Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 6;
- de brief van 23 oktober 2025 waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling op 13 januari 2025 is bepaald;
[C] – HR director – verschenen. Zij werd bijgestaan door mr. Molendijk en
mr. Valens. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat op de zitting is besproken.
2.De kern van de zaak
werving fee’ van € 2.000,00 (exclusief btw) per (geschikt bevonden en aangenomen) kandidaat overeengekomen. [eiseres] heeft aan [gedaagde] verschillende kandidaten voorgedragen. [gedaagde] heeft uiteindelijk vier kandidaten geschikt bevonden en die vier kandidaten een arbeidsovereenkomst aangeboden. [eiseres] heeft voor de geworven en geschikt bevonden kandidaten aan [gedaagde] vier facturen van in totaal € 8.000,00 (exclusief btw) gezonden. [gedaagde] heeft de facturen niet volledig betaald. [eiseres] wil dat [gedaagde] de resterende facturen, met rente en kosten, alsnog betaalt. [gedaagde] is het om verschillende redenen niet eens met de vordering. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de resterende facturen, met rente en kosten, aan [eiseres] moet betalen.
3.De beoordeling
werving fee’ van € 2.000,00 (exclusief btw) per kandidaat verschuldigd, dus in totaal € 8.000,00 (exclusief btw). Na dagvaarding heeft [gedaagde] één factuur betaald, zodat [gedaagde] nog een bedrag van € 6.000,00 (exclusief btw) moet betalen, aldus [eiseres]
no cure no pay’ zou plaatsvinden (artikel 1.2. van de wervingsovereenkomst). Volgens [gedaagde] was de bedoeling dat zij pas een betalingsverplichting zou aangaan als de kandidaat door haar geschikt zou zijn bevonden en bij haar in dienst zou zijn gebleven. Daar is geen sprake van. Van [D] , [E] en [F] zijn hun arbeidsovereenkomsten in de proeftijd beëindigd. Er is dus geen sprake van ‘
cure’ in de zin van de ‘
no cure no pay regeling’ in artikel 1.2. van de wervingsovereenkomst, waarvoor betaald moet worden. Daarom hoeft zij de overige facturen niet te betalen, aldus [gedaagde] .
1.2. [eiseres] werkt op basis van ‘no cure, no pay’ zodat de Opdrachtgever pas een betalingsverplichting aangaat wanneer een kandidaat geschikt is bevonden en een arbeidsovereenkomst krijgt.’
werving fee’ voor [D] / [E] / [F] en [G] te betalen.
werving fee’ van 20% van het bruto jaarsalaris van de betreffende kandidaat te hanteren, maar een ‘
fixed werving fee’ van € 2.000,00 per geworven en geschikt bevonden kandidaat, echter dat blijkt nergens uit. In de door [eiseres] in het geding gebrachte stukken (de wervingsovereenkomst, de toepasselijke algemene voorwaarden en de e-mailcorrespondentie tussen partijen) is daarover niets vermeld. In de stukken is ook niet terug te vinden dat de hoogte van de ‘
standaard werving fee’ de genoemde 20% van het bruto jaarsalaris van de kandidaat is, dat de ‘
fixed werving fee’ van € 2.000,00 per geworven en geschikt bevonden kandidaat een afwijkende prijsafspraak is en dat door [eiseres] in haar emailcorrespondentie die afwijkende prijsafspraak ook zo aan [gedaagde] is gecommuniceerd. Dat [eiseres] dat laatste wel heeft gedaan in haar e-mail van 8 mei 2024 en [gedaagde] aldus op de hoogte was dat er een afwijkende prijsafspraak was gemaakt, zoals [eiseres] stelt, volgt de kantonrechter niet (zie productie 10 van [eiseres] ). Uit de enkele bewoordingen in haar email van 8 mei 2024 van ‘
Ik heb het met een flat-fee geprobeerd extra aantrekkelijk te maken voor je (…)’ kan niet zondermeer worden afgeleid dat daarmee een afwijkende prijsafspraak is gemaakt. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om dit expliciet aan [gedaagde] te melden. Immers, een afwijkende prijsafspraak heeft tot gevolg dat er geen beroep meer op de garantiebepaling gemaakt kan worden. Dat heeft [eiseres] niet gedaan.
[eiseres] zal uitermate zorgvuldig te werk gaan bij het selecteren van kandidaten en
werving fee’.
werving fee’ voor [F] van € 2.000,00 (exclusief btw) betalen.
werving fee’ voor [D] en [E] niet hoeft te betalen. De betalingsverplichting van [gedaagde] voor de ‘
werving fee’voor [D] en [E] blijft bestaan. De garantieregeling houdt slechts in dat [eiseres] voor [D] en [E] twee nieuwe kandidaten zou zoeken, zonder dat [eiseres] daarvoor opnieuw kosten bij [gedaagde] in rekening zou brengen. Bovendien volgt uit artikel 6 dat Pro verrekening en/of opschorting van de betalingsverplichting is uitgesloten. Daar komt bij dat wat [gedaagde] in haar e-mail van 3 september 2024 heeft gevraagd – dat [G] en [F] die op 1 oktober 2024 zouden starten in de plaats moesten treden van [D] en [E] – niet kan en ook niet valt onder de garantieregeling, waar [gedaagde] een beroep op heeft gedaan. Op basis van de garantieregeling moest [eiseres] op zoek gaan naar twee
nieuwekandidaten voor [D] en [E] , waarvoor [eiseres] geen extra kosten in rekening bij [gedaagde] mocht brengen. [gedaagde] heeft dus recht op twee
nieuwekandidaten. [eiseres] heeft onweersproken gesteld dat zij van [gedaagde] opdracht had gekregen om vier medewerkers SCS te werven. [eiseres] heeft toen diverse kandidaten aan [gedaagde] voorgedragen. Uiteindelijk heeft [gedaagde] van de voorgedragen kandidaten [D] / [E] / [F] en [G] geschikt bevonden en hen ook een arbeidsovereenkomst aangeboden. [eiseres] heeft de Cv’s van [D] / [E] / [F] en [G] respectievelijk op 11 juli 2024, 16 juli 2024, 30 juli 2024 en 16 augustus 2024 naar [gedaagde] gezonden (zie productie 11 van [eiseres] ). [G] en [F] zijn dus geen
nieuwekandidaten, maar waren al geworven vóórdat [gedaagde] op 3 september 2024 het beroep op de garantieregeling had ingediend, namelijk op respectievelijk 30 juli 2024 en 16 augustus 2024 (zie productie 11 van [eiseres] ).
werving fee’ voor [D] en [E] van in totaal € 4.000,00 (exclusief btw) moet betalen.
€ 7.260,00 (inclusief btw) aan [eiseres] betalen.
werving fees’ niet betaald en is in verzuim komen te verkeren. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen vanaf 4 april 2025 tot volledige betaling, waarbij rekening wordt gehouden met tussentijdse betalingen.
€ 859,00. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden, te weten € 859,00. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.