Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
1.Het verdere verloop van de procedure
- de akte houdende uitlating producties van [eiseres] met producties 20 en 21
- de akte van [eiser] .
2.De verdere beoordeling
RECREATIEF GEBRUIK
II. Met betrekking tot bestaande kettingbedingen, kwalitatieve verplichtingen
11. Volgens de huidige overheidsbepalingen is / zijn de opgerichte dan wel nog op te richten recreatieverblijven uitsluitend bestemd voor recreatief gebruik en mag / mogen deze niet voor permanente bewoning worden gebruikt dan wel ingebruik worden gegeven. Een eigenaar of gebruiker, met een aannemelijk hoofdverblijf elders, dient zich te houden aan de terzake door de overheid gegeven en in de toekomst te geven voorschriften, waarbij geen juridische of welke andere bijstand door de verkoper zal worden verleend. Een eigenaar
17. Onverminderd het bepaalde in dit reglement is iedere eigenaar of gebruiker
2.8. Bij de uitleg van overeenkomsten dient de zogenoemde Haviltex-maatstaf te worden gehanteerd. Dit komt erop neer dat de vraag wat partijen hebben afgesproken niet alleen kan worden beantwoord op grond van een taalkundige uitleg van de bepalingen van de overeenkomst. Voor beantwoording van voornoemde vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1982, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Van beslissende betekenis zijn alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen. Daarbij kunnen ook de omstandigheden van belang zijn die zich hebben voorgedaan na de totstandkoming van de overeenkomst, mede omdat daaruit kan worden afgeleid wat partijen hebben bedoeld.
recreatiewoning en het in de akte van levering genoemde ‘recreatief gebruik’ brengen ook met zich dat de recreatiewoning niet als permanente woning mag worden gebruikt. Zoals in de akte van levering is bepaald, ook bij de definitie van ‘eigenaar’ (zie hierboven in r.o 2.6.1.), dient [eiser] een ‘aannemelijk hoofdverblijf elders’ te hebben. Daaraan voldoet hij naar de mening van [eiseres] niet door zich enkel in te schrijven op het adres van zijn dochter terwijl hij dat adres helemaal niet of bijna nooit als woonruimte gebruikt. Dat heeft [eiseres] hem ook kenbaar gemaakt. Bovendien bepaalt het huishoudelijk reglement expliciet dat permanente bewoning van de recreatiewoning niet is toegestaan, zonder dat daarbij enige koppeling met of verwijzing wordt gemaakt naar overheidsregels. In dat reglement staat verder dat er gedurende een periode van vijf maanden geen overnachtingen plaatsvinden. Uit die bepalingen kan worden afgeleid dat bewoning van de recreatiewoning gedurende 365 dagen per jaar, zoals [eiser] al sinds 2006 doet, niet is toegestaan. In de koopovereenkomst is bepaald dat het huishoudelijk reglement daarvan onderdeel uitmaakt en [eiser] heeft zich met de inhoud daarvan bekend en akkoord verklaard. Iets anders dan een tussen partijen geldende afspraak tot een verbod op permanente bewoning mocht en mag [eiser] dan ook redelijkerwijs niet verwachten. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [eiser] er in de afgelopen paar jaren door zowel de gemeente als door [eiseres] ook herhaaldelijk op is gewezen dat permanente bewoning verboden was. De rechtbank ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in hoe een (tijdelijk) gedoogbeleid van de gemeente het tussen partijen afgesproken verbod op permanente bewoning opzij kan zetten. Dat kan een Instructieregeling evenmin, zoals uit de hiervoor genoemde Nota van Toelichting blijkt.
eigenaar niet zodanig mag handelen dat zijn handelen ingevolge het bepaalde in de wet (Gemeentelijke basisadministratie) noopt tot inschrijving op een van de adressen van [eiseres] in het persoonsregister van de gemeente’.Ook staat in de akte van levering dat er ‘
een aannemelijk hoofdverblijf elders’moet zijn. In haar vorderingen knoopt [eiseres] zowel aan bij het begrip ‘permanent wonen’ als bij het begrip ‘hoofdverblijf’. Zij vordert in het petitum van de dagvaarding onder I. een verklaring voor recht dat het [eiser] niet is toegestaan permanent in het chalet te wonen en dat hij dient te beschikken over een hoofdverblijf elders. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] desgevraagd toegelicht dat bij de gemaakte contractuele afspraak over een verbod op permanente bewoning en een hoofdverblijf elders hoort, dat deze niet wiskundig, bijvoorbeeld in aantal dagen per jaar dat in de recreatiewoning gewoond kan worden, is uit te leggen. [eiseres] beoogt om na een eventuele toewijzing van de vorderingen in gesprek te komen met [eiser] .