ECLI:NL:RBMNE:2026:619

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
16/340048-23 & 16/038353-24
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38 SrArt. 38a SrArt. 57 SrArt. 285 SrArt. 300 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens mishandeling, bedreiging en overtreding gedragsaanwijzing met oplegging tbs-maatregel

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van mishandeling van twee medewerkers van een zorginstelling, bedreiging met de dood van één van hen, en het overtreden van een gedragsaanwijzing die hem verbood zich bij de instelling te begeven.

De verdachte bekende de mishandelingen en de overtreding van de gedragsaanwijzing, maar ontkende de bedreiging. De rechtbank achtte de bedreiging echter bewezen op basis van verklaringen van het slachtoffer, een getuige en de verdachte zelf. De feiten zijn gekwalificeerd als mishandeling, mishandeling met voorbedachten rade, bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, en het opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van zes maanden op, met aftrek van de tijd in voorarrest, en een tbs-maatregel met voorwaarden. De tbs-maatregel is opgelegd vanwege de ernstige autismespectrumstoornis van de verdachte, het hoge recidiverisico en het ontbreken van ziekte-inzicht. De maatregel is dadelijk uitvoerbaar en wordt gecombineerd met diverse voorwaarden, waaronder opname in een kliniek, ambulante behandeling, contact- en locatieverboden, en meewerken aan reclasseringstoezicht.

De rechtbank vond een langere gevangenisstraf niet passend gezien de persoonlijke omstandigheden en het langdurige voorarrest. De tbs-maatregel biedt de noodzakelijke zekerheid voor behandeling en recidivebeperking. De voorlopige hechtenis wordt geschorst onder voorwaarden die gelijk zijn aan die van de tbs-maatregel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met aftrek voorarrest en tbs-maatregel met voorwaarden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/340048-23 & 16/038353-24 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] , [postcode] in [plaats] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting in [verblijfplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 9 februari 2026.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. L.E. van Zijl;
  • de advocaat van de verdachte: mr. J.C. Hesen (hierna: de advocaat);
  • L.M. de Lange en L. de Wild, deskundigen van de reclassering.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
16/340048-23
feit 1
op 22 december 2023 in Amersfoort, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar eenmaal/meermalen te slaan en/of te stompen;
feit 2
op 1 februari 2024 in Amersfoort, met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door eenmaal/meermalen tegen haar hoofd/lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen;
feit 3
op 1 februari 2024 in Amersfoort [slachtoffer 2] verbaal heeft bedreigd met de dood/zware mishandeling, door te zeggen: “Ik ga jou doodmaken” en/of “Ik had jou dood moeten maken”;
16/038353-24
feit 1
op 1 februari 2024 in Amersfoort [slachtoffer 2] heeft mishandeld door haar eenmaal/meermalen (met kracht) met de vuist tegen haar gezicht/hoofd te slaan en haar met kracht vast te pakken en haar (vervolgens) op de grond te gooien en/of te duwen, en (toen zij op de grond lag) haar nogmaals eenmaal/meermalen te schoppen en/of te slaan;
feit 2
op 1 februari 2024 in Amersfoort [slachtoffer 2] verbaal heeft bedreigd met de dood/zware mishandeling, door te zeggen: “Ik ga jou doodmaken”, althans woorden van gelijke aard of strekking;
feit 3
op 1 februari 2024 in Amersfoort een gedragsaanwijzing heeft overtreden door zich binnen een straal van 400 meter van [instelling] te begeven.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om het Openbaar Ministerie partieel niet-ontvankelijk te verklaren ten aanzien van feiten 1 en 2 op de beschuldiging onder parketnummer 16/038353-24, omdat dit hetzelfde feitencomplex betreft als de feiten 2 en 3 op de beschuldiging onder parketnummer 16/340048-23.
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie, door de verdachte via twee afzonderlijke dagvaardingen te vervolgen voor hetzelfde feitencomplex en dezelfde gedragingen, namelijk het mishandelen en bedreigen van [slachtoffer 2] op 1 februari 2024 in Amersfoort, handelt in strijd met de beginselen van een goede procesorde. De rechtbank zal om die reden het Openbaar Ministerie partieel niet-ontvankelijk verklaren, voor zover dit betreft de vervolging van feiten 1 en 2 onder parketnummer 16/038353-24.

4.Bewijs

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3 (16/340048-23) en feit 3 (16/038353-24) heeft gepleegd. De officier van justitie vraagt om de verdachte ten aanzien van feit 2 (16/340048-23) partieel vrij te spreken voor het schoppen tegen het hoofd.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert geen verweer over het bewijs. De verdachte stelt zich op het standpunt dat hij [slachtoffer 2] niet heeft bedreigd.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Bewijsmiddelen
De verdachte bekent dat hij de mishandelingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de overtreding van de gedragsaanwijzing, zoals hieronder bewezen zijn verklaard heeft gepleegd. Namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank de inhoud van de bewijsmiddelen niet op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
De mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2](16/340048-23)
feit 1
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 9 februari 2026;
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] . [1]
feit 2 [2]
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 9 februari 2026;
- de bekennende verklaring van de verdachte bij de politie van 2 februari 2024; [3]
- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] . [4]
De overtreding van de gedragsaanwijzing(16/038353-24)
feit 3
- de bekennende verklaring van de verdachte op de zitting van 9 februari 2026;
- de gedragsaanwijzing van 23 december 2023. [5]
feit 3 (16/340048-23)
De rechtbank oordeelt dat ook de bedreiging van [slachtoffer 2] is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op volgende bewijsmiddelen:
De verklaring van de verdachte op de zitting:
Op 1 februari 2024 heb ik in Amersfoort tegen [slachtoffer 2] gezegd: “Ik had jou dood moeten maken”.
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , voor zover inhoudende:
Op 1 februari 2024 bevond ik mij in Amersfoort. [6] Vervolgens hoorde ik [verdachte] zeggen: "Ik had je dood moeten maken, ik ga je doodmaken." Ik had op dat moment echt het idee dat hij dit van plan was geweest, of dat hij dit nog van plan was om te gaan doen. [7]
Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , voor zover inhoudende:
Vervolgens hoorde ik de man in de richting van de vrouw schreeuwen: "ik ga jou doodmaken". [8]
4.3.2.
Bewijsoverwegingen
Bedreiging [slachtoffer 2] (feit 3, 16/340048-23)
De verdachte heeft op zitting verklaard dat hij niet de woorden ‘ik ga je doodmaken’ heeft gezegd, en dat de woorden die hij wel heeft geuit geen bedreiging kunnen opleveren. Deze verklaring wordt weersproken door de bewijsmiddelen.
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 (16/340048-23) ten laste gelegde.
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in de zaak met parketnummer 16/340048-23
feit 1
op 22 december 2023, te Amersfoort, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] meermalen te stompen;
feit 2
op 1 februari 2024, te Amersfoort opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] meermalen tegen het hoofd en tegen het lichaam te slaan en/ of te stompen en/of te schoppen;
feit 3
op 1 februari 2024, te Amersfoort [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik ga jou doodmaken” en “Ik had jou dood moeten maken”;
in de zaak met parketnummer16/038353-24
feit 3
op 1 februari 2024 te [plaats] , opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 23 december 2023, gegeven door de officier van justitie te arrondissement Midden-Nederland, door zich op 1 februari 2024 te bevinden binnen een straal van 400 meter van de [instelling] aan de [adres] , [postcode] te [plaats] .
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16/340048-23
feit 1: mishandeling.
feit 2: mishandeling gepleegd met voorbedachten rade.
feit 3: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
16/038353-24
feit 3: opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering.
5.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf en maatregel

6.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
- een gevangenisstraf van 693 dagen, met aftrek van het voorarrest.
De officier van justitie eist dat aan de verdachte wordt opgelegd:
- tbs met voorwaarden zoals geformuleerd in het ‘maatregelenrapport’ van de reclassering van 29 oktober 2025;
- de gedragsbeïnvloedende of vrijheidsbeperkende maatregel, namelijk de maatregel in de zin van artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
De officier van justitie eist dat deze maatregelen direct na de uitspraak ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
6.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat de verdachte veel te lang vast heeft gezeten, gelet op de relatief geringe ernst van de feiten. De detentie heeft een enorme impact op de verdachte gehad. De advocaat benadrukt dat het, ondanks de bij de verdachte vastgestelde stoornissen, heel erg lang prima is gegaan met de verdachte. Dit blijkt ook uit het strafblad van de verdachte. Het probleemgedrag manifesteert zich uitsluitend in extreme stresssituaties en de reclassering stelt dan ook geen delictpatroon vast. Onder die omstandigheden is tbs met voorwaarden een stap te ver voor de delicten waarvan de verdachte wordt verdacht. De advocaat ziet desalniettemin ook de adviezen van de deskundigen die uit de rapportages volgen. De advocaat bepleit primair dat de verdachte in vrijheid zelfstandig hulp zoekt, omdat dit passend en geboden is met alles wat de verdachte heeft ondergaan. Subsidiair stelt de advocaat zich op het standpunt dat tbs met verpleging van overheidswege geheel niet passend is en dat tbs met voorwaarden dan een alternatief kan zijn. De advocaat heeft de voorwaarden met de verdachte besproken en hij is bereid hieraan mee te werken. Dit is volgens de advocaat wel een uiterste vangnet. De advocaat heeft geen opmerkingen over de gevorderde gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
6.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft twee medewerkers van een zorginstelling waar hij destijds woonde mishandeld en één daarvan daarbij ook nog bedreigd met de dood. Daarnaast heeft de verdachte een aan hem door de officier van justitie opgelegde gedragsaanwijzing overtreden die onder andere een locatieverbod inhield en de verdachte er juist van moest weerhouden om zich bij de desbetreffende zorginstelling te begeven. De tweede mishandeling, de bedreiging en het overtreden van de gedragsaanwijzing vonden plaats ruim een maand nadat zijn voorlopige hechtenis was geschorst in de zaak van de eerste mishandeling. De verdachte heeft het slachtoffer van de tweede mishandeling bewust opgewacht om haar ‘een lesje te leren’. Door zijn handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. De mishandeling van aangeefster [slachtoffer 1] heeft ervoor gezorgd dat zij schaafwonden, een blauw plek onder haar oor en een gat in haar trommelvlies heeft opgelopen. Aangeefster [slachtoffer 2] liep als gevolg van de mishandeling een snee in haar achterhoofd en een blauwe plek onder haar oog op.
De slachtoffers zijn hulpverleners die zorgen voor mensen en moeten te allen tijde veilig hun werk kunnen doen. Uit de verklaringen van de slachtoffers blijkt dat zij door het handelen van de verdachte grote gevoelens van onveiligheid en stress hebben ervaren. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Uit het strafblad van de verdachte van 5 januari 2026 blijkt dat hij niet eerder voor een soortgelijk misdrijf is veroordeeld. De rechtbank weegt dit niet in strafverzwarende of strafmatigende zin mee.
De adviezen van de deskundigen
De verdachte is van 28 april 2025 tot 6 juni 2025 opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC). Over de verdachte is op 5 augustus 2025 een Pro Justitia-rapportage opgemaakt door S. Kapitein-De Haan, psychiater, en M.L. Sikkens, GZ-psycholoog (hierna: de deskundigen), beiden verbonden aan het PBC.
Door de deskundigen wordt in het PBC-rapport geconcludeerd dat de verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een autismespectrumstoornis (zonder verstandelijke beperking). Deze stoornis was, vanwege de chronische aard, ook ten tijde van de ten laste gelegde feiten aanwezig. Het functioneren van de verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten wordt volgens de deskundigen gekenmerkt door rigiditeit, achterdocht, sociale onvermogens, onvoldoende copingvaardigheden en gebrekkig empathisch vermogen, herleidbaar naar de autismespectrumstoornis. Juist in de aanloop naar de ten laste gelegde feiten, met het naar zijn idee onterecht afnemen van een voor hem belangrijke thuisbasis en oplopende stress door gebrek aan basale structuur, ervoer de verdachte vanuit het samenspel van deze problematiek een zeer beperkte mate van gedragskeuze. De verminderde gedragsbeheersing (waarbij alcoholgebruik mogelijk een katalyserende rol speelde) en het onvoldoende overzien van consequenties (ondanks besef van de wederrechtelijkheid van zijn handelen) en de ervaren wanhoop passen volgens de deskundigen bij een advies tot (minstens) verminderde toerekenbaarheid ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.
De deskundigen achten het recidiverisico op soortgelijke feiten hoog gelet op de ernst van de autismespectrumproblematiek in combinatie met (nog) afwezig probleeminzicht. De verdachte wordt daardoor niet in staat geacht zelfstandig het opnieuw ontstaan van een dergelijke context en daarmee een hoog recidiverisico te voorkomen.
Om het hoge recidiverisico voldoende te beperken is het van cruciaal belang dat de verdachte klinisch wordt behandeld, waarbij wordt ingezet op behandeling gericht op de autismespectrumstoornis en de behandeling van de hieraan verbonden problematiek zoals de verslavingsgevoeligheid en (rand)psychotische kwetsbaarheid.
Gelet op de ernstige problematiek met een hoog recidiverisico achten de deskundigen een tbs-maatregel met voorwaarden noodzakelijk om de noodzakelijke beveiliging te bieden.
Zelfs bij een positief behandelverloop is een stapsgewijze resocialisatieroute volgens de deskundigen aangewezen. Daarentegen moet rekening worden gehouden met een moeizaam behandelverloop en het juist vanuit deze situatie (tijdelijk) toenemen van het recidiverisico (ook specifiek naar hulpverleners). Deze inschatting maakt dat behandeling vanuit een zorgmachtigingskader volgens de deskundigen niet passend wordt geacht en behandeling vanuit het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel een te groot risico op voortijdig stopzetten van deze behandeling met zich meebrengt. Bij een bewezenverklaring van het ten laste gelegde wordt vanuit deze afweging geadviseerd tot het opleggen van een tbs-maatregel. Een tbs met voorwaarden wordt volgens de deskundigen niet bij voorbaat kansloos geacht en zou bij constructief verloop voldoende mogelijkheden tot risicomanagement bieden.
In het zogeheten ‘maatregelenrapport’ van de reclassering van 29 oktober 2025, opgesteld door reclasseringswerker L. de Lange (Tactus Reclassering Flevoland), staat beschreven dat de reclassering positief adviseert over tbs met voorwaarden. Hoewel de motivatie van de verdachte volgens de reclassering slechts extrinsiek van aard lijkt te zijn (ter voorkoming van een maatregel tbs met dwangverpleging) biedt zijn medewerking mogelijkheden tot recidivebeperking en gedragsverandering. De reclassering houdt rekening met een moeizaam behandelverloop, maar ziet mogelijkheden om de verdachte te begeleiden in het kader van een tbs met voorwaarden. De reclassering adviseert oplegging van een tbs-maatregel met daarbij de volgende voorwaarden:
  • geen strafbaar feit plegen;
  • meewerken aan reclasseringstoezicht;
  • meewerken aan een time-out;
  • niet naar het buitenland gaan;
  • opname in een zorginstelling;
  • ambulante behandeling;
  • begeleid wonen;
  • een drugsverbod;
  • een contactverbod met de slachtoffers;
  • een locatieverbod voor [plaats] (zonder elektronische monitoring);
  • dagbesteding;
  • meewerken aan schuldhulpverlening.
Bovendien wordt door de reclassering geadviseerd om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren alsmede om een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM, artikel 38z Sr) op te leggen, zodat gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden toegepast kunnen worden na de tbs-maatregel.
Strafoplegging
Voor het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur rechtvaardigen. Dit vindt de rechtbank ook passend en geboden vanuit het oogpunt van normbevestiging, vergelding en generale preventie. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder meegewogen dat de verdachte (met voorbedachten rade) hulpverleners heeft mishandeld. De rechtbank acht de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en houdt in de hoogte van de straf daar rekening mee
Alles overwegende zal de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank realiseert zich dat dit een aanzienlijke kortere straf is dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De lange duur van de voorlopige hechtenis is onder andere een gevolg van het feit dat de verdachte in zijn schorsing wederom de fout in is gegaan en dat zijn gedrag en procesopstelling aanleiding gaf om hem te laten observeren in het PBC. Dit alles heeft de nodige tijd in beslag genomen. De rechtbank onderkent dat de voorlopig hechtenis langer dan wenselijk heeft geduurd.
De rechtbank wijkt in aanzienlijke mate af van de eis van de officier van justitie ten aanzien van de hoogte van de straf, omdat de rechtbank met het oog op vergelijkbare zaken lagere straffen als uitgangspunt heeft genomen. De straf die wordt opgelegd brengt, naar het oordeel van de rechtbank, de ernst van het bewezenverklaarde bovendien voldoende tot uitdrukking.
Oplegging tbs-maatregel met voorwaarden
Voor het kunnen opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden moet aan de volgende vereisten zijn voldaan:
I. er dient sprake te zijn van een tbs-waardig delict: een misdrijf bedreigd met ten minste 4 jaar gevangenisstraf, of dat is genoemd in 37a eerste lid onder 1 van het Wetboek van Strafrecht;
II. er dient sprake te zijn van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
III. de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen vereist het opleggen van de maatregel (gevaarscriterium);
IV. verdachte dient zich bereid te hebben verklaard tot naleving van de voorwaarden;
V. er is een recente multidisciplinaire gedragsrapportage opgemaakt.
De rechtbank stelt vast dat de bewezenverklaarde feiten 2 en 3 (16/340048-23) misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is.
Bij de verdachte was ten tijde van deze bewezenverklaarde feiten sprake van een gebrekkige ontwikkeling en een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De rechtbank volgt daarbij de hierboven genoemde conclusies van de gedragsdeskundigen en legt die ten grondslag aan haar oordeel.
De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de tbs-maatregel vereist. Gelet op de inhoud van de hierboven besproken rapporten heeft de verdachte te maken met zodanige problematiek dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om hem onbehandeld in de maatschappij te laten terugkeren. Het risico op recidive wordt door alle deskundigen ingeschat als hoog als de verdachte onbehandeld detentie verlaat. Verder blijkt dat de verdachte moeite heeft met het behouden van motivatie voor het ondergaan van een behandeling. De verdachte heeft eerder niet meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek door een klinisch psycholoog. Uit de rapportages en uit het gesprek met de verdachte op zitting blijkt dat hij geen ziekte-inzicht heeft. Hij heeft op zitting keer op keer herhaald dat hij in het nauw gedreven werd, dat zijn hulpverlener zich achter zijn rug om met hem bleef bemoeien en dat hij niet anders kon dan dat met geweld een halt toe te roepen. Enige zelfreflectie laat hij niet zien. Ook op zitting gaf de verdachte aan zich niet te herkennen in de observaties van de deskundigen over achterdocht, wantrouwen, rigiditeit, het moeilijk kunnen inschatten van de intenties van anderen en het aangewezen zijn op praktische hulp. Juist deze afwezigheid van enig probleembesef maakt dat de behandeling van de problematiek bij de verdachte zeer lastig gaat worden. Enerzijds is hij daarvoor, alsook voor het dagelijkse leven, aangewezen op hulpverleners, maar anderzijds heeft hij zeer veel moeite om die hulpverleners te vertrouwen en hulp toe te laten, waarbij dat zelfs kan omslaan in geweld tegen hen. Een eerdere schorsing van de voorlopige hechtenis in mei 2024 liep al na een aantal dagen spaak, omdat de verdachte kortgezegd weigerde mee te doen in de kliniek waar hij geplaatst was. De verdachte verkoos toen een herleving van de voorlopige hechtenis boven een behandeling in een kliniek. Alleen de tbs-maatregel biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende zekerheid dat de verdachte daadwerkelijk zal worden behandeld en de kans op recidive voldoende zal worden ingeperkt. De rechtbank onderschrijft de conclusies van de deskundigen dat een voorwaardelijke strafdeel, zo daar al ruimte voor zou zijn, die garantie onvoldoende biedt. De motivatie van de verdachte is vooral extrinsiek, waarbij een mogelijke omzetting naar tbs met dwang hem kennelijk meer ‘motiveert’ dan een detentie, zoals de rechtbank bevestigd ziet in de eerder mislukte schorsing van de voorlopige hechtenis. Daarbij komt dat, zoals uit het reclasseringsrapport en het PBC-rapport naar voren komt, een langdurig en intensief traject noodzakelijk is om de behandeling goed op gang te krijgen en te houden. Die behandeling moet starten met een – mogelijk langdurige – klinische behandeling. Dit alles maakt dat de rechtbank geen minder verstrekkend kader ziet dan de maatregel van tbs met voorwaarden.
De verdachte heeft zich, zowel op de zitting als bij de reclassering, bereid verklaard om de voorwaarden zoals voorgesteld door de reclassering na te leven.
Het voorgaande maakt dat aan de vereisten voor oplegging van de tbs-maatregel is voldaan.
Alles overwegende acht de rechtbank de oplegging van de tbs-maatregel met voorwaarden passend en noodzakelijk.
De rechtbank zal de maatregel daarom opleggen en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden overnemen.
Dadelijke uitvoerbaarheid en geweldsdelict
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen, zodat de maatregel, ingeval van omzetting in terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege, niet gemaximeerd zal zijn.
De rechtbank zal de maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren omdat er, zo volgt uit de adviezen, ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
Geen GVM
Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank er geen meerwaarde in om naast de maatregel tbs met voorwaarden ook een maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking aan de verdachte op te leggen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de maatregel van tbs met voorwaarden vele jaren kan duren, en de feiten waarvoor deze maatregel wordt opgelegd voor geweldsdelicten van relatief beperkte ernst zijn.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank zal de voorlopige hechtenis schorsen met ingang van de datum dat de verdachte terecht kan in de kliniek. Mocht de verdachte in hoger beroep gaan en zich hangende dat hoger beroep niet aan de voorwaarden van de tbs houden, dan is een kader nodig om te voorkomen dat de verdachte onbehandeld op vrije voeten komt. De rechtbank zal daarom de voorwaarden van de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis gelijkluidend laten zijn aan de voorwaarden van de tbs-maatregel.

7.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf en maatregel zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 38, 38a, 57, 285, 300 en 301 van het Wetboek van Strafrecht.

8.De beslissing

De rechtbank:
beslissing op voorvragen
- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder feiten 1 en 2 in de zaak 16/038353-24 ten laste gelegde;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot
een gevangenisstraf van 6 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast de
terbeschikkingstellingvan de verdachte en stelt daarbij de volgende
voorwaarden:
1)
Meewerken aan reclasseringstoezicht
De terbeschikkinggestelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
 De terbeschikkinggestelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
 De terbeschikkinggestelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de terbeschikkinggestelde vast te stellen.
 De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de terbeschikkinggestelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
 De terbeschikkinggestelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn/haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
 De terbeschikkinggestelde werkt mee aan huisbezoeken.
 De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
 De terbeschikkinggestelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
 De terbeschikkinggestelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de terbeschikkinggestelde, als dat van belang is voor het toezicht.
2)
Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de terbeschikkinggestelde daarmee instemt, kan de terbeschikkinggestelde voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de terbeschikkinggestelde deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
3)
Niet naar het buitenland
De terbeschikkinggestelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
4)
Opname in een zorginstelling
De terbeschikkinggestelde laat zich opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt.
Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de terbeschikkinggestelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
5)
Ambulante behandeling
De terbeschikkinggestelde laat zich behandelen door een zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend aan de klinische behandeling. De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt.
6)
Begeleid wonen of maatschappelijke opvang
De terbeschikkinggestelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de opname in een zorginstelling. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt.
De terbeschikkinggestelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
7)
Drugsverbod
De terbeschikkinggestelde gebruikt geen drugs en werkt mee aan controle op dit verbod. De controle gebeurt met urineonderzoek. De reclassering bepaalt hoe vaak de terbeschikkinggestelde wordt gecontroleerd.
8)
Contactverbod
De terbeschikkinggestelde heeft of zoekt op geen enkele wijze - direct of indirect - contact met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] ) en [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
9)
Locatieverbod (zonder elektronische monitoring)
De terbeschikkinggestelde bevindt zich niet in [plaats] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
10)
Dagbesteding
De terbeschikkinggestelde spant zich in voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
11)
Meewerken aan schuldhulpverlening
De terbeschikkinggestelde werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De terbeschikkinggestelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- geeft opdracht aan de reclassering om de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;
- beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden
dadelijk uitvoerbaaris;
voorlopige hechtenis
- schorst het bevel tot voorlopige hechtenis
met ingang van het moment waarop de verdachte wordt opgenomen in de kliniek [naam kliniek] .De schorsing vindt plaats
onder dezelfde voorwaardenals die aan de terbeschikkingstelling van de verdachte zijn verbonden.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P. Verboom, voorzitter, mr. M.J. Terstegge en mr. G.K.L. de Wijkerslooth de Weerdesteijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
De voorzitter is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
16/340048-23
feit 1
hij op of omstreeks 22 december 2023, te Amersfoort, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] eenmaal of meermalen te slaan en/of te stompen;
feit 2
hij, op of omstreeks 1 februari 2024, te Amersfoort, in elk geval in Nederland,
opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door
die [slachtoffer 2] eenmaal of meermalen tegen het hoofd en/of tegen het lichaam te slaan en/ of te stompen en/of te schoppen;
feit 3
hij, op of omstreeks 1 februari 2024, te Amersfoort, in elk geval in Nederland, M.C.
[slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met
zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen: “Ik
ga jou doodmaken” en/of “Ik had jou dood moeten maken”, althans woorden van
gelijke aard of strekking;
16/038353-24
feit 1
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Amersfoort, althans in Nederland,
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door
- die [slachtoffer 2] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) met de vuist tegen het
gezicht, althans tegen het hoofd, te slaan, en/of
- die [slachtoffer 2] met kracht vast te pakken en (vervolgens) op de grond te
gooien/duwen, en/of
- ( toen die [slachtoffer 2] op de grond lag) die [slachtoffer 2] nogmaals meermalen,
althans eenmaal, te schoppen en/of te slaan;
feit 2
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te Amersfoort, althans in Nederland, [slachtoffer 2]
heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware
mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik ga jou
doodmaken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
feit 3
hij op of omstreeks 1 februari 2024 te [plaats] , althans in Nederland,
opzettelijk heeft gehandeld in strijd met een gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel
509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de
gedragsaanwijzing d.d. 23 december 2023, gegeven door de officier van justitie te
arrondissement Midden-Nederland,
door zich op 1 februari 2024 te bevinden binnen een straal van 400 meter van de
[instelling] aan de [adres] , [postcode] te [plaats] .

Voetnoten

1.Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van 22 december 2023, genummerd PL0900-2023389538-2, opgemaakt door de politie eenheid Midden-Nederland, doorgenummerde pagina 6.
2.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2024034717, doorgenummerd pagina 1 tot en met 54. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
3.Pagina 37-38.
4.Pagina 8-9.
5.een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een gedragsaanwijzing als bedoeld in artikel 509hh van het Wetboek van Strafvordering van 23 december 2023.
6.Pagina 8.
7.Pagina 9.
8.Pagina 53.