ECLI:NL:RBMNE:2026:581

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/16/583165 / HA ZA 24-534
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BWArt. 6:119 BWArt. 1019h Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Auteursrechtinbreuk op zool van slippers vastgesteld en inbreukmaker veroordeeld

Einstein Shoes B.V. vordert in deze procedure dat Shoes4all B.V. wordt veroordeeld wegens inbreuk op het auteursrecht op de zool van haar slipper, de Dewi Outsole. De rechtbank stelt vast dat Einstein voldoende heeft onderbouwd dat de matrijs voor de zool is gemaakt op basis van het eigen ontwerp van Einstein, ondanks enkele verschillen en het ontbreken van een blueprint. De zool is commercieel geëxploiteerd via verkoop bij Kruidvat, waardoor aan het openbaarmakingsvereiste is voldaan.

Shoes4all heeft de zool vrijwel identiek gebruikt, wat de rechtbank kwalificeert als inbreuk op het auteursrecht van Einstein. De vorderingen van Einstein tot staking van inbreuk, vernietiging van voorraad en schadevergoeding worden toegewezen, waarbij de dwangsommen worden gematigd. De tegenvorderingen van Shoes4all wegens onterecht uit de markt halen worden afgewezen omdat de inbreuk vaststaat.

De proceskosten worden toegewezen aan Einstein, met een maximum van €8.000 aan advocaatkosten conform indicatietarieven in IE-zaken. De rechtbank veroordeelt Shoes4all tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. J.G. van Ommeren op 11 februari 2026.

Uitkomst: Shoes4all maakt inbreuk op het auteursrecht van Einstein en wordt veroordeeld tot staking, vernietiging van voorraad, schadevergoeding en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/583165 / HA ZA 24-534
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
EINSTEIN SHOES B.V.,
te Drunen,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Einstein,
advocaat: mr. P.M. Baijense,
tegen
SHOES4ALL B.V.,
te Abcoude,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Shoes4all,
advocaat: mr. Y. Moszkowicz.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 2 juli 2025,
- de akte na tussenvonnis van 27 augustus 2025 van Einstein,
- de antwoordakte na tussenvonnis van 24 september 2025 van Shoes4all,
- de akte uitlaten van 22 oktober 2025 van Einstein,
- de antwoordakte van 12 november 2025 van Shoes4all.
1.2.
Ten slotte is eindvonnis bepaald.

2.De kern

2.1.
In het tussenvonnis van 2 juli 2025 is beslist dat er in beginsel een auteursrecht ligt op de Slipper van Einstein en dat Shoes4all in principe inbreuk op dit auteursrecht maakt. Einstein heeft een akte mogen nemen om de stelling nader te onderbouwen dat de matrijs die in China gebruikt is om de zool van de Slipper te maken, gemaakt is op basis van de ontwerptekening van de Dewi Outsole. In dit eindvonnis oordeelt de rechter dat Einstein deze stelling voldoende onderbouwd heeft. Dat betekent dat er een auteursrecht ligt op de Slipper van Einstein en dat Shoes4all hier inbreuk op maakt. De meeste vorderingen van Einstein worden toegewezen. De tegenvorderingen van Shoes4all worden afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.

3.De verdere beoordeling

in conventie
Het tussenvonnis gaf geen bewijsopdracht
3.1.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Shoes4all aangevoerd dat de door Einstein overgelegde ontwerptekening afwijkt van het uiteindelijke product en dat het mogelijk is dat Einstein een standaard matrijs uit China heeft gebruikt. In dat geval zou Einstein geen auteursrecht op de Slipper hebben. Einstein had op dat moment nog geen gelegenheid gehad om op dit verweer te reageren omdat het een nieuw standpunt van Shoes4all was wat tijdens de mondelinge behandeling voor het eerst naar voren kwam. De rechtbank heeft Einstein daarom de mogelijkheid geboden om dit punt nader te onderbouwen via een akte. Het gaat hier om de fase van stellen en onderbouwen, niet om de fase van bewijslevering zoals miskend wordt door Shoes4all. Einstein heeft de gevraagde nadere onderbouwing gegeven.
De matrijs van de Slipper is gebaseerd op de ontwerptekening van Einstein
3.2.
Uit de overgelegde correspondentie en verklaringen van Einstein blijkt dat de ontwerper, mevrouw [A] , tijdens de ontwerpfase meerdere aanpassingen heeft doorgevoerd die door de fabriek via de trader zijn opgepakt. De ontwerper had contact met de trader in China, die vervolgens het contact met de fabrikant onderhield. Op basis van deze aanpassingen is een wooden mould (een proefmal voor de definitieve mould) gemaakt en ter goedkeuring aan [A] gestuurd. [A] heeft deze wooden mould goedgekeurd. Hiermee staat vast dat de wooden mould door [A] is aanvaard als een uitvoering van haar ontwerp. Dat het uiteindelijke product op onderdelen afwijkt, neemt niet weg dat de mould waarop de verdere productie is gebaseerd, met instemming van [A] tot stand is gekomen. De door Shoes4all gesignaleerde verschillen geven daarom op zichzelf onvoldoende aanleiding om te concluderen dat de matrijs niet op het ontwerp is gebaseerd, mede gelet op de aanpassingen die tijdens de ontwerpfase zijn doorgevoerd. Ook vindt Shoes4all dat de aanpassingen op het ontwerp door [A] minimaal zijn en passen bij het aanpassen van een bestaand model waardoor er geen sprake zou zijn van een nieuw ontwerp. Dat de wijzigingen door [A] in de correspondentie mogelijk beperkt zijn, betekent niet dat geen sprake is van een eigen ontwerp dat als uitgangspunt heeft gediend voor het maken van de matrijs. Daarbij is van belang dat Einstein, ter onderbouwing van haar standpunt dat de matrijs op basis van het ontwerp van [A] is gemaakt, een verklaring van de trader heeft overgelegd in productie 36. Deze verklaring wordt ondersteund door een bijlage waarin een e-mail te zien is van 31 oktober 2020 van de trader aan de fabriek waarin staat:
‘The attachment is the design draft for the new midsole/outsole/side wall for 102110065/102110068. Please make the mold bases on this. Thank you!’
De bijlage in deze e-mail bevat de ontwerptekeningen van [A] . Shoes4all heeft de waarde van deze verklaring in twijfel getrokken omdat deze een paar jaar na de relevante gebeurtenissen is opgesteld en de trader een zakelijke relatie wil behouden met Einstein.
Omdat de verklaring van de trader wordt ondersteund door een destijds verzonden e-mail aan de fabriek, ziet de rechtbank geen reden om aan de verklaring van de trader voorbij te gaan.
3.3.
Tot slot neemt de rechtbank in aanmerking dat het gebruik van een wooden mould als proefmodel voorafgaand aan de definitieve matrijs past bij de ontwikkeling van een eigen matrijs. Als gebruik zou zijn gemaakt van een standaardmatrijs, zou het maken van een wooden mould geen toegevoegde waarde hebben gehad.
3.4.
Shoes4all heeft daarnaast een punt gemaakt van de chronologie, met name over de datum van de definitieve ontwerptekening, die na het verzoek tot het maken van de matrijs ligt. Op 5 november 2020 is de definitieve opdracht gegeven aan de fabriek voor het maken van de matrijs terwijl op 12 november 2020 pas het ontwerp door [A] definitief is gemaakt. Einstein heeft een verklaring van [A] overgelegd waarin [A] heeft toegelicht dat zij de ontwerptekeningen naar zichzelf stuurt om ze van een datum te voorzien. Dat betekent niet dat de ontwerptekeningen pas op dat moment zijn gemaakt. De rechtbank vindt deze uitleg logisch.
3.5.
Verder heeft Shoes4all opgemerkt dat er geen blueprint aanwezig is, het technische document dat het ontwerp naar het product vertaalt. Einstein heeft uitgelegd dat de blueprint een rol speelt tussen de trader en de fabriek en niet tussen Einstein en de trader. Einstein heeft nog nagevraagd bij de trader of de blueprint te achterhalen was, maar de trader heeft verklaard dat de blueprint al is weggegooid. Dat de blueprint ontbreekt, doet niet af aan de beoordeling. In het tussenvonnis is niet geoordeeld dat Einstein de volledige productieketen tot in detail moet bewijzen, maar dat Einstein nader onderbouwt dat de matrijs op basis van de ontwerptekeningen is gemaakt. Aan deze onderbouwing kan ook voldaan worden met andere stukken en verklaringen, wat Einstein heeft gedaan. Het ontbreken van de bleuprint staat daarom niet in de weg aan de conclusie van de rechtbank.
De zool van Einstein is op de markt gebracht
3.6.
Shoes4all heeft aangevoerd dat de Slipper niet openbaar gemaakt is omdat de Slipper nooit op de Nederlandse markt gebracht is. De rechtbank kan als onweersproken vaststellen dat de zool (de Dewi Outsole) waarop Einstein zich beroept, eerder afzonderlijk verkocht is bij Kruidvat. Dat geldt niet voor de combinatie van deze zool met de door Einstein gebruikte upper. Deze combinatie, behorend tot het merk Picnic, is uiteindelijk niet aan een partij in Nederland verkocht en als volledige Slipper in het Nederlandse handelsverkeer verschenen.
3.7.
Dit onderscheid is niet doorslaggevend voor de vraag of Shoes4all inbreuk maakt op de Slipper van Einstein. Het staat vast dat Shoes4all exact dezelfde zool heeft gebruikt. Dat Shoes4all heeft gewezen op het ontbreken van een openbaarmaking van de Slipper, doet daar niet aan af. Aan het openbaarmakingsvereiste is namelijk voldaan. De zool – die veel meer originele kenmerken vertoont dan de upper – is commercieel geëxploiteerd doordat deze via Kruidvat aan het publiek ter beschikking is gesteld. Daarmee is sprake van een mededeling aan het publiek. Daarnaast is de combinatie van de zool met de fluffy upper aangeboden aan een groep potentiële inkopers van grotere marktpartijen zoals Dirk van den Broek en Action. Beide omstandigheden maken dat de Slipper publiekelijk beschikbaar is gesteld.
Conclusie
3.8.
De rechtbank oordeelt dat Einstein met bovenstaande uitleg en stukken voldoet aan het tussenvonnis. Einstein heeft haar stelling dat de matrijs is gemaakt op basis van de ontwerptekening en dat er geen standaard matrijs is gebruikt zodanig onderbouwd dat de rechtbank tot de zelfde vaststelling kan komen. De rechtbank stelt definitief vast dat er een auteursrecht rust op de Slipper en dat de slipper van Shoes4all daar inbreuk op maakt omdat deze vrijwel volledig identiek is. Ook al is de beschermingsomvang beperkt, de zool van de slipper van Shoes4all is precies hetzelfde als de zool van Einstein, deze is in China immers onterecht als “rechtenvrije” zool aan Shoes4All aangeboden.
De vorderingen
3.9.
Omdat er sprake is van een inbreuk op het auteursrecht van Einstein, heeft Einstein belang bij de gevorderde verklaring voor recht (vordering 1) waardoor deze vordering wordt toegewezen. Dat geldt ook voor het gevorderde inbreukverbod (vordering 2). Wel wordt de dwangsom verlaagd zoals vermeld in de beslissing (vordering 3).
3.10.
De vierde vordering van Einstein, die ziet op het opgave doen van – kort gezegd – de hoeveelheid slippers die zijn verkocht inclusief prijs, wordt afgewezen. In randnummer 78 t/m 82 in de conclusie van antwoord in conventie van Shoes4all, wordt precies uitgelegd hoeveel slippers er zijn besteld en niet zijn verkocht, inclusief de prijzen. Partijen zijn bekend met de gezamenlijke Chinese leverancier en de slippers zijn slechts ten behoeve van één actie van één klant van Shoes4All geïmporteerd, te weten Dirk van den Broek. De rechtbank heeft geen reden om aan de mededelingen van Shoes4All in de conclusie van antwoord te twijfelen. Ook voorafgaand aan de procedure heeft Shoes4All geen informatie achter willen houden. Daarom ontbreekt het belang van Einstein bij deze vordering (artikel 3:303 Burgerlijk Pro Wetboek).
3.11.
Einstein vraagt verder om een verwijzing naar een schadestaatprocedure om de geleden schade op te maken (vordering 5). De Hoge Raad acht voor een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat voldoende dat eiser de mogelijkheid dat schade is geleden aannemelijk heeft gemaakt. Omdat Shoes4all inbreuk heeft gemaakt op het auteursrecht van Einstein en omdat Einstein heeft toegelicht dat Action geklaagd heeft omdat de zool bij Dirk van den Broek verkocht werd voor een lagere prijs, is het aannemelijk dat Einstein schade heeft geleden. Deze vordering wordt daarom toegewezen.
3.12.
De vordering van Einstein dat Shoes4all binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de gehele voorraad inbreukmakende producten moet vernietigen, wordt ook toegewezen omdat er sprake is van een inbreuk (vordering 6). De gevorderde dwangsom wordt wel verlaagd (vordering 7). De dwangsom ziet namelijk ook op vordering 4, die in overweging 3.10 wordt afgewezen. Het vernietigen van de inbreukmakende producten is een eenmalige actie. Daarom wordt de dwangsom verlaagd naar een eenmalig bedrag van € 25.000 als Shoes4all de vordering niet nakomt.
in reconventie
De vorderingen van Shoes4all worden afgewezen
3.13.
Shoes4all vordert in reconventie schadevergoeding voor het onterecht uit de markt halen van de slippers. Shoes4all zou daarom omzet hebben misgelopen. Uit het voorgaande blijkt dat Shoes4all inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Einstein met het in de markt brengen van deze slipper. Dat betekent dat Shoes4all terecht de slippers uit de markt heeft gehaald. De vorderingen in reconventie worden daarom afgewezen.
in conventie en in reconventie
De proceskosten
3.14.
Shoes4all zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie en in reconventie worden veroordeeld. Einstein vordert een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rechtsvordering (hierna: Rv). Einstein heeft een kostenoverzicht overgelegd van € 16.342,08 in conventie en reconventie.
3.15.
Aan de toegewezen vorderingen ligt de vastgestelde auteursrecht inbreuk ten grondslag. Hieruit volgt dat deze procedure gaat over de handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Daarom wordt de proceskostenveroordeling gegrond op artikel 1019h Rv. Bij de vaststelling van de redelijke en evenredige kosten ex artikel 1019h Rv gaat de rechtbank uit van de Indicatietarieven in IE-zaken. Deze zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘eenvoudige bodemzaak met een maximumtarief van € 8.000,-’. Voorafgaand aan de procedure was namelijk al door partijen vastgesteld dat Shoes4all per ongeluk een product uit een schap heeft gepakt wat niet rechtenvrij was. Omdat de vorderingen in conventie en reconventie met elkaar samenhangen en over dezelfde discussie gaan, geldt het indicatietarief voor de conventie en reconventie samen. De gevorderde advocaatkosten worden daarom tot het maximumtarief van € 8.000,- toegewezen en het resterende deel van de gevorderde advocaatkosten wordt afgewezen.
3.16.
De rechtbank begroot de proceskosten in conventie en reconventie op:
- kosten van de dagvaarding
115,22
- griffierecht
688,00
- salaris advocaat
8.000,00
- nakosten
271,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
9.074,22

4.De beslissing

De rechtbank
in conventie
4.1.
verklaart voor recht dat Shoes4all met haar inbreukmakende slippers inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten van Einstein ter zake van de Slipper,
4.2.
beveelt Shoes4all om met onmiddellijke ingang iedere inbreuk op de rechten van Einstein te staken en gestaakt te houden, in het bijzonder door in Nederland de vervaardiging, de verhandeling en/of distributie, de verkoop en/of promotie van slippers die inbreuk maken op de exclusieve auteursrechten van Einstein ter zake van de Slipper te staken en gestaakt te houden,
4.3.
veroordeelt Shoes4all tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500 (vijfhonderd euro) per dag (een gedeelte van een dag voor een gehele gerekend), dan wel ter keuze van Einstein, van € 25 (vijfentwintig euro) per product dat in strijd met veroordeling 4.2 is aangeboden of verhandeld, waarbij de in totaal te verbeuren dwangsom wordt gemaximeerd op € 25.000 (vijfentwintigduizend euro),
4.4.
veroordeelt Shoes4all tot vergoeding van de schade door Einstein geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening,
4.5.
beveelt Shoes4all om binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis de gehele voorraad inbreukmakende producten en enige vorm van reclamemateriaal, na overleg met de advocaat van Einstein over een exacte datum en tijd, onvoorwaardelijk ter vernietiging af te geven aan Einstein in haar bedrijfspand aan de [straat] te ( [postcode] ) Drunen,
4.6.
veroordeelt Shoes4all tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 500,- (vijfhonderd euro) per dag dat de veroordeling genoemd onder 4.5 wordt overtreden, met een maximum van € 25.000,- (vijfentwintigduizend euro),
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
4.8.
wijst de vorderingen van Shoes4all af,
in conventie en in reconventie
4.9.
veroordeelt Shoes4all in de proceskosten van € 9.074,22, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 90,00 plus de kosten van betekening als Shoes4all niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.10.
veroordeelt Shoes4all tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.11.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. van Ommeren en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
LLO 5719