ECLI:NL:RBMNE:2026:621

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
24 februari 2026
Zaaknummer
16/230594-25 en 16/220834-25
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 47 SrArt. 57 SrArt. 302 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling tot 13 maanden gevangenisstraf voor poging zware mishandeling en straatroof in vereniging

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 23 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van poging zware mishandeling en het in vereniging plegen van een straatroof. De rechtbank verklaarde bewezen dat de verdachte op 31 augustus 2025 in Utrecht met een mes het slachtoffer heeft gestoken, en op 4 augustus 2025 samen met anderen een telefoon heeft gestolen waarbij geweld is gebruikt.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van voorwaardelijk opzet op zwaar lichamelijk letsel, omdat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op zwaar letsel heeft aanvaard door het gebruik van het mes. Tevens werd vastgesteld dat de verdachte medepleger was bij de straatroof, gezien de nauwe en bewuste samenwerking met anderen.

De rechtbank wees het verzoek tot aanhouding en afsplitsing van de zaak af, omdat de verdediging voldoende gelegenheid had gehad om onderzoekswensen in te dienen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 13 maanden, met aftrek van het voorarrest. Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €300 toegekend aan het slachtoffer van de straatroof, vermeerderd met wettelijke rente, en werd de verdachte hoofdelijk aansprakelijk gesteld samen met medeverdachten.

De rechtbank legde ook de tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf van 7 dagen op en wees het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 13 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest voor poging zware mishandeling en medeplegen straatroof, en toegekende immateriële schadevergoeding van €300.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummers: 16/230594-25; 16/115891-25 (vord. tul) & 16/220834-25 (t.t.z. gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 februari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 in [geboorteplaats] (Marokko),
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] in [plaats] ,
op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 26 januari 2026. Het onderzoek is, met instemming van de officier van justitie en de verdediging, enkelvoudig gesloten op 23 februari 2026, waarna aansluitend uitspraak is gedaan.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. J.J. Bloembergen;
  • de advocaat van de verdachte: mr. L.C. Folkerts (hierna: de advocaat);
  • de tolk Arabisch (Marokkaans) voor de verdachte: A. Ben Mohammed (Wbtv-nr. 11070).

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte, na wijziging van de tenlastelegging op de zitting, ervan dat hij, samengevat:
16/230594-25:
primairop 31 augustus 2025 in Utrecht heeft geprobeerd om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan [slachtoffer 1] door met een mes/puntig voorwerp te steken/snijden in zijn borst/rug/lichaam.
subsidiairis dit ten laste gelegd als mishandeling.
16/220834-25:
primairop 4 augustus 2025 in Utrecht samen met (een) ander(en) met geweld een telefoon van [slachtoffer 2] heeft gestolen.
subsidiairis dit ten laste gelegd als mishandeling.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in
bijlage Ibij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de primaire variant van beide feiten (onder afzonderlijke parketnummers) heeft gepleegd. Het standpunt van de officier van justitie wordt, voor zover van belang voor de beoordeling, besproken in paragraaf 3.3.
3.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de primaire variant van het feit onder parketnummer 16/230594-25 (het steken) en refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de subsidiaire variant van dit feit. De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte geheel vrij te spreken van beide varianten van het feit onder parketnummer 16/220834-25 (de diefstal met geweld/mishandeling). De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. De advocaat heeft subsidiair een voorwaardelijk verzoek tot aanhouding (en afsplitsing) van de zaak onder parketnummer 16/220834-25 gedaan om onderzoekswensen in te kunnen dienen. De verweren over het bewijs worden, voor zover van belang voor de beoordeling, hierna besproken onder paragraaf 3.3.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Bewijsmiddelen 16/230594-25, primair
De rechtbank oordeelt dat de verdachte het primaire feit van de beschuldiging onder parketnummer 16/230594-25 heeft gepleegd. De rechtbank gebruikt daarvoor de volgende bewijsmiddelen: [1]
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 1 september 2025, voor zover inhoudende:
Op 31 augustus 2025 liep ik richting de Stationsstraat te Utrecht en zag een groep van vier mannen staan. Ik kan één van deze mannen als volgt omschrijven:
- man;
- 22 jaar oud;
- Marokkaans;
- lang haar in een knotje;
- sprak Arabisch;
- groene broek;
- donker groen jasje.
Ik kreeg een discussie met de man. Ik kan mij wel herinneren dat de man zei dat hij een mes bij zich had. [2] Ik zag dat de man op mij afkwam en een mes trok. Ik schat het mes ongeveer 15/20 centimeter. Ik kon niet goed zien wat voor soort mes het was. De man haalde meerdere keren uit met het mes richting mij. Ik voelde dat het mij één keer raakte in mijn rechterborst. [3]
Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [slachtoffer 1] van 2 september 2025, voor zover inhoudende:
Ik heb 2 wonden, namelijk op mij rechterborst en rechter onderrug / bil. Ik zag een groepje personen staan, waaronder de man die mij later gestoken heeft. Dit is de man met de knot. [4] Toen ik in de donkere hoek stond zag ik dat de man met de knot een mes vasthield. Ik zag dat het lemmet van het mes ongeveer 1,5 centimeter uit de hand stak. Ik zag dat de man met de knot het mes als het ware in zijn hand verstopte. Ik ben twee keer gestoken door de man met de knot. [5]
Het proces-verbaal van bevindingen van 1 september 2025, voor zover inhoudende:
Camera’s: Exp Stationsstraat BU Ri Speedgate en Dome Veste Nivo 0
Tijdstip: 31-08-2025 om 23.20.41 uur
Omschrijving:
Verdachte [verdachte] maant aangever [slachtoffer 1] mee te lopen, aangever [slachtoffer 1] loopt met verdachte [verdachte] mee. Er is te zien dat verdachte [verdachte] een mes uit zijn linker broekzak pakt en deze lijkt open te klappen, op foto 6 is de schittering te zien die het metaal van het mes waarschijnlijk veroorzaakt. [6]
Camera: Exp Stationsstraat BU Ri Speedgate
Tijdstip: 31-08-2025 tussen 23.22.31 uur en 23.22.32 uur
Omschrijving: Aangever [slachtoffer 1] wordt vervolgens door verdachte [verdachte] aangevallen (foto 19). Verdachte [verdachte] loopt naar aangever [slachtoffer 1] toe en lijkt een slaande- / stekende beweging te maken naar aangever [slachtoffer 1] . Verdachte [verdachte] lijkt een voorwerp in zijn rechter hand te hebben. [7]
Camera: Exp Stationsstraat BU Ri Speedgate
Tijdstip: 31-08-2025 tussen 23.22.49 uur
Omschrijving: Nadat aangever [slachtoffer 1] door verdachte [verdachte] is aangevallen komt aangever [slachtoffer 1] achter de pilaar vandaan. Hij heeft dan een bloedvlek op zijn t-shirt ter hoogte van zijn rechterborst (foto 20, rode cirkel). Dit is tevens de plek waar aangever [slachtoffer 1] een steekwond heeft. Deze bloedvlek is daarvoor niet te
zien. [8]
3.3.2
Bewijsoverwegingen
Betrouwbaarheid van verklaringen aangever
De advocaat voert aan dat de verklaringen van aangever [slachtoffer 1] niet bruikbaar zijn voor het bewijs, omdat deze tegenstrijdigheden bevatten en niet kloppen met de camerabeelden. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van de aangever op bepaalde punten weliswaar verandert in latere verklaringen, bijvoorbeeld ten aanzien van de volgorde waarin een en ander zou zijn gebeurd, maar dit nog niet maakt dat niet kan worden vastgesteld wie de aangever heeft gestoken. De aangever heeft namelijk vanaf zijn eerste verklaring verklaard dat het de man met de knot is geweest die hem heeft gestoken. Dit is in zijn aanvullende verklaring bij de politie en in zijn verklaring bij de rechter-commissaris niet veranderd. De rechtbank stelt op basis van de hierboven genoemde bewijsmiddelen vast dat het de verdachte is geweest die de aangever in zijn borst en rug heeft gestoken.
(Voorwaardelijk) opzet op zwaar lichamelijk letsel
De advocaat voert verder aan dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de poging tot zware mishandeling waarvan hij primair wordt beschuldigd, omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan het slachtoffer. De rechtbank oordeelt dat vol opzet op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden bewezen, maar dat dit anders is ten aanzien van voorwaardelijk opzet. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals in dit geval zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is als de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans op een gevolg, kan niet zonder meer volgen dat hij die kans ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld.
Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard. Van zo een geval is hier sprake.
De verdachte heeft het slachtoffer met een mes in de borst en de rug gestoken of op zijn minst genomen met een geopend mes in zijn hand tegen de borst en de rug geslagen waardoor het slachtoffer op beide plekken een steekwond heeft opgelopen. In de romp bevinden zich vitale organen, die kunnen worden geraakt door messteken. Dat die organen door de ribben worden beschermd maakt dat niet anders. Messteken tussen of onder de ribben kunnen desondanks zwaar letsel aan die organen, bijvoorbeeld de longen of de nieren, toebrengen. Daarbij komt dat door zulke messteken (slagaderlijke) bloedingen kunnen optreden, die meer dan eens levensreddende spoedoperaties noodzakelijk maken. De aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij messteken in borst en rug is dan ook een gegeven. Daarbij komt dat iemand die tijdens een vechtpartij een mes gebruikt niet zelf kan bepalen hoe een steek of een slag met een mes in de hand uitpakt. De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.
3.3.3
Bewijsmiddelen 16/220834-25, primair
De rechtbank oordeelt dat de verdachte het primaire feit van de beschuldiging onder parketnummer 16/220834-25 heeft gepleegd. De rechtbank gebruikt daarvoor de volgende bewijsmiddelen: [9]
Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] van 4 augustus 2025, voor zover inhoudende:
Op 4 augustus 2025 stond ik op de Rijnkade te Utrecht voor de ingang van Hoog Catharijne. Op een gegeven moment voelde ik iemand aan mijn kontzak van mijn broek zitten. In die broekzak had ik mijn bankpasjes zitten. Op het moment dat ik voelde dat er iemand aan mijn broek zat, vroeg ik gelijk aan die persoon wat hij aan het doen was. Op het moment dat ik met die persoon aan het praten was, werd ik geslagen door een andere persoon. De persoon die mij geslagen heeft is later aangehouden door de politie
(de rechtbank begrijpt: de verdachte). Ik zal deze persoon NN2 noemen.
NN2 kan ik als volgt omschrijven:
Licht getint
Zwart haar in knotje
De klap die NN2 gaf was op mijn neus. NN2 sloeg mij met zijn vuist. Het deed gelijk pijn op de plek waar ik geraakt werd. Ik zag en voelde ook gelijk bloed uit mijn neus stromen.
Tijdens de worsteling die daarna ontstond is mijn telefoon vanaf mijn fiets gestolen. Deze zat in een houder op het stuur van mijn fiets gemonteerd. [10]
Het proces-verbaal van bevindingen van 5 augustus 2025, voor zover inhoudende:
Ik zag dat NN01
(de rechtbank begrijpt hier: de verdachte)boos richting het slachtoffer wees. Ik zag dat de verdachte met de zwarte pet en de witte schouders een arm om hem heen sloeg. Ik zag NN02 en NN03 kijken naar de fiets en het lichaam van het slachtoffer. [11] Ik zag NN01 met gebalde vuist in sprint richting het slachtoffer rennen. Ik zag NN03 met zijn rechterhand in de jaszak van het slachtoffer gaan. Ik zag dat NN03 iets uit de jaszak haalde en dit in zijn rechter jaszak deed. [12] Ik zag dat NN01 een klap uitdeelde aan het slachtoffer. Ik zag dat hij het slachtoffer niet raakte. Ik zag dat het slachtoffer merkte dat iets uit zijn rechterjaszak was gehaald. Ik zag NN02 met zijn hand reiken naar de telefoonhouder van de fiets van het slachtoffer. [13]
Ik zag NN01 tijdens de eerste klap met zijn hand richting de telefoon grijpen. Hierdoor ging de telefoon uit de houder maar de telefoon bleef wel in de houder hangen. [14]
Ik zag NN02 met zijn linker hand de telefoon uit de telefoonhouder pakken. Ik zag NN01 een tweede klap uitdelen aan het slachtoffer. Ik zag dat het slachtoffer bezig was met NN03 omdat hij door had dat hij werd gerold. [15]
Ik zag NN02 met de zojuist gestolen telefoon in zijn hand. Ik zag dat de klap van NN01 mis was. [16]
Ik zag dat het slachtoffer probeerde zijn zojuist gestolen pasjeshouder terug te krijgen. Ik zag dat NN01 zijn vuist naar achter haalde en een rake klap gaf op de linker kaak van het slachtoffer. [17]
3.3.4
Bewijsoverwegingen
Medeplegen
De advocaat vraagt (voorwaardelijk) om aanhouding van de zaak indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het bestanddeel medeplegen, dat op de zitting door middel van een wijziging van de tenlastelegging aan de primaire variant is toegevoegd. De rechtbank oordeelt dat sprake is van medeplegen en legt hierna uit waarom. De rechtbank zal daarna ingaan op het verzoek tot aanhouding dat de advocaat hieraan koppelt.
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid van een verdachte aan een strafbaar feit als medepleger bewezen kan worden verklaard als is komen vast te staan dat bij het plegen daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte deel uitmaakte van het groepje dat om het slachtoffer heen is gaan staan en hem heeft beroofd. Meerdere leden van de groep zijn daarbij betrokken, als afleider, als zakkenroller, als wegnemer of, als de eerste diefstal door het slachtoffer wordt ontdekt, als geweldpleger om voor afleiding te zorgen.
Uit de aangifte en het relaas van de verbalisant die de camerabeelden heeft beschreven, blijkt dat de aangever ten prooi is gevallen aan de verdachte en zijn mededaders, die zijn telefoon hebben gestolen. De verdachte en zijn mededaders hebben als groep samengewerkt om het slachtoffer af te leiden en hem ondertussen ongemerkt te bestelen. Wanneer het slachtoffer merkt dat hij wordt gerold, werpt de verdachte zich als lid van de groep op om meer geweld te gebruiken, waarbij hij ondertussen tracht de telefoon van het slachtoffer te stelen. Uiteindelijk doet een ander lid van de groep dat alsnog, waarna de verdachte het slachtoffer nogmaals hard slaat met een vuist.
Deze manier om als groep een straatroof te plegen is zozeer gericht op het in onderlinge samenwerking bestelen van iemand, dat dit alleen mogelijk is binnen een nauwe én bewuste samenwerking tussen de leden van de groep, zoals die ook uit de camerabeelden blijkt. Dat samenwerkingsverband is enkel gericht op het plegen van strafbare feiten uit winstbejag.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering.
Omdat de rechtbank oordeelt dat de verdachte het primaire feit van de beschuldiging heeft gepleegd, bespreekt zij de verweren ten aanzien van het subsidiaire feit van de beschuldiging niet.
Voorwaardelijk verzoek aanhouding en afsplitsing
De advocaat voert aan dat zij, doordat de tenlastelegging pas op de zitting werd gewijzigd, geen mogelijkheid heeft gehad om eventuele onderzoekswensen in te dienen. Zij doet daarom het voorwaardelijke verzoek tot afsplitsing en aanhouding van de zaak onder parketnummer 16/220834-25, om de verdediging hiertoe alsnog in de gelegenheid te stellen. De rechtbank wijst dit verzoek af en legt hierna uit waarom.
Het is de officier van justitie op basis van de wet toegestaan om op de zitting een wijziging van de tenlastelegging te vorderen. In deze zaak heeft de rechtbank, nadat zij de advocaat (die geen bezwaar had tegen de gevorderde wijziging) hierover heeft gehoord, de wijziging van de tenlastelegging toegestaan. Nadat de griffier een ondertekend afschrift van die wijziging aan de advocaat heeft verstrekt, heeft de rechtbank aan de advocaat gevraagd of de behandeling van de zaak direct kon worden voortgezet. De advocaat heeft hiermee ingestemd, waarna de zaken van de verdachte inhoudelijk zijn behandeld.
Op het moment dat de voorzitter haar vroeg of de behandeling van de zaak direct kon worden voortgezet, heeft de advocaat de gelegenheid gehad om aan te geven dat dit niet kon omdat zij zich wenste te beraden op het indienen van eventuele onderzoekswensen. Omdat zij van die gelegenheid geen gebruik heeft gemaakt, is het alsnog bieden van de gelegenheid aan de verdediging om zich alsnog op eventuele onderzoekswensen te beraden onvoldoende reden om de zaak aan te houden. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad. De rechtbank wijst het verzoek tot afsplitsing en aanhouding van de zaak onder parketnummer 16/220834-25 dan ook af.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
16/230594-25, primair:
op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] met een mes heeft gestoken in de borst en de rug, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
16/220834-25, primair:
op 4 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met anderen een telefoon, die aan [slachtoffer 2] toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2] te slaan in het gezicht.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1.
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
16/230594-25, primair: poging tot zware mishandeling.
16/220834-25, primair: diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, gepleegd door twee of meer verenigde personen.
4.2.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 13 maanden, met aftrek van het voorarrest.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat vraagt de rechtbank om in de strafmaat rekening te houden met de LOVS-oriëntatiepunten en met het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor een geweldsdelict is veroordeeld.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van de verdachte mee. Dit licht de rechtbank hieronder toe.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling, door het slachtoffer met een mes in zijn borst en rug te steken. De verdachte heeft hiermee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Dat het slachtoffer geen ernstig letsel heeft opgelopen als gevolg van de messteken, is een gelukkig toeval. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het met anderen samen plegen van een straatroof waarbij hij het slachtoffer in zijn gezicht heeft gestompt. Als lid van de groep heeft de verdachte meegedaan aan het op een laffe manier stelen van de telefoon van het slachtoffer.
Beide geweldsincidenten vonden plaats op een openbare plek. Hierdoor is het goed mogelijk dat omstanders ongewild geconfronteerd zijn met het geweld. De verdachte heeft hiermee bij de slachtoffers, maar ongetwijfeld ook bij anderen gevoelens van onveiligheid veroorzaakt. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank kijkt ook naar de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zelf heeft hij daarover verklaard dat hij in het [verblijfplaats] in [plaats] verblijft en 60 euro weekgeld ontvangt. Ook heeft hij verteld dat hij inmiddels een jaar in Nederland verblijft, een vriendin in Utrecht heeft en af en toe bij vrienden in Utrecht verblijft.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het strafblad van de verdachte van 11 november 2025, waaruit blijkt dat hij eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 7 maanden. Bij een poging wordt volgens de landelijke oriëntatiepunten twee derde deel aangehouden van de straf voor het voltooide delict. Dat komt in dit geval neer op een gevangenisstraf van 4 maanden.
Het oriëntatiepunt voor een straatroof met licht geweld of verbale bedreiging terwijl sprake is van recidive is een gevangenisstraf van 8 maanden.
Strafoplegging
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd rechtvaardigen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank neemt 12 maanden gevangenisstraf als vertrekpunt, gelet op voornoemde oriëntatiepunten.
De rechtbank houdt in strafverzwarende zin rekening met het volgende. De straatroof is samen met anderen gepleegd, beide feiten vonden plaats in het openbaar, de verdachte is eerder voor een vermogensdelict veroordeeld en bovendien heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden. De rechtbank ziet geen omstandigheden die zij in strafverminderende zin meeweegt. De rechtbank ziet geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
Gelet op dit alles legt de rechtbank aan de verdachte een gevangenisstraf van 13 maanden op, met aftrek van het voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de straf
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting.
De voorlopige hechtenis
De verdediging heeft verzocht om de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen. De verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die langer duurt dan het voorarrest. De rechtbank zal het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis daarom afwijzen.

6.Vordering benadeelde partij

6.1
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert een bedrag van € 621,-. Dit bedrag bestaat uit € 121,- aan materiële schade en € 500,- aan immateriële schade. De gevorderde materiële schadevergoeding ziet op de gestolen telefoon, waarvan de waarde door de benadeelde partij is geschat op € 121,- op basis van vergelijkbare modellen die tweedehands worden aangeboden. De gevorderde immateriële schadevergoeding van € 500,- ziet op zowel lichamelijk als psychisch letsel.
De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te verhogen met de wettelijke rente. Daarnaast verzoekt de benadeelde partij om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevraagd om de vordering ten aanzien van de materiële schade volledig toe te wijzen en deze ten aanzien van de immateriële schade toe te wijzen tot €300,-. Ook heeft de officier van justitie gevraagd om het toe te wijzen bedrag te verhogen met de wettelijke rente en om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. De officier van justitie heeft ook gevraagd om een hoofdelijke veroordeling van de verdachte.
6.3
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert allereerst aan dat de benadeelde niet-ontvankelijk moet worden verklaard, gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering ten aanzien van de materiële schade af te wijzen of de benadeelde partij voor dat deel niet-ontvankelijk te verklaren, omdat de verdachte de telefoon niet heeft weggenomen of omdat kan worden aangenomen dat de benadeelde partij het telefoontoestel al heeft teruggekregen van de politie. De verdediging verzoekt ook om de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, omdat deze schade onvoldoende is onderbouwd. Subsidiair verzoekt de verdediging de toe te wijze immateriële schade te matigen tot €100,-.
6.4
Oordeel van de rechtbank
Met betrekking tot de materiële schade
De vordering ziet voor het materiële gedeelte op de weggenomen telefoon (parketnummer 16/220834-25), door de benadeelde partij begroot op € 121,-.
Op de zitting is gebleken dat de desbetreffende telefoon in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (16/226611-25) in beslag is genomen en dat de politierechter in die zaak heeft beslist tot teruggave hiervan aan de rechthebbende. Dat betekent dat de benadeelde partij zich tot de politie kan wenden om zijn telefoon terug te krijgen. Bij die stand van zaken kan de rechtbank niet vaststellen dat de benadeelde partij als gevolg van de diefstal van zijn telefoon materiële schade heeft geleden. Dat deel van de vordering zal de rechtbank daarom afwijzen.
Met betrekking tot de immateriële schade
Op grond van artikel 6:106 sub b van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) komt een benadeelde partij onder meer een vergoeding toe als sprake is van lichamelijk letsel. De rechtbank stelt op basis van de door de benadeelde partij gegeven onderbouwing vast dat hij lichamelijk letsel heeft opgelopen en dat hij om die reden dus recht heeft op een vergoeding voor immateriële schade. De benadeelde partij heeft als gevolg van het bewezenverklaarde een bloedende en gezwollen neus opgelopen. Uit de onderbouwing van de vordering blijkt dat de benadeelde partij hiervan nog twee weken pijn heeft ondervonden.
Gelet op de motivering en onderbouwing van de immateriële schade en wat in vergelijkbare gevallen aan schadevergoeding wordt toegewezen, maar ook in het licht van wat in de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] (16/226611-25) aan deze benadeelde partij is toegewezen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering, naar maatstaven van billijkheid, tot € 300,- kan worden toegewezen.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering en zal bepalen dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.
Hoofdelijkheid
Naar burgerlijk recht is de verdachte met zijn mededader(s) voor de schade hoofdelijk aansprakelijk. Dit betekent dat de verdachte tegenover de benadeelde partij voor dat hele bedrag aansprakelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het wettelijke uitgangspunt van hoofdelijke aansprakelijkheid. De rechtbank zal dan ook bepalen dat de verdachte samen met zijn mededader(s) hoofdelijk aansprakelijk is voor het toegewezen schadebedrag.
Veroordeling in de kosten
De verdachte zal ook worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken. Deze kosten worden tot op dit moment begroot op nihil.
Wettelijke rente
Voor zover de rechtbank de vordering toewijst, zal zij het toegewezen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan, namelijk 4 augustus 2025.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte opgelegd. Deze maatregel houdt de verplichting tot betaling van het toegewezen bedrag aan de Staat in, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de data zoals hierboven vermeld, tot de dag van volledige betaling.
Als de verdachte niet betaalt, wordt deze verplichting aangevuld met het bijbehorende aantal dagen gijzeling zoals hieronder vermeld in de beslissing, waarbij toepassing van gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.
De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

7.Vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf

De politierechter heeft aan de verdachte in de zaak met parketnummer 16/115891-25 op 17 april 2025 een gevangenisstraf van 11 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan 7 dagen voorwaardelijk opgelegd, met een proeftijd van 2 jaar.
7.1
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de rechtbank de vordering toewijst, zodat de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde straf ten uitvoer wordt gelegd. Volgens de officier van justitie heeft de verdachte zich niet gehouden aan de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig mag maken aan een strafbaar feit.
7.2
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt primair de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen en subsidiair om de proeftijd te verlengen.
7.3
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. Daarom zal de voorwaardelijke straf (7 dagen gevangenisstraf) alsnog ten uitvoer gelegd worden.

8.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- artikelen 36f, 45, 47, 57, 302 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte de feiten zoals deze onder beide parketnummers primair op de beschuldiging staan heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvan
13 maanden;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (16/220834-25)
- wijst het gedeelte van de vordering af dat ziet op de materiële schade;
- wijst de vordering van [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 300,- bestaande uit
immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling aan [slachtoffer 2] van het toegewezen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2025 tot de dag van de algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij voor wat betreft het meer gevorderde immateriële schadebedrag niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt de verdachte de hoofdelijke verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 300,- te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2025 tot de dag van de volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 3 dagen gijzeling.
vordering tot tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de door de politierechter van de rechtbank Midden-Nederland in Utrecht bij vonnis van 17 april 2025 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van 7 dagen;
voorlopige hechtenis
- wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Ourahma, voorzitter, mr. drs. S.M. van Lieshout en mr. J.T. Pouw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.D. Pronk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:
16/230594-25:
primair:
hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] een of meerdere keren met een mes, althans een puntig voorwerp, heeft gestoken/gesneden in de borst en/of rug,
althans in het lichaam, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
hij op of omstreeks 31 augustus 2025 te Utrecht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] :
- tegen het lichaam te slaan en/of schoppen en/of
- een of meerdere keren met een mes, althans een puntig voorwerp, te
steken/snijden in de borst en/of rug, althans in het lichaam;
16/220834-25:
primair:
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Utrecht
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd voorafgegaan,
vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen
[slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of
gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan
zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk
te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door die [slachtoffer 2]
te slaan in het gezicht, althans tegen het lichaam;
subsidiair
hij op of omstreeks 4 augustus 2025 te Utrecht [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door te slaan in het gezicht, althans tegen het lichaam.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025296076, doorgenummerd pagina 1 tot en met 124. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
2.Pagina 10.
3.Pagina 11.
4.Pagina 15.
5.Pagina 16.
6.Pagina 32.
7.Pagina 54.
8.Pagina 56.
9.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer PL0900-2025286810, doorgenummerd pagina 1 tot en met 78. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste Pro lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.
10.Pagina 6.
11.Pagina 67.
12.Pagina 68.
13.Pagina 69.
14.Pagina 71.
15.Pagina 72.
16.Pagina 73.
17.Pagina 75.