.
Beide facturen betreffen dus herstelwerkzaamheden en zijn door [eisers] voldaan nadat de aannemer het werk had gedaan. De factuur van € 4.222,28 is vervolgens door [gedaagden] aan [eisers] vergoed. Die factuur staat op zichzelf niet ter discussie. Maar, volgens [gedaagden] worden in de andere factuur van € 3.882,01 deels dezelfde werkzaamheden gefactureerd als in de al betaalde factuur voor de loodslab, zodat dubbel wordt gerekend. Volgens [gedaagden] zijn die dubbele kosten geen noodzakelijke herstelkosten en hoeft hij die niet te vergoeden. De rechtbank volgt dit standpunt niet.
2.5.
De aannemer is op 13 februari 2024 met de geoffreerde herstelwerkzaamheden gestart. De loodslab is hersteld en de aannemer heeft geprobeerd de muren te voegen. Op de foto’s van de werkzaamheden van 13 februari 2024 (na de mondelinge behandeling door [eisers] overgelegd als productie 20) is een steiger te zien. Dat is relevant, omdat op de offerte 202431010007 een steiger is opgenomen. Gelet hierop ziet de offerte van € 3.882,01 op werkzaamheden waarvoor een steiger nodig was. Deze werkzaamheden kunnen naar het oordeel van de rechtbank géén betrekking hebben op het werk aan de loodslab, omdat de loodslab onderaan de muur ligt en deze dus niet met een steiger wordt bereikt. De rechtbank leidt hieruit af dat:
  • factuur 20241702008 het herstel van de loodslab en de drie rijen bakstenen daarboven omvat, en
  • factuur 20241702007 herstel omvat van het voegwerk van een ander (hoger gelegen) deel van de muur.
Dat de aannemer in een later overgelegde e-mail (productie 21 [eisers] ) noemt dat beide facturen zien op het herstel van de eerste drie rijden bakstenen, is kennelijk een vergissing.
2.6.
Dat de twee genoemde facturen zien op verschillende werkzaamheden vindt steun in de omschrijving van offerte 202431010006, waarin werkzaamheden zijn opgesomd die (alleen) te maken hebben met het herstellen van de loodslab, namelijk:
- Uithakken van de gevelstenen,
- Verwijderen van het oude lood
- Aanbrengen van het lood op het binnenblad
- Opmetselen van de gevel
- Voegen van het
herstelwerk
Ander voegwerk dan het voegen van het herstelwerk wordt hier niet genoemd, en dus ook niet het voegen van de achtergevel vanwege een natte muur waarop de tweede offerte ziet. Daarbij komt dat beide offertes (202431010006 en 202431010007) op dezelfde dag zijn opgemaakt en dat [eisers] de daaropvolgende facturen conform de offertes heeft betaald. Het is moeilijk voorstelbaar dat [eisers] beide facturen betaalt als dat werk aan zijn woning niet is uitgevoerd of feitelijk hetzelfde werk omvat. Dit is zeker zo omdat het gaat om aanzienlijke bedragen waarvan [eisers] toen geen zekerheid had dat [gedaagden] deze zou terugbetalen.
2.7.
Ook de laatste factuur met nummer 20240204012 van € 8.470,00 bevat geen dubbeltellingen met de twee hiervoor besproken facturen. Op 19 februari 2024 is nader onderzoek gedaan door [expertisebureau] en toen bleek dat verder herstel aan de gevel nodig was. Tijdens het herstel op 20 februari 2024 werd vervolgens duidelijk dat ook de isolatie van de woning nat was geworden, wat uiteindelijk het vervangen van de gevel noodzakelijk maakte. Er zijn dus eerst al kosten gemaakt voor herstel die achteraf bezien niet nodig waren als meteen al duidelijk was geweest dat de hele gevel vervangen moest worden. Maar, die duidelijkheid was er bij het eerste herstel nog niet en kwam pas gaandeweg, ná het onderzoek van [expertisebureau] . Het eerder herstelwerk is hiermee wel ongedaan gemaakt, maar dat betekent op zichzelf nog niet dat de al gemaakte herstelkosten destijds onnodig waren.
[gedaagden] moet € 12.142,01 betalen als noodzakelijke herstelkosten
2.8.
Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om te concluderen dat in de drie facturen dubbel is gefactureerd. Dit betekent dat het volledige gefactureerde en door [eisers] aan de aannemer betaalde bedrag van € 12.142,01 wordt toegewezen, zoals ook al is overwogen in het tussenvonnis in randnummer 3.15.
[gedaagden] moet € 3.548,30 betalen aan expertisekosten
2.9.
[gedaagden] moet ook de expertisekosten van € 3.548,30 betalen aan [eisers] . Dit bedrag bestaat uit:
  • € 1.730,30 voor het rapport van [expertisebureau]
  • € 1.355,00 kosten schadevaststelling door aannemer
  • € 463,00 kosten bijstand aannemer bij bezoek expert.
Op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek komen ook redelijke kosten voor het vaststellen van de schade voor vergoeding in aanmerking. Alle genoemde kosten zijn gemaakt en vallen daaronder. Het argument dat onderzoek van [expertisebureau] niet heeft bijgedragen aan de vaststelling van de schade is niet juist. Ook de aannemer heeft onderzoek gedaan naar de oorzaak van de lekkage en de natte gevelmuur. Daartegenover weegt niet zwaar genoeg dat op de facturen van de aannemer het woord
conceptstaat.
Over opheffen dwalingsnadeel en aftrek nieuw-voor-oud is in het tussenvonnis beslist
2.10.
Hoewel in het tussenvonnis uitdrukkelijk is overwogen dat partijen in de nadere schriftelijke akten zich uitsluitend konden uitlaten over de mogelijke dubbeltellingen de facturen (randnummer 3.20), hebben partijen ook het volgende naar voren gebracht. [eisers] stelt in de aanvullende akte dat niet is beslist op zijn betoog over het dwalingsnadeel dat hij stelt te hebben geleden. Dat is onjuist. In het tussenvonnis is in randnummer 3.17 overwogen dat dit beroep wordt gepasseerd en waarom. [gedaagden] stelt in de antwoordakte op zijn beurt dat nog niet is beslist over een correctie nieuw-voor-oud. Ook dit is onjuist. In het tussenvonnis in randnummer 3.11 onderaan pagina 6 is beslist dat die correctie niet wordt toegepast en is uitgelegd waarom.
Buitengerechtelijke incassokosten niet gevorderd
2.11.
[eisers] stelt in de dagvaarding dat buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, maar verbindt daaraan geen vordering. De beoordeling hiervan is dus niet nodig.
Wettelijke rente wordt toegewezen
2.12.
De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding. Na eiswijziging eist [eisers] wettelijke rente vanaf 2 februari 2024 in plaats van de datum van het vonnis zoals eerst gevorderd. Maar, toen was [gedaagden] nog niet in verzuim. Op die datum heeft [gedaagden] wel gezegd niet te willen betalen, maar later heeft hij alsnog een betaling gedaan. In het tussenvonnis is uiteengezet dat pas bij het openmaken van de muur op 19 februari 2024, tijdens het onderzoek door [expertisebureau] , duidelijk werd wat de echte oorzaak van de lekkage was. Op 2 februari 2024 was de volledige omvang van de noodzakelijke herstelkosten dus nog niet bekend. Om die reden sluit de rechtbank aan bij de datum van de dagvaarding.
Proceskosten voor rekening van [gedaagden]
2.13.
[gedaagden] is in een belangrijke mate in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Voor de begroting van het salaris van de advocaat gaat de rechtbank uit van het toegewezen bedrag. De proceskosten van [eisers] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
137,46
- griffierecht
2.723,00
- salaris advocaat
1.556,50
(1 punt kantontarief: € 577,00 en 1,5 punt × handeltarief € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.605,96
Hoofdelijke veroordeling
2.14.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 15.690,31, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van de datum van de dagvaarding tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 4.605,96, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door C.A.J. van Yperen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
4197

Voetnoten

1.in het tussenvonnis (randnummer 3.9) is dit factuurnummer onjuist vermeld. Daar staat als factuurnummer 20241702008 terwijl dat 20241702007 moet zijn.