ECLI:NL:RBMNE:2026:606

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
25/3155
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, eerste lid, WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op WW-uitkering wegens ontbreken gezagsverhouding tussen echtgenoten

Eiseres werkte als zorgverlener voor haar echtgenoot op basis van een zorgovereenkomst partner of familielid en vroeg na zijn overlijden een WW-uitkering aan. Het UWV wees dit af omdat zij niet als werknemer werd beschouwd vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding.

Eiseres maakte bezwaar en stelde beroep in, stellende dat het gelijkheidsbeginsel haar recht op WW-uitkering zou moeten waarborgen, mede omdat een andere zorgverlener van haar echtgenoot wel een WW-uitkering ontving. De rechtbank oordeelde dat deze andere zorgverlener een andere soort zorgovereenkomst had, waardoor geen sprake was van ongelijke behandeling van gelijke gevallen.

De rechtbank erkende het onrechtvaardigheidsgevoel van eiseres, maar benadrukte dat het ontbreken van een gezagsverhouding een wettelijke vereiste is en dat het aan de wetgever is om hierin verandering te brengen. Onbekendheid met regelgeving en het niet wijzen door de SVB op het vereiste van gezagsverhouding rechtvaardigen geen uitzondering.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het UWV handhaafde het besluit en eiseres kreeg geen recht op een WW-uitkering, noch vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar WW-uitkering wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een gezagsverhouding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3155

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: mr. J.A. Voorn).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Eiseres heeft een WW-uitkering aangevraagd nadat haar echtgenoot, voor wie zij als zorgverlener werkte, op [datum] 2025 is overleden.
1.1.
Het Uwv heeft de aanvraag van eiseres met het besluit van 13 maart 2025 afgewezen. Volgens het Uwv is eiseres niet verzekerd voor de WW, omdat zij niet is aan te merken als een werknemer vanwege het ontbreken van een gezagsverhouding tussen haar en haar echtgenoot.
1.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het besluit van 24 juli 2024 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
1.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 27 augustus 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld door [A] , en de gemachtigde van het Uwv. Na de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
1.5.
Omdat de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd achtte heeft zij op 3 september 2025 het onderzoek heropend en bij eiseres aanvullende gegevens opgevraagd. Na ontvangst daarvan heeft de rechtbank aan het Uwv een nadere vraag voorgelegd. Het Uwv heeft bij brief van 14 november 2025 gereageerd. Met een brief van 14 december 2025 heeft eiseres daarop gereageerd. Het Uwv heeft daarin geen reden gezien het bestreden besluit aan te passen. Omdat geen van de partijen heeft verzocht om een nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek op 28 januari 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de WW-uitkering aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Waar gaat het geschil over?

4. Eiseres werkte vanaf 1 januari 2024 als zorgverlener voor haar echtgenoot, die houder was van een persoonsgebonden budget (pgb). Eiseres verleende de zorg op basis van een ‘zorgovereenkomst partner of familielid’. In de zorgovereenkomst is vastgelegd dat eiseres 20 uur per week werkt tegen betaling van €20,- per uur bruto inclusief 8% vakantiegeld.
5. Eiseres betwist niet dat zij geen werknemer is in de zin van de WW [1] , omdat er ook volgens haar geen sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en haar echtgenoot. Zij voert aan dat zij recht heeft op een WW-uitkering op grond van het gelijkheidsbeginsel. Ook vindt zij dat haar (en andere zorgverleners in een soortgelijke situatie) onrecht wordt aangedaan doordat zij buiten de werknemersverzekeringen vallen. De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft haar er ook niet op gewezen dat zij niet verzekerd was voor de WW.

Wat vindt de rechtbank?

6. Eiseres voert ter onderbouwing van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel aan dat aan een andere zorgverlener van haar echtgenoot wel een WW-uitkering is toegekend, terwijl haar echtgenoot die zorgverlener op dezelfde wijze aanstuurde als haar.
7. Uit de brief van het Uwv van 14 november 2025 blijkt dat de zorgverlener [B] werkzaam is geweest als zorgverlener voor de echtgenoot van eiseres op basis een ‘Zorgovereenkomst arbeidsovereenkomst’. Dat is dus een ander type zorgovereenkomst dan de ‘zorgovereenkomst partner of familielid’ van eiseres. Dat betekent dat er geen sprake is van een ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet.
8. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor eiseres onrechtvaardig voelt dat zij geen aanspraak kan maken op een WW-uitkering, nadat zij haar echtgenoot lange tijd thuis heeft verzorgd. De rechtbank ziet echter in wat eiseres aanvoert geen aanleiding om voor haar een uitzondering te maken op de wettelijke bepalingen. Het is de rechtbank bekend dat er in de maatschappij discussie is over de vraag of het wenselijk is dat familieleden die zorg verlenen aan een pgb-houder niet in alle gevallen in aanmerking komen voor een WW-uitkering, maar dat is een keuze geweest van de wetgever. Het is aan de wetgever om dit desgewenst te veranderen.
9. Tot slot overweegt de rechtbank dat onbekendheid met de regelgeving en het feit de SVB eiseres mogelijk niet (expliciet) heeft gewezen op het vereiste van een gezagsverhouding voor haar aanspraak op een WW-uitkering, geen reden vormt om eiseres, ondanks het ontbreken van een gezagsverhouding, toch een WW-uitkering toe te kennen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat eiseres per 27 januari 2025 geen recht heeft op een WW-uitkering. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.M.T.M. Sips, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 3, eerste lid, van de WW.