Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:641

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3117
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Pw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor orthodontiekosten wegens aanvullende verzekering

Eiser vroeg bijzondere bijstand aan voor orthodontiekosten van zijn dochter, maar het college wees de aanvraag af voor de eerste € 2.000,- omdat deze kosten door een aanvullende verzekering gedekt hadden kunnen worden. Het college vergoedde alleen de meerkosten boven dit bedrag.

Eiser voerde aan dat hij door het wegvallen van een collectieve verzekering een wachttijd had en de behandeling niet kon afbreken, maar de rechtbank stelde vast dat eiser inmiddels een aanvullende verzekering zonder wachttijd had afgesloten en reeds een vergoeding van € 1.694,67 had ontvangen.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen recht had op bijzondere bijstand voor de eerste € 2.000,- en dat het college het beleid correct had toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van bijzondere bijstand voor de eerste € 2.000,- orthodontiekosten wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3117

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: W. van Beveren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor de kosten van de orthodontist voor zijn dochter. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college terecht de aanvraag heeft aangewezen
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 12 maart 2024 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van de orthodontie behandeling voor zijn dochter. Haar eerste consult was op 2 mei 2024.
4. Met het besluit van 14 mei 2024 heeft het college bijzondere bijstand toegekend van 14 mei 2024 tot en met 31 december 2024 ter hoogte van € 0,00 per maand. In het besluit staat vermeld dat eiser zich aanvullend moet verzekeren per 1 januari 2025 zodat hij aanspraak kan maken op € 2.000,- vanuit die aanvullende verzekering.
5. Op 14 november 2024 heeft eiser een nota ingediend van € 541,80.
6. Met het besluit van 27 november 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen omdat in het besluit van 14 mei 2024 geen bedrag stond. Het college vergoedt de meerkosten orthodontie tot een bedrag van € 1.285,45. Het college licht hierbij toe dat uit de begroting van 3 mei 2024 blijkt dat de totale kosten € 3.285,45 bedragen. Het college brengt op dit bedrag de maximale vergoeding van € 2.000,- door de aanvullende verzekering in mindering zodat eiser recht heeft op een vergoeding van maximaal € 1.285,45. Omdat eiser al een totaalbedrag van € 1.079,66 aan nota’s heeft ingeleverd bedraagt het restant van de vergoeding € 205,79. Van de nota van 14 november 2024 van € 541,80 vergoedt het college dus een bedrag van € 205,79. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
7. Met het besluit van 3 april 2025 (bestreden besluit) heeft het college besloten het besluit van 27 november 2024 te herroepen en besloten de resterende kosten van de nota van 14 november 2024 te vergoeden. Dit betreft een bedrag van € 336,01, waarmee de volledige factuur door het college is vergoed. Het college is daartoe over gegaan omdat in het besluit van 14 mei 2024 niet duidelijk stond vermeld dat er sprake was van een maximale vergoeding van € 1.285,45. Eiser heeft dus in totaal € 1.694,67 vergoed gekregen van het college.
8. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Alleen de gemachtigde van het college was hierbij aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

9. Het college stelt zich (in het bestreden besluit en het verweerschrift) op het standpunt dat eiser op grond van artikel 15 van Pro de Pw geen recht heeft op bijzondere bijstand voor de kosten van orthodontie. Het college heeft tegenwettelijk beleid. In het beleid in 2024 stond dat bijzondere bijstand voor kosten die door de aanvullende verzekering voorkomen hadden kunnen worden, in beginsel niet mogelijk was. In deze situatie werd wel bijzondere bijstand verleend voor de kosten die niet of niet geheel (zouden) worden gedekt door de aanvullende verzekering (de meerkosten boven het bedrag van € 2.000,-). Dat is in het geval van eiser ook zo toegepast. Er waren twee uitzonderingen:
  • Wanneer een klant onder de wanbetalersregeling viel en toewerkte naar een schuldenregeling;
  • Wanneer er vooraf geen aanleiding was zich aanvullend te verzekeren. In de beoordeling werd gekeken of de persoon bij de keuze van de verzekering had kunnen verwachten dat hij dergelijke kosten zou maken.
Deze uitzonderingen doen zich volgens het college bij eiser niet voor. Eiser had in 2024 een aanvullende verzekering kunnen afsluiten. De kosten waren voorzienbaar. De dochter van eiser is begin 2024 door de tandarts naar de orthodontist verwezen omdat haar tanden scheef stonden. Eiser had met ingang van het nieuwe verzekeringsjaar al kunnen verwachten dat gelet op de scheve tanden en de leeftijd van zijn dochter een orthodontiebehandeling eraan zat te komen. Dat eiser in 2024 geen aanvullende verzekering heeft afgesloten is zijn eigen verantwoordelijkheid. Eiser komt dus op grond van zowel het beleid in 2024 als het beleid in 2025 niet in aanmerking voor bijzondere bijstand voor de eerste € 2.000,-.
10. Eiser meent echter dat het college ook de eerste € 2.000,- moet vergoeden. Eiser heeft twee gronden van beroep aangevoerd, die de rechtbank hieronder zal bespreken.
Wachttijd
11. Eiser stelt allereerst dat de gemeente een collectieve verzekering had, waarbij eiser was aangesloten. Hij was daarmee verzekerd bij Zorg en Zekerheid. Eiser wilde vanaf 1 januari 2025 een aanvullende verzekering afsluiten, zodat de kosten van orthodontie tot € 2.000,- vergoed zouden worden. Echter, de gemeente is plotseling gestopt met die collectieve verzekering. Eiser moest dus een nieuwe verzekering afsluiten en verzekeraars hanteren dan een wachttijd van een jaar voor kosten van orthodontie. Eiser heeft er in zijn beroepsgronden op gewezen dat de behandeling van zijn dochter al is begonnen en niet afgebroken kan worden en dat hij houder is van de U-pas en dus niet in staat is de behandeling te bekostigen.
11. Het college heeft in het verweerschrift opgenomen dat eiser per 1 januari 2025 een zorgverzekering heeft afgesloten bij een verzekeraar die geen wachttijd hanteert voor de kosten van orthodontie. De dochter valt namelijk onder de TandTop verzekering van Salland Verzekeringen. Het college concludeert dat eiser al € 1.694,67 vergoed heeft gekregen van de gemeente en dat hij dus ook per 1 januari 2025 verzekerd is voor de kosten van orthodontie.
13. De rechtbank stelt vast dat eiser de stelling van de gemeente niet heeft betwist. Eiser is ook niet ter zitting verschenen. Dat betekent dat hij de vragen die de rechtbank daarover had willen stellen, niet heeft kunnen beantwoorden. De rechtbank kan dan ook niet anders dan concluderen dat eiser een verzekering heeft die de kosten van orthodontie vergoedt en dat eiser dus geen last heeft gehad van een wachttijd. Dat betekent ook dat geen sprake is van het moeten afbreken van de behandeling of het zelf bekostigen van de behandeling. De grond faalt dan ook.
Besluit van 14 mei 2024
14. Eiser wijst erop dat in het besluit van 14 mei 2024 stond dat hij de kosten van orthodontie kon declareren tot het einde van dat jaar. Er staat immers: “U krijgt van 14 mei 2024 tot en met 31 december 2024 elke maand € 0,00”. Eiser stelt dat hij vervolgens heeft gebeld met de afdeling bijzondere bijstand en dat zij aangaven dat de kosten gedeclareerd konden worden tot en met 31 december 2024.
15. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet slaagt. Allereerst blijkt uit het besluit van 14 mei 2024 nu juist dat hij maandelijks niets krijgt, namelijk € 0,00. In zoverre kan de rechtbank niet volgen dat eiser daaruit heeft afgeleid dat hij kosten voor orthodontie vergoed kreeg tot het einde van dat jaar. Daarnaast staat in dat besluit dat eiser zich per 1 januari 2025 aanvullend moest verzekeren, zodat hij € 2.000,- vergoed kreeg van de verzekering. Er staat expliciet dat dat bedrag niet door het college wordt vergoed. Bovendien heeft het college een nieuw besluit genomen juist omdat er geen bedrag was genoemd in het besluit van 14 mei 2024. Daarin staat dat eiser een vergoeding voor de meerkosten van orthodontie kan krijgen tot maximaal € 1.285,45. De rechtbank oordeelt dan ook dat uit de besluitvorming op geen enkele manier blijkt dat hij in de periode van 14 mei 2024 tot en met 31 december 2024 recht zou hebben op een hogere vergoeding dan € 1.285,45.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier, uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.