ECLI:NL:RBMNE:2026:638

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
13 februari 2026
Publicatiedatum
25 februari 2026
Zaaknummer
11812131, 11812175
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 RVV 1990Art. 5 WahvArt. 13a lid 1 WahvArt. 13a lid 2 WahvArt. 3 lid 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke gegrondverklaring beroep tegen administratieve sancties voor rechts inhalen op snelweg

Betrokkene kreeg twee administratieve sancties van €280,- opgelegd voor rechts inhalen op de A27 bij Eemnes op 10 augustus 2023. De officier van justitie handhaafde deze sancties, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter. Tijdens de zitting op 13 februari 2026 werd het beroep gezamenlijk behandeld en partijen konden hun standpunten toelichten.

De kantonrechter oordeelde dat de verbalisant terecht van staandehouding afzag vanwege de omstandigheden: de overtredingen vonden plaats op een snelweg buiten de bebouwde kom, zonder stopmiddelen, en betrokkene reed circa 150 km/u. De gedragingen betroffen twee afzonderlijke handelingen rechts inhalen, geen voortgezette handeling, en vormden een serieus gevaar voor de verkeersveiligheid.

De kantonrechter stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en matigde daarom de sancties met 25%. Tevens werd een proceskostenvergoeding toegekend van €116,75 per zaak, rekening houdend met de wegingsfactor en samenhang van de zaken. De sancties werden verlaagd naar €157,50 per overtreding en de officier van justitie werd veroordeeld tot terugbetaling van het teveel betaalde bedrag en vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard, de sancties zijn gematigd tot €157,50 per overtreding en proceskostenvergoeding is toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
zittingsplaats Utrecht
zaaknummers: 11812131 en 11812175
CJIB-nummers: 260265399 en 260265398
beslissing van de kantonrechter en proces-verbaal van de zitting van 13 februari 2026
inzake

[betrokkene] , te [postcode] ' [plaats] , [postbus] ,

hierna te noemen: betrokkene,
gemachtigde: [gemachtigde] .

PROCESVERLOOP

Bij inleidende beschikking is aan betrokkene een tweetal administratieve sancties opgelegd van € 280,00. De sancties zijn opgelegd voor een gedraging op 10 augustus 2023 om 7:03 en om 7:04 uur te A27 (Eemnes) met de personenauto, kenteken [kenteken] . Het gaat om de gedraging: rechts inhalen waar dat is verboden.
Bij beslissing op het administratief beroep heeft de officier van justitie de sancties gehandhaafd en de beroepen ongegrond verklaard. Tegen beide beslissingen van de officier van justitie heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Het beroep tegen de opgelegde sancties is op de zitting van 13 februari 2026 gezamenlijk behandeld. De kantonrechter heeft partijen op deze zitting in de gelegenheid gesteld hun zienswijze nader toe te lichten. Namens betrokkene is een gemachtigde verschenen. Betrokkene is zelf ook verschenen. Namens de officier van justitie is een zittingsvertegenwoordiger verschenen.
De kantonrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk uitspraak gedaan.

STANDPUNTEN

De gemachtigde stelt dat de omstandigheden waaronder de gedraging heeft plaatsgevonden, het opleggen van een van de administratieve sancties niet bilijken. Daarnaast stelt de gemachtigde dat betrokkene ten onrechte niet is staande gehouden en de hoorplicht is geschonden. De zittingsvertegenwoordiger heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter gedeeltelijk gegrond is.

BEOORDELING

De kantonrechter stelt allereerst vast dat de verbalisant terecht heeft mogen afzien van staandehouding. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de verbalisant de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid heeft bestaan om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Naar het oordeel van de kantonrechter is de opgegeven reden van de verbalisant voldoende toereikend om te kunnen vaststellen dat verbalisant terecht van staandehouding heeft afgezien. Voor dit oordeel verwijst de kantonrechter mede naar een arrest van 29 oktober 2020, gewezen door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2020:8844). De gedraging is geconstateerd op een snelweg door een verbalisant in voertuig zonder aanwezigheid van stopmiddelen. De situatie in kwestie vond plaats buiten de bebouwde kom, op een autosnelweg. In dat geval is een natuurlijke vorm van staandehouding evenmin reëel. De betrokkene reed bovendien een geschatte snelheid van 150 km/u, waardoor er geen mogelijkheid bestond voor de verbalisant om hem zonder stopmiddelen te volgen. Voorgaande leidt tot het oordeel dat de verbalisant terecht op kenteken heeft mogen bekeuren. De beroepsgrond van betrokkene slaagt derhalve niet.

Tweemaal rechts inhalen waar dat is verboden

De gedragingen betreffen een overtreding van artikel 11, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990). In deze bepaling is opgenomen dat het een eenieder verboden is rechts in te halen op plaatsen waar dat niet is toegestaan.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan op basis van het dossier en de verklaring van betrokkene zelf worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
De gemachtigde doet tegelijkertijd een beroep een van de sancties te matigen tot nihil, omdat sprake zou zijn van een voortgezette handeling. De kantonrechter stelt vast dat er in deze zaak geen sprake is van een voortgezette handeling. Door de verbalisant is voldoende duidelijk verklaard dat hij betrokkene tweemaal een handeling heeft zien verrichten waarbij hij meerdere voertuigen rechts inhaalde. Het gaat hierbij om twee gedragingen binnen een kort tijdsbestek die een serieus gevaar vormen voor de verkeersveiligheid. De kantonrechter houdt er in het bijzonder rekening mee dat de twee gedragingen op twee verschillende plaatsen heeft plaats gevonden, namelijk ter hoogte van hmp. 99L en ter hoogte van hmp. 100L, waarbij betrokkene tussendoor opnieuw op rijstrook een heeft gereden. Hierdoor is sprake van een nieuw wilsbesluit. Het verhaal van betrokkene dat hij bij een van de inhaalmanoeuvres rechts van de blokmarkering reed, is niet consistent en strookt bovendien geenszins met de verklaring van de verbalisant. Er bestaat dan ook geen aanleiding om aan de verklaring van betrokkene doorslaggevende betekenis te geven.

Redelijke termijn en proceskostenvergoeding

De kantonrechter stelt verder vast dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden. In lijn met vaste jurisprudentie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verbindt de kantonrechter aan deze constatering dat het sanctiebedrag wordt gematigd met 25% (ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Daarnaast bestaat er aanleiding voor vergoeding van proceskosten voor een door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Er is geen sprake van een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zodat de kosten, gemaakt in administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt betrokkene € 934,- per proceshandeling in de kantonfase. In de kantonfase heeft de gemachtigde een beroepschrift ingediend en de zitting bijgewoond. Vanwege de aard van de zaak hanteert de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (licht). De initiële vergoeding bedraagt daarom 2 x 934 x 0,5 = € 934.
De hoogte van de uiteindelijke vergoeding wordt daarnaast vermenigvuldigd met 0,25, omdat de sanctie wordt vernietigd of gewijzigd en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 13a, tweede lid, van de Wahv. De totale vergoeding bedraagt daarmee € 934 x 0,25 = € 233,50.
Naar het oordeel van de kantonrechter wordt in de fase van het beroep bij de kantonrechter ten aanzien van deze twee zaken ook nog voldaan aan de criteria omschreven in artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bbp). Het gaat hier om twee zaken van door een belanghebbende ingestelde beroepen, die door de kantonrechter gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig zijn behandeld, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onder a, is verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De hoogte van de door de officier van justitie te vergoeden proceskostenvergoeding per zaak wordt vervolgens bepaald door het toe te kennen bedrag te delen door het aantal samenhangende zaken. Aldus bedraagt de proceskostenvergoeding uiteindelijk per zaak € 116,75 (€ 233,50 : 2).

BESLISSING

De kantonrechter:
  • verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;
  • wijzigt de beslissingen van de officier van justitie;
  • stelt het bedrag van de sanctie met CJIB-nummer 260265398 op € 157,50;
  • stelt het bedrag van de sanctie met CJIB-nummer 260265399 op € 157,50;
  • bepaalt dat de officier van justitie in beide zaken aan betrokkene het teveel betaalde teruggeeft;
  • veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 116,75 per zaak.
Deze beslissing is genomen door mr. J.T. Pouw, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare zitting van 13 februari 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
de griffier, de kantonrechter,
mr. L. Nafzger mr. J.T. Pouw
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
de u opgelegde administratieve sanctie meer dan € 110,00 bedraagt, of
uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.
Het beroepschrift moet worden ingediend bij
de rechtbank Midden-Nederland, Afdeling Strafrecht,
locatie Utrecht, o.v.v. Mulderzaken, postbus 16005, 3500 DA Utrecht.
Let u erop dat u of uw gemachtigde het beroepschrift heeft ondertekend.
De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in uw beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting vraagt waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.
Datum toezending proces-verbaal: