ECLI:NL:RBMNE:2026:584

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
11942550 \ MC EXPL 25-5934
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering betaling bemiddelingskosten wegens beëindigde overeenkomst

In deze zaak vordert een bemiddelingsbureau betaling van bemiddelingskosten van een zelfstandige zorgverlener voor de maand januari 2025. De zorgverlener had de bemiddelingsvergoeding niet betaald en betwistte de vordering omdat de overeenkomst tussen partijen per 1 januari 2025 was beëindigd.

De kantonrechter stelt vast dat de zorgverlener geen consument is, maar een zelfstandige zonder personeel, waardoor consumentenrechtelijke bepalingen niet van toepassing zijn. De vordering van het bemiddelingsbureau is gebaseerd op een lopende overeenkomst, maar uit de stukken blijkt dat deze overeenkomst per 1 januari 2025 is beëindigd.

Omdat er geen lopende overeenkomst meer was in januari 2025, is de zorgverlener geen bemiddelingskosten verschuldigd. De kantonrechter wijst daarom de hoofdsom en de nevenvorderingen, zoals incassokosten en rente, af. De proceskosten worden aan de zorgverlener toegewezen, maar deze zijn nihil omdat geen kosten zijn gemaakt.

Uitkomst: De vordering tot betaling van bemiddelingskosten wordt afgewezen wegens beëindiging van de overeenkomst per 1 januari 2025.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11942550 \ MC EXPL 25-5934
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Bazuin & Partners gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 23 oktober 2025 met producties 1 tot en met 3;
- de conclusie van antwoord met bijlagen;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek met bijlage.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat vandaag de uitspraak is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] is een bemiddelingsbureau die zorgafnemers in contact met zorgverleners brengt. [gedaagde] is een zelfstandige zonder personeel op het gebied van (thuis)verpleging, verzorging en/of ouderenzorg. Tussen partijen heeft een overeenkomst van opdracht bestaan. [gedaagde] heeft [eiseres] opdracht gegeven om haar in contact te brengen met zorgafnemers. In ruil daarvoor betaalde [gedaagde] aan [eiseres] een bemiddelingsvergoeding. [gedaagde] heeft de bemiddelingsvergoeding voor de maand januari 2025 van € 72,60 niet betaalt. [eiseres] wil dat [gedaagde] de bemiddelingskosten, met rente en kosten, alsnog betaalt. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering van [eiseres] . De kantonrechter geeft [gedaagde] gelijk. De vordering van [eiseres] wordt afgewezen.

3.De beoordeling

Consumentenrechtelijke bepalingen zijn niet van toepassing

3.1.
Weliswaar heeft [eiseres] in haar dagvaarding gesteld dat [gedaagde] heeft gehandeld als consument, echter uit de overeenkomst van opdracht blijkt dat [gedaagde] geen consument is. Immers, in de overeenkomst van opdracht staat onder ‘
In aanmerking nemende: Zorgverlener (lees: [gedaagde] ) werkzaam is als zelfstandige zonder personeel op het gebied van (thuis)verpleging verzorging en/of ouderenzorg;’. [gedaagde] is een zelfstandige zonder personeel en dus geen consument. Daarom zijn de consumentenrechtelijke bepalingen niet van toepassing op de overeenkomst tussen partijen.
[gedaagde] hoeft de bemiddelingskosten van € 72,60 niet te betalen
3.2.
[eiseres] meent dat [gedaagde] de bemiddelingskosten voor de maand januari 2025 moet betalen. [gedaagde] is het daar niet mee eens. Immers, [eiseres] heeft zelf gesteld dat de overeenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2025 al is beëindigd en dat [gedaagde] in januari 2025 niet voor [eiseres] heeft gewerkt. Nu zij in januari 2025 kennelijk niet voor [eiseres] heeft gewerkt, is zij [eiseres] de gevorderde bemiddelingskosten ook niet verschuldigd, aldus [gedaagde] .
3.3.
Dit verweer van [eiseres] slaagt. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de gevorderde bemiddelingskosten voor de maand januari 2025 niet aan [eiseres] hoeft te betalen en wel om het volgende.
3.4.
[eiseres] heeft in haar conclusie van repliek gesteld dat [gedaagde] de overeenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2025 heeft beëindigd. De kantonrechter maakt daaruit op dat er tussen partijen daarom met ingang van 1 januari 2025 geen lopende overeenkomst meer bestond. [eiseres] heeft echter haar vordering gebaseerd op een lopende overeenkomst op grond waarvan [gedaagde] haar de bemiddelingskosten verschuldigd zou zijn. De vordering ziet namelijk op de bemiddelingskosten in de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025. Onduidelijk is waarom [gedaagde] – als de overeenkomst tussen partijen per 1 januari 2025 is beëindigd zoals [eiseres] stelt – over de maand januari 2025 nog een bemiddelingsvergoeding aan [eiseres] is verschuldigd. [eiseres] heeft dit niet toegelicht. De vordering van [eiseres] wordt als onvoldoende onderbouwd daarom afgewezen.
De nevenvorderingen worden ook afgewezen
3.5.
Omdat de hoofdsom is afgewezen, worden ook de nevenvorderingen die zien op de buitengerechtelijke incassokosten en de verschenen rente afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten van [gedaagde] betalen
3.6.
[eiseres] wordt als de partij die geen gelijk krijgt in de proceskosten veroordeeld. Deze kosten worden aan de kant van [gedaagde] vastgesteld op nihil, omdat van kosten niet is gebleken.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. van Wegen en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
HHt/37278
.