ECLI:NL:RBMNE:2026:616

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3599
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 lid 2 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsaanvraag wegens weigering medewerking huisbezoek

Eiseres heeft bijstand aangevraagd met ingang van 1 juni 2024, maar het college wees de aanvraag af omdat zij niet meewerkte aan een huisbezoek om haar woonsituatie te verifiëren. Eiseres verbleef feitelijk bij haar ouders vanwege de ziekte van haar vader en weigerde het huisbezoek bij haar ouders vanwege het zwaarwegend belang van privacy en gezondheid van haar vader.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht twijfelde aan de juistheid van de door eiseres verstrekte gegevens over haar woonsituatie, mede op grond van observaties tijdens eerdere bezoeken en het extreem lage waterverbruik. Het huisbezoek was een proportioneel middel om de situatie te verifiëren, omdat andere minder ingrijpende middelen niet effectief waren.

Eiseres kon geen objectieve medische gegevens overleggen die haar weigering rechtvaardigden. De rechtbank stelt dat het belang van het verkrijgen van een volledig beeld van de woonsituatie zwaarder weegt dan het door eiseres aangevoerde belang. Door de weigering kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, waardoor het college de aanvraag terecht afwees en het voorschot mocht terugvorderen.

De rechtbank vond geen aanwijzingen voor vooringenomenheid van het college en wees het beroep af. Eiseres krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens weigering medewerking aan huisbezoek.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J.A.M. Gloudi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dronten, het college
(gemachtigde: J. Hiemstra).

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak om de afwijzing van een aanvraag om bijstand, omdat eiseres de medewerkingsverplichting heeft geschonden door een huisbezoek te weigeren. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het college de aanvraag voor een bijstandsuitkering mocht afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiseres heeft op 12 augustus 2024 bijstand aangevraagd met ingang van 1 juni 2024.
4. Het college heeft de aanvraag met het besluit van 22 november 2024 afgewezen omdat eiseres niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld mede omdat het college de feitelijke woonsituatie van eiseres niet kan vaststellen. Met dit besluit vordert het college het aan eiseres verstrekte voorschot van € 350,- terug. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
5. De commissie bezwaarschriften heeft geadviseerd om het besluit van 22 november 2024 ongewijzigd in stand te laten. Het college heeft dit advies overgenomen en met het besluit van 24 april 2025 (bestreden besluit) het bezwaar ongegrond verklaard.
6. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
7. De rechtbank heeft het beroep op 17 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Uitgangspunt
8. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB), de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken, moet iemand die bijstand aanvraagt aannemelijk maken dat hij recht heeft op bijstand. De bewijslast van de behoefte aan bijstand rust dus in beginsel op de aanvrager. Een aanvrager moet daarom feiten en omstandigheden aannemelijk maken die duidelijkheid geven over zijn woon- en leefsituatie en over zijn financiële situatie. Daarna moet de bijstandverlenende instantie in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid controleren. Indien een aanvrager niet aan de inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. [1]
Feiten en omstandigheden die tot het besluit hebben geleid
9. Eiseres heeft in haar aanvraag voor een bijstandsuitkering aangegeven dat zij alleenwonend is op het adres aan [adres 1] in [plaats] .
10. In het licht van deze aanvraag heeft het college een onderzoek naar eiseres gedaan. De conclusies van dit onderzoek zijn neergelegd in de rapportage van
25 oktober 2024. Eisers heeft eerder een bijstandsuitkering ontvangen, welke per
1 juni 2024 ingetrokken, omdat er bij het college gerede twijfel is ontstaan over de feitelijke woonsituatie van eiseres. [2] Op 18 juni 2024 is een brief afgegeven aan [adres 1] en is geconstateerd door een medewerker van de gemeente dat alle ramen geblindeerd waren en dat de woning er van buitenaf niet bewoond uitzag. Op 11 juli 2024 heeft een volgend huisbezoek plaatsgevonden waarbij eiseres niet op het adres is aangetroffen. De woning was aan de voorzijde en aan de achterzijde dichtgeplakt en er lag meer post in de gang. Op
16 september 2024 is er opnieuw een bezoek aan de woning aan [adres 1] gebracht en daar werd geconstateerd dat alle ramen waren afgesloten met raambekleding.
11. Op 17 september 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden met eiseres en in dat gesprek heeft eiseres het volgende naar voren gebracht:
“Ik heb denk ik in februari 2024 de sleutel van mijn huis ontvangen, [adres 1] in [plaats] . Ik was met het overbrengen van spullen, inrichting en schoonmaken begonnen, maar toen werd mijn vader ziek. Mijn hoofd stond niet meer op verhuizen, ik was gericht op mijn vader. Ik ben mantelzorg gaan verlenen. (…) Ik verbleef daarom bij mijn ouders op het adres [adres 2] in [plaats] . (…) U vraagt hoe de situatie nu is qua verblijf. Ik verblijf nog steeds bij mijn ouders thuis op het adres [adres 2] in [plaats] (…)Ik heb uiteraard wel de intentie om in mijn eigen woning aan [adres 1] te gaan wonen, maar ik richt mij eerst op de situatie rondom mijn vader en mijn eigen gezondheidssituatie. Ik heb geen planning met betrekking tot het betrekken van mijn eigen woning. Dat moet eerst nog af gemaakt worden, dat doen mijn moeder en ik tussendoor.”
12. Op 30 september 2024 is een huisbezoek afgelegd aan [adres 1] in [plaats] . Tijdens het huisbezoek is geconstateerd dat er in de keuken geen koelkast of kookgelegenheid aanwezig was en dat er op de vloer geen vloerbedekking lag. In de woonkamer stond onder andere een houten bank met kussens en daarnaast stond een pakket, in plastic verpakt, met losse vloerbedekking tegels op de vloer. In geen van de slaapkamers was een bed of slaapgelegenheid aanwezig. In een van de slaapkamers stond een rekje waar enkele kledingstukken aan hingen. De badkamer was leeg.
13. Daarnaast is in het kader van het onderzoek de meterstand opgenomen en het waterverbruik opgevraagd van de woning aan [adres 1] in [plaats] . Daaruit is naar voren gekomen dat er in de periode van 20 december t/m 30 september 2024 in totaal
4 m3 water is verbruikt. Volgens de landelijke Nibud-normen bedraagt het landelijk gemiddelde verbruik per huishouden per jaar 68 m3 voor een eenpersoons huishouden. Geconcludeerd wordt dat het waterverbruik ‘extreem laag’ is.
14. Gelet op de verklaringen van eiseres dat zij in de woning bij haar ouders verbleef, heeft de rapporteur een huisbezoek aan het adres [adres 2] in [plaats] , het huisadres van de ouders van eiseres, noodzakelijk geacht. Op 14 oktober 2024 is een eerste bezoek aan de woning gebracht, waarbij er niet werd opengedaan. Op 21 oktober 2024 is door eiseres geen toestemming gegeven een huisbezoek af te leggen gelet op de gezondheidssituatie van haar vader.
15. In de rapportage levensonderhoud is geconcludeerd dat het college niet heeft kunnen vaststellen of eiseres feitelijk op [adres 1] in [plaats] verblijft en dat die woonsituatie van belang is om de uitkeringsnorm te kunnen bepalen.
Was er een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek bij haar ouders?
16. Er bestaat een redelijke grond voor een huisbezoek als voorafgaand aan – dat wil zeggen: voor of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens. Het gaat daarbij om gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand én de bijstandverlenende instantie deze gegevens niet op een andere effectieve en voor de betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren. [3]
17. Onder omstandigheden kan een huisbezoek dus aangewezen zijn om de verstrekte informatie over de woon- en leefsituatie van de betrokkene te verifiëren, maar van dat verstrekkende controlemiddel dient te worden afgezien indien dat doel op een voor de betrokkene minder ingrijpende wijze kan worden bereikt.
18. Eiseres heeft aangevoerd, met een verwijzing naar haar bezwaarschrift, dat er geen redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek aan het huis van haar ouders en dat er een minder ingrijpend middel voorhanden was om haar woon- en leefsituatie vast te stellen. Volgens eiseres was haar financiële situatie bekend bij het college. Ook heeft zij aangegeven dat haar hoofdverblijf aan [adres 1] in [plaats] was en dat zij er geen bezwaar tegen had dat het college tijdelijk haar woonadres bij haar ouders, aan [adres 2] , zou bepalen. Dit totdat die situatie weer zou zijn gewijzigd.
19. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiseres heeft bijstand aangevraagd naar de norm voor een alleenstaande op het adres [adres 1] in [plaats] . De gegevens over het waterverbruik van eiseres in combinatie met de verrichte waarnemingen en de verklaring van eiseres bieden voldoende grond voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid van de door eiseres verstrekte gegevens over haar woonsituatie. Anders dan eiseres heeft aangevoerd, kon het college de door eiseres verstrekte inlichtingen over haar woon- en leefsituatie niet op een andere effectieve en voor haar minder belastende manier verifiëren. Het gaat namelijk om de feitelijke situatie. De enkele verklaring van eiseres zelf is daarvoor onvoldoende. Het college heeft dan ook terecht van eiseres verlangd dat zij medewerking zou verlenen aan het huisbezoek.
Had eiseres een zwaarwegend belang om het huisbezoek te weigeren?
20. In het algemeen komt groot gewicht toe aan het belang van een bijstandverlenende instantie om – zo nodig – onmiddellijk een huisbezoek af te leggen om een door de betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie voor het huisbezoek een wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel veel minder effectief is. De bijstandverlenende instantie mag daarom van de betrokkene verlangen dat hij medewerking verleent aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Onder bepaalde omstandigheden kan het weigeren van de medewerking de betrokkene echter niet worden tegengeworpen. Dat kan het geval zijn indien de betrokkene een zwaarwegend belang heeft dat de weigering rechtvaardigt of niet in staat is om de medewerking te verlenen door een in de persoon gelegen lichamelijke of psychische oorzaak. Dit is vaste rechtspraak. [4]
21. Eiseres heeft aangevoerd dat zij een zwaarwegend belang had om medewerking aan het huisbezoek bij haar ouders te weigeren. Haar vader was ernstig ziek en om toegang te krijgen tot haar slaapkamer bij haar ouders, moest de woonkamer van haar ouders worden doorkruist waar haar vader in zijn ziekbed lag. Daarmee zou het binnentreden te belastend zijn voor haar vader en een te grote inbreuk op zijn privacy worden gemaakt.
22. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat eiseres rekening heeft willen houden met haar ouders is voorstelbaar, maar komt wel voor haar rekening. Eiseres is ook gewezen op het risico van het niet meewerken aan een huisbezoek. Eiseres heeft niet met objectieve medische gegevens aannemelijk gemaakt dat haar vader op 21 oktober 2024 zodanig ziek was dat medewerking aan een huisbezoek niet van haar kon worden gevergd. [5] Eiseres heeft in haar beroepschrift gesteld dat het college, met instemming van de vader van eiseres, de medische gegevens van de vader van eiseres had kunnen inzien in het kader van de WMO. De rechtbank is van oordeel dat het in licht van de bewijslast niet op de weg van het college maar op de weg van eiseres ligt die gegevens over haar vader te overleggen. Wat eiseres voor het overige heeft aangevoerd is niet van zodanig zwaarwegende aard dat het belang verbonden aan het verkrijgen van een volledig beeld van de woon- en leefsituatie daarvoor zou moeten wijken. [6]
23. Uit het voorgaande volgt dat het college eiseres terecht heeft tegengeworpen dat zij op 21 oktober 2024 geen medewerking heeft verleend aan het huisbezoek. Als gevolg van de weigering van eiseres om medewerking te verlenen aan het huisbezoek heeft het college de woon- en leefsituatie van eiseres niet kunnen vaststellen. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand niet was vast te stellen en de aanvraag van eiseres terecht afgewezen.
Terugvordering voorschot
24. Dat eiseres de op haar rustende medewerkingsplicht heeft geschonden en het recht op bijstand dus niet kon worden vastgesteld, betekent ook dat het college bevoegd was het verleende voorschot van eiseres terug te vorderen. [7] Eiseres heeft geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Ook zijn er geen dringende redenen aan het licht gekomen waaruit volgt dat het college van terugvordering moet afzien. Eiseres heeft weliswaar aangegeven dat zij schulden heeft en dat deze wat haar betreft problematisch zijn, maar zij heeft niet onderbouwd dat zij niet in staat is die, via een reeds bestaande betalingsregeling, te voldoen.
Vooringenomenheid
25. Van enige vooringenomenheid aan de zijde van het college bij de besluitvorming is de rechtbank niet gebleken. Eiseres heeft die stelling ook niet nader onderbouwd.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college terecht de aanvraag van eiseres om bijstand heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Venderbosch, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld: CRvB, 19 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:973.
2.Eiseres heeft in die zaak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft die zaak (UTR 25/5623) op dezelfde zitting behandeld en doet daarin ook uitspraak.
3.CRvB, 19 mei 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:973.
4.Zie onder andere CRvB, 4 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1070.
5.Zie ook CRvB, 31 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3180.
6.CRvB, 4 oktober 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3650.
7.Zie artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de Participatiewet.