ECLI:NL:RBMNE:2026:604

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
26/899
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22.18 Omgevingsplan gemeente AlmereArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen handhavingsbesluit gemeente Almere

Verzoekers, gezamenlijk eigenaar van een pand in Almere, verzochten om een voorlopige voorziening tegen een handhavingsbesluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere. Dit besluit verplichtte hen maatregelen te treffen om het pand ontoegankelijk te maken voor onbevoegden en stelde een dwangsom in bij niet-naleving.

Na bezwaar herzag het college het besluit deels, maar handhaafde de last met een dwangsom van maximaal €150.000,-. Verzoekers stelden dat zij al voldaan hadden aan de last en dat invordering van de dwangsom tot een acute financiële noodsituatie zou leiden, waardoor een spoedeisend belang bestond.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak omdat het college stelde dat de maximale dwangsom inmiddels was verbeurd en een invorderingsbesluit voorlag. Een voorlopige voorziening kon de invordering niet meer voorkomen. De beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit en de dwangsommen behoort tot de bodemprocedure.

Daarom wees de voorzieningenrechter het verzoek af en sprak geen proceskostenveroordeling uit. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen het handhavingsbesluit is afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/899

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] ,

[verzoeker 1], uit [plaats]
[verzoeker 2], uit [plaats]
verzoekers
(gemachtigde: mr. F.J.C. van Altena),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere

(gemachtigde: mr. L.A. Sluiter).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers.
1.1.
Verzoekers zijn gezamenlijk eigenaar van het pand aan de [adres] in [plaats] . Na een controle op 3 juli 2024 door toezichthouders van de Afdeling Vergunning, Toezicht en Handhaving van de gemeente Almere, waarbij ook de wijkagent aanwezig was, heeft het college op 19 augustus 2024 aan verzoekers meegedeeld het voornemen te hebben handhavend op te treden. Verzoekers hebben daartegen een zienswijze ingediend.
1.2.
Met het besluit van 25 september 2024 heeft het college verzoekers gelast om binnen zes weken na de verzenddatum van de last het handelen in strijd met artikel 22.18, tweede lid, van het omgevingsplan van de gemeente Almere (het omgevingsplan) en met een groot aantal bepalingen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), gericht op onder meer het voorkomen van gezondheidsrisico's, het beperken van brandgevaarlijke situaties bij het bouwwerk en de zorgplicht voor brandveilig gebruik van het bouwwerk), te doen beëindigen en beëindigd te houden. Daarnaast is eisers op grond van de specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk gelast om binnen twee dagen na de verzenddatum van de last de nodige maatregelen te treffen die het pand ontoegankelijk maken voor onbevoegde personen zolang het pand nog niet is hersteld.
1.3.
Verzoekers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het besluit van 16 december 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het besluit van 25 september 2024 deels herroepen. Het college heeft in het bestreden besluit uitsluitend de last gehandhaafd met betrekking tot de overtreding van artikel 22.18 van het omgevingsplan, die ziet op het treffen van maatregelen die het pand ontoegankelijk maken voor onbevoegde personen. Het college heeft aan de last een dwangsom verbonden van € 15.000,- per constatering per 24 uur, met een maximum van € 150.000,- en een begunstigingstermijn van één week na de verzenddatum van het bestreden besluit.
1.4.
Verzoekers hebben op 28 januari 2026 een beroepschrift ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] namens de verzoekers, bijgestaan door de gemachtigde, de gemachtigde van het college, bijgestaan door ing. [B] , toezichthouder bij de Afdeling Vergunningen, Toezicht & Handhaving van de gemeente Almere.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaarschrift dan wel een uitspraak in de bodemprocedure. [1] Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. Daarvan kan sprake zijn als er door de werking van het besluit een feitelijke of juridische situatie zou ontstaan die onomkeerbare gevolgen zou hebben.
3. Ten tijde van de indiening van het verzoek om voorlopige voorziening was de begunstigingstermijn verlopen, maar de in het bestreden besluit opgenomen maximale dwangsom van € 150.000,- was nog niet of niet volledig verbeurd. Bij brief van 11 februari 2026 heeft het college de rechtbank geïnformeerd dat op dat moment twaalf controles zijn uitgevoerd door de toezichthouder. Het college heeft de rapporten van de toezichthouder met betrekking tot de betreffende controles overgelegd. Volgens het college is niet aan de last voldaan en is de totale dwangsom van € 150.000,- verbeurd. Het standpunt van het college is dat er daarom geen sprake meer kan zijn van een spoedeisend belang. Verzoekers stellen zich op het standpunt dat zij al voor het einde van de begunstigingstermijn aan de last hebben voldaan en er daarom geen dwangsommen zijn verbeurd. Volgens verzoekers dreigt een onomkeerbare situatie, omdat invordering tot een acute financiële noodsituatie leidt. Zij vinden daarom dat er wel een spoedeisend belang bestaat bij een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
4. De voorzieningenrechter overweegt dat een schorsing van het bestreden besluit niet meer zinvol is op het moment waarop het college inmiddels het standpunt heeft ingenomen dat sprake is van verbeurte van de volledige dwangsom. Een schorsing kan op dit moment immers niet meer voorkomen dat het college overgaat tot het nemen van besluiten gericht op de invordering van de dwangsom die naar zijn mening is verbeurd. De bespreking van de vraag of verzoekers al dan niet aan de last hebben voldaan en of er dwangsommen zijn verbeurd kan in deze procedure achterwege worden gelaten, alleen al omdat volgens het college de maximale dwangsom inmiddels is verbeurd, de last is uitgewerkt en het voornemens is om een invorderingsbesluit te nemen. Om die reden zal de voorzieningenrechter zich niet uitlaten over de rechtmatigheid van het bestreden besluit en de daartegen gerichte gronden. De vraag of al dan niet aan de last is voldaan en terecht tot invordering is overgegaan komt pas aan de orde in de procedure over het (nog te nemen) invorderingsbesluit. Verzoekers hebben daarom thans geen spoedeisend belang meer bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb