ECLI:NL:RBMNE:2026:632

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
606004 / HA RK 26-13
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 lid 3 AwbHoofdstuk 3, artikel 3.1 Wrakingsprotocol Midden-Nederland
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter wegens procesbeslissing en gebrek aan vooringenomenheid

Verzoekers dienden tijdens de mondelinge behandeling een wrakingsverzoek in tegen de behandelend rechter, omdat hun aanhoudingsverzoeken niet werden gehonoreerd en zij het gevoel hadden dat de rechter niet serieus naar hen luisterde. De gemachtigde van verzoekers gaf aan door persoonlijke omstandigheden in Iran niet in staat te zijn haar cliënten goed te vertegenwoordigen, hetgeen door de rechter niet werd meegenomen.

De wrakingskamer onderzocht het verzoek en oordeelde dat de beslissing van de rechter om het aanhoudingsverzoek af te wijzen een procesbeslissing betreft, die geen geldige grond voor wraking kan vormen. Ook de motivering van deze beslissing kan slechts aanleiding geven tot wraking indien deze een uiting van vooringenomenheid is, wat hier niet het geval was.

De kamer nam een uitzondering op de hoofdregel door ook later aangevoerde wrakingsgronden mee te wegen, omdat de rechter niet expliciet naar deze gronden had gevraagd. Desondanks bleek geen sprake van vooringenomenheid. De interne miscommunicatie binnen de rechtbank en het feit dat de rechter de zitting niet aanhield ondanks de situatie in Iran, rechtvaardigen geen wraking.

De wrakingskamer concludeerde dat het wrakingsverzoek ongegrond is en wees het af. De procedures worden voortgezet in de stand waarin zij zich bevonden ten tijde van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek wordt afgewezen omdat geen sprake is van vooringenomenheid en de beslissing een procesbeslissing betreft.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
WRAKINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 606004 / HA RK 26-13
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken
van 24 februari 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
V-nummers [V-nummer] en [V-nummer]
hierna: verzoekers,
bijgestaan door mr. F. Maleki.

1.De procedure

1.1.
Verzoekers hebben tijdens de mondelinge behandeling op 26 januari 2026 mr. S.G.M. van Veen gewraakt. Mr. Van Veen (hierna: de rechter) is de behandelend rechter in de zaken met de nummers 25/24829 en 25/24834 (hierna: de hoofdzaak). Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is aan de wrakingskamer verstrekt.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 10 februari 2026 in het openbaar behandeld door de wrakingskamer.
1.3.
Alleen gemachtigde van verzoekers is naar de zitting gekomen. De rechter heeft vooraf een schriftelijke reactie ingediend.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekers hebben hun wrakingsverzoek ingediend tijdens de mondelinge behandeling, omdat de rechter het eerste door hen voorafgaand aan de zitting ingediende aanhoudingsverzoek vanwege de situatie in Iran heeft afgewezen en op het tweede niet heeft gereageerd. Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft de gemachtigde van verzoekers (hierna: gemachtigde) aanvullend verklaard dat zij het gevoel kreeg dat de rechter niet naar haar luisterde en zich niet serieus in de zaak verdiept had vanwege de wijze waarop er met haar beide aanhoudingsverzoeken is omgegaan. De gemachtigde was vanwege de situatie in Iran fysiek en mentaal niet in staat haar cliënten goed bij te staan. De rechter heeft daar niet naar geluisterd. Daarnaast is het onbegrijpelijk dat de zaak, gezien de situatie in Iran niet is aangehouden, gelet ook op de nog te verwachten uitspraak van de Raad van State naar aanleiding van de zitting van 4 november 2025 over de afvalligen in Iran en over de ondervragingen op het vliegveld in Iran, en de lijn waarop andere rechtbanken in Nederland zitten. Dit heeft ertoe geleid dat de gemachtigde geen vertrouwen meer heeft in de rechter en haar deskundigheid.
2.2.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft de rechter dit uitgelegd. Zij is van mening dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat haar beslissing om het aanhoudingsverzoek af te wijzen een procesbeslissing is en daarom geen geldige reden voor wraking kan zijn. Daarnaast vindt de rechter dat de gemachtigde in het wrakingsverzoek geen concrete omstandigheden heeft genoemd op grond waarvan zou blijken dat zij partijdig is. Het eerste aanhoudingsverzoek is met een standaard brief afgewezen en op het tweede aanhoudingsverzoek is door een interne miscommunicatie binnen de rechtbank voorafgaand aan de zitting niet meer gereageerd. De rechter wilde tijdens de zitting met partijen spreken over de situatie in Iran, maar daar is zij door het wrakingsverzoek niet aan toe gekomen.

3.De beoordeling

Het toetsingskader

3.1.
In artikel 8:15 Awb Pro staat dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
De wrakingskamer onderzoekt in een wrakingsprocedure of de onpartijdigheid van de rechter schade lijdt. Een rechter wordt geacht onpartijdig te zijn tot het tegendeel vaststaat. Een rechter is partijdig als uit dat wat zij doet of zegt (of juist niet) blijkt dat zij een persoonlijke vooringenomenheid heeft tegenover een procespartij. Daarnaast kan een procespartij het idee hebben dat de rechter vooringenomen is, of zij kan daar bang voor zijn. In dat geval onderzoekt de wrakingskamer of dat objectief gerechtvaardigd is. Als dat zo is, lijdt de rechterlijke onpartijdigheid schade.
De aanvulling van wrakingsgronden
3.3.
Uit artikel 8:16 lid 3 Awb Pro volgt dat alle feiten en omstandigheden, die aanleiding hebben gegeven tot het wrakingsverzoek tegelijk moeten worden aangedragen met het indienen van het wrakingsverzoek. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat in dit geval geen wrakingsgronden zijn genoemd bij het indienen van het wrakingsverzoek. Tijdens de zitting van de wrakingskamer heeft de gemachtigde dit alsnog gedaan.
3.4.
In beginsel kunnen deze later aangevoerde wrakingsgronden niet meer worden meegenomen in de beoordeling van het wrakingsverzoek. De gemachtigde heeft daarover verklaard dat toen zij tijdens de mondelinge behandeling in de hoofdzaak aankondigde de rechter te wraken er verder niet meer inhoudelijk is gesproken, omdat de rechter vertelde dat dit door de wraking niet meer mocht. De rechter heeft volgens de gemachtigde niet gevraagd naar de wrakingsgronden.
De wrakingskamer stelt vast dat het proces-verbaal van de zitting de door de gemachtigde geschetste gang van zaken ondersteunt en dat de rechter de gemachtigde van verzoekers niet expliciet heeft gevraagd naar de gronden van de wraking, terwijl het wrakingprotocol dit wel voorschrijft [1] . De wrakingskamer zal daarom een uitzondering maken op de hoofdregel en de later aangevoerde wrakingsgronden betrekken bij de beoordeling van het wrakingsverzoek.
Het oordeel van de wrakingskamer
3.5.
De beslissing van de rechter het aanhoudingsverzoek af te wijzen, is een procesbeslissing. Uit rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat een beslissing als zodanig nooit een reden kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag ook geen oordeel geven over de juistheid van de procesbeslissing van de rechter. Dat kan alleen worden gedaan door de rechter in hoger beroep.
3.6.
Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procesbeslissing als reden voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid van de rechter die de motivering heeft gegeven. [2]
3.7.
In de schriftelijke reactie van de rechtbank van 22 januari 2026 is vermeld dat het aanhoudingsverzoek wordt afgewezen, omdat de aangevoerde reden voor het aanhoudingsverzoek niet een uitzonderlijke omstandigheid oplevert. Naar het oordeel van de wrakingskamer kan daaruit geen vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid. Vervolgens is er op het tweede aanhoudingsverzoek door de rechter niet meer gereageerd als gevolg van een interne miscommunicatie binnen de rechtbank. Naar het oordeel van de wrakingskamer is dit een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar kan daaruit evenmin vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid.
3.8.
De gemachtigde verwijt de rechter geen rekening te hebben gehouden met haar persoonlijke omstandigheden door de gebeurtenissen in Iran waardoor zij niet in staat was om haar cliënten goed te kunnen vertegenwoordigen. De wrakingskamer heeft gezien hoe de situatie in Iran de gemachtigde emotioneel raakt. Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat de rechter dit op de zitting ook heeft gezien. De wrakingskamer stelt echter vast dat uit de beide schriftelijke aanhoudingsverzoeken niet blijkt dat de omstandigheid dat zij niet in staat was om haar cliënten goed te vertegenwoordigen voor de gemachtigde (mede) de reden is geweest van het aanhoudingsverzoek. De rechter kon dit voorafgaand aan de mondelinge behandeling dus ook niet weten, laat staan daar rekening mee houden bij het nemen van haar beslissing. Tijdens de zitting lijkt dit de rechter wel duidelijk te worden, maar op dat moment heeft de gemachtigde van verzoekers al een wrakingsverzoek ingediend. Vooringenomenheid van de rechter bij het nemen van haar beslissing de zitting niet aan te houden, kan daar niet uit worden afgeleid.
3.9.
Ook uit de omstandigheid dat de rechter met het laten doorgaan van de zitting mogelijkerwijs een andere lijn volgt dan andere rechtbanken in Nederland, blijkt nog geen vooringenomenheid van de rechter. Het al dan niet laten doorgaan van een zitting zegt immers nog niets over de uitkomst van de procedure. Dit geldt ook voor de stelling van gemachtigde dat uit de beslissing van de rechter blijkt dat zij ondeskundig is.
3.10.
De conclusie is dan ook dat van vooringenomenheid bij de rechter niet is gebleken en dat de wrakingskamer het wrakingsverzoek afwijst.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
wijst het wrakingsverzoek af;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te sturen aan verzoekers, de rechter waartegen het wrakingsverzoek is gericht, andere betrokken partijen, de teamvoorzitter van het team waarin de rechter werkt en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de procedures van verzoekers met de zaaknummers 25/24829 en 25/24834 moeten worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek;
Deze beslissing is genomen door mr. M.E. Heinemann, voorzitter, en mrs. L.C. Michon en B.G.W.P. Heijne als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. C.E.M. Roeleveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Hoofstuk 3, artikel 3.1 van het Wrakingsprotocol Midden-Nederland