ECLI:NL:RBMNE:2026:645

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
12002315 MV EXPL 25-198 RD/960
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Executiegeschil over dwangsommen en beslaglegging bij huurgeschil bedrijfsruimte

Graaf Wichman Huizen Vastgoed B.V. en [gedaagde partij] B.V. zijn verwikkeld in een langdurig huurgeschil over een bedrijfsruimte waarin een bowlingcentrum wordt geëxploiteerd. Na eerdere vonnissen over huurachterstanden en servicekosten, waarbij dwangsommen werden opgelegd, ontstond onenigheid over de uitvoering van deze vonnissen en de rechtmatigheid van executiemaatregelen.

Graaf Wichman vorderde in kort geding onder meer een verbod op executie van dwangsommen en een verbod op verrekening van dwangsommen met huurachterstanden. [gedaagde partij] vorderde opheffing van het executoriaal beslag op haar aandelen. De rechtbank oordeelde dat Graaf Wichman aan haar verplichtingen tot het verstrekken van informatie had voldaan, maar dat [gedaagde partij] tijd nodig heeft om deze te beoordelen in overleg met een deskundige.

De rechtbank weegt de belangen en concludeert dat het belang van [gedaagde partij] bij het kunnen uitvoeren van het vonnis zwaarder weegt dan het belang van Graaf Wichman bij schorsing van de executie. Het verbod op verrekening van dwangsommen met huurachterstanden wordt wel toegewezen om complicaties in hoger beroep te voorkomen. De vordering tot opheffing van het beslag wordt afgewezen. Proceskosten worden deels gecompenseerd en deels aan [gedaagde partij] opgelegd.

Uitkomst: Verbod op verrekening van dwangsommen met huurachterstand toegewezen, verbod op executie en opheffing beslag afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer: 12002315 MV EXPL 25-198 RD/960
Kort geding vonnis van 26 februari 2026
inzake
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
GRAAF WICHMAN HUIZEN VASTGOED B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verder ook te noemen Graaf Wichman,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. R.F. Raven en mr. C.C. van Meurs-Janssens,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid,
[gedaagde partij] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde partij] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
gemachtigde: mr. B.O. Eschweiler.

1.De procedure

1.1.
Bij dagvaarding, met producties 1 tot en met 36, van 4 februari 2026 heeft Graaf Wichman [gedaagde partij] opgeroepen voor de terechtzitting van 12 februari 2026.
1.2.
[gedaagde partij] heeft een conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 5 ingediend. Graaf Wichman heeft producties 37 tot en met 42 en een conclusie van antwoord in reconventie ingediend.
1.3.
Op de zitting is [A] voor Graaf Wichman verschenen met de gemachtigde. Verder is [B] verschenen voor de beheerder van Graaf Wichman. Namens [gedaagde partij] is [C] verschenen met de gemachtigde. Partijen hebben hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen.
1.4.
Vonnis is bepaald op heden.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde partij] huurt sinds 1 oktober 2000 van (de rechtsvoorganger van) Graaf Wichman de bedrijfsruimte aan het [adres] in [plaats] . [gedaagde partij] exploiteert een bowlingcentrum.
2.2.
Partijen discussiëren en procederen al jaren over de hoogte van de huur, de servicekosten en het onderhoud van het gehuurde. Laatstelijk heeft [gedaagde partij] haar betalingen van huur en servicekosten vanaf mei 2025 opgeschort.
2.3.
[gedaagde partij] heeft Servicekosten Consultancy (verder te noemen SKC) ingeschakeld om te onderzoeken of de servicekostenafrekeningen uit de periode 2019 tot en met 2023 correct zijn. SKC is dat onderzoek in mei 2024 gestart en heeft op 29 januari 2025 een voorlopige conclusie getrokken, waarin zij constateert dat zij nog stukken van Graaf Wichman nodig heeft.
2.4.
Bij vonnis in kort geding van 24 november 2025 is [gedaagde partij] in conventie onder 4.1 veroordeeld om aan Graaf Wichman te betalen:
I. € 57.286,72 aan achterstallige huurtermijnen en voorschotten op de servicekosten voor de maanden mei tot en met november 2025;
II. € 1.145,73 aan contractuele boetes;
III. de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de contractuele boetes voor de maanden mei tot en met oktober 2025 vanaf de dag na het verstrijken van de respectievelijke vervaldata uit de schriftelijke aanmaningen tot aan de dag van volledige betaling;
IV. de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de contractuele boete voor de maand november 2025 vanaf 3 november 2025 tot aan de dag van volledige betaling;
V. € 1.347,87 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 21 oktober 2025 tot aan de dag van volledige betaling.
2.5.
In voornoemd vonnis is Graaf Wichman in reconventie veroordeeld:
4.6
om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis opdracht te geven aan een onafhankelijke en deskundige derde om onderzoek te verrichten naar de werking van de klimaatinstallatie in de bedrijfsruimte. Dit onderzoek richt zich op (i) de werking van het (top-)koelsysteem, (ii) de vraag of er gebreken aan het (top-)koelsysteem zijn en (iii) de vraag welke oplossingen te formuleren zijn waardoor in de bedrijfsruimte een voor de exploitatie van een bowlingcentrum en een restaurant adequate en aangename temperatuur bereikt kan worden die past bij de tijd van het jaar;
4.7
om binnen veertien dagen na afronding van het onderzoek de onderzoeksresultaten met [gedaagde partij] te delen;
4.8
om, als uit het onderzoek blijkt dat werkzaamheden voor herstel of vervanging van de klimaatinstallatie nodig zijn, of als blijkt dat er een oplossing te formuleren is waardoor er in de bedrijfsruimte wel een voor exploitatie van een bowlingcentrum en een restaurant adequate en aangename temperatuur te realiseren is, om die werkzaamheden binnen twee maanden na afronding van het onder 4.6 genoemde onderzoek te laten uitvoeren;
4.9
om een dwangsom te betalen van € 500,- per dag dat zij niet aan de veroordelingen onder 4.6 tot en met 4.8 voldoet, totdat een maximum van € 50.000,- is bereikt;
4.1
om binnen veertien dagen na dit vonnis inzage te geven in de door SKC in de e-mail van 30 juni 2025 gevraagde respectievelijk bedoelde gegevens met betrekking tot:
(1) de meetgegevens die onderbouwen dat het gehuurde 1.308 m2 bedraagt, op zodanige wijze dat objectief beoordeeld kan worden of de gehanteerde metrage correct is;
(2) de meetgegevens van het totale bedrijfsgebouw (waaruit tevens de gehanteerde metrages blijken van UCH mci, plint, UCH excl. plint, UCH + Kambur+ Bibliotheek, UCH + Bibliotheek + MB en BIB), op zodanige wijze dat objectief vastgesteld kan worden of de gehanteerde metrages correct zijn;
(3) toe te lichten waarom in de jaren tussen 2019-2023 gebruik is gemaakt van wisselende doorbelastingpercentages voor dezelfde kostensoort;
(4) informatie over en achterliggende nota’s met betrekking tot de bovenmatig hoge kosten voor de cv-installatie;
4.11
om een dwangsom te betalen van € 1.000,- per dag dat zij niet aan de veroordeling onder 4.10 voldoet, totdat een maximum van € 100.000,- is bereikt.
2.6.
Graaf Wichman heeft op 1 december 2025 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 24 november 2025.
2.7.
De executie van de veroordelingen onder 4.6 tot en met 4.9 is door het Gerechtshof geschorst.
2.8.
Graaf Wichman heeft op 13 januari 2026 onder andere executoriaal beslag laten leggen op de aandelen die [gedaagde partij] heeft in Bowling Huizen B.V.

3.Het geschil in conventie en in reconventie

3.1.
Graaf Wichman vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
Primair
I. [gedaagde partij] te verbieden om over te gaan tot executie van het vonnis, voor zover het betreft de onder 4.11 van het dictum opgelegde dwangsomveroordeling, totdat in rechte is vastgesteld dat Graaf Wichman niet aan 4.10 van het dictum heeft voldaan, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.500,00 per dag dat [gedaagde partij] niet aan de veroordeling voldoet, totdat een maximum van € 150.000,00 is bereikt, dan wel de executie van het vonnis te schorsen, voor zover het betreft de onder 4.11 van het dictum opgelegde dwangsomveroordeling, onder door de kantonrechter te bepalen voorwaarden;
Subsidiair
II. [gedaagde partij] te verbieden enige verbeurde of nog te verbeuren dwangsommen uit hoofde van 4.10 van het dictum van het vonnis te verrekenen met de in conventie toegewezen (huur)achterstand;
Primair en subsidiair
III. [gedaagde partij] te veroordelen in de proces- en nakosten van deze procedure, een en ander aan Graaf Wichman te voldoen binnen twee dagen na het te wijzen vonnis, en voor het geval voldoening niet binnen de bedoelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, te berekenen vanaf de eerste dag na bedoelde termijn van voldoening.
3.2.
[gedaagde partij] vordert in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
opheffing van de op 13 januari 2026 gelegde beslagen, zulks binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag (of gedeelte van een dag) dat Graaf Wichman met opheffing in gebreke blijft, zulks tot een maximum van € 100.000,00;
Graaf Wichman te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen.
3.3.
Graaf Wichman stelt dat zij aan de veroordelingen onder 4.10 heeft voldaan. Zij heeft alle gegevens aan [gedaagde partij] verstrekt die SKC nodig heeft om haar onderzoek uit te voeren. Graaf Wichman heeft verder, zo stelt zij, terecht en op goede gronden beslag gelegd.
3.4.
[gedaagde partij] voert aan dat zij op basis van de van Graaf Wichman verkregen informatie niet kan beoordelen of aan de veroordeling onder 4.10 is voldaan. Het beslag is volgens [gedaagde partij] onrechtmatig gelegd. [gedaagde partij] verzoekt om vergoeding van de werkelijke proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Gelet op de samenhang worden de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk beoordeeld.
4.2.
[gedaagde partij] kan niet in haar standpunt gevolgd worden dat het kort geding onnodig wordt gevoerd. Er is een dreiging van executie en voorstelbaar is dat Graaf Wichman, zeker gelet op de gespannen verhouding tussen partijen, wil weten of zij aan de veroordelingen uit het vonnis van 24 november 2025 heeft voldaan. [gedaagde partij] heeft die duidelijkheid nog niet kunnen of willen geven. Dit maakt dat Graaf Wichman belang heeft bij een oordeel in deze executieprocedure.
4.3.
In conventie ligt de vraag voor of de executie van het vonnis van de kantonrechter, meer specifiek de veroordeling tot betaling van dwangsommen, moet worden geschorst.
4.4.
De kantonrechter heeft het vonnis van 24 november 2025 uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis direct ten uitvoer kan worden gelegd en dat de uitkomst van het door Graaf Wichman ingestelde hoger beroep niet hoeft te worden afgewacht.
4.5.
De beslissing om het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, is niet gemotiveerd. Bij de beoordeling van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis moet om die reden een belangenafweging plaatsvinden. Onderzocht moet worden of sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het belang van Graaf Wichman bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde partij] om het vonnis nu al ten uitvoer te kunnen leggen.
4.6.
Bij deze belangenafweging moet worden uitgegaan van de inhoud van de bestreden beslissing en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het hoger beroep moet buiten beschouwing worden gelaten. Wel kan de kantonrechter in zijn oordeelsvorming betrekken of het vonnis berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag.
4.7.
Graaf Wichman stelt in het kader van de belangenafweging dat zij met het verstrekken van de stukken aan de veroordeling heeft voldaan. Het oordeel van SKC over deze stukken maakt geen onderdeel uit van de veroordeling. Graaf Wichman heeft [gedaagde partij] bij herhaling gevraagd om te bevestigen dat aan de veroordeling is voldaan, maar [gedaagde partij] weigert iedere inhoudelijke reactie. Graaf Wichman wordt van het kastje naar de muur gestuurd. [gedaagde partij] traineert de afwikkeling. De stukken zijn twee maanden geleden al aan haar verstrekt. De dwangsom wordt niet gebruikt als prikkel tot nakoming, maar als oneigenlijk drukmiddel. [gedaagde partij] houdt de dreiging van dwangsommen in stand, terwijl zij zelf de huurachterstand niet voldoet. [gedaagde partij] kan de dwangsommen gebruiken ter verrekening van haar huurachterstand. Executie van de dwangsomveroordeling moet volgens Graaf Wichman verboden worden omdat er geen dwangsommen zijn verbeurd, de executie onnodig belastend is en er een restitutierisico bestaat.
4.8.
[gedaagde partij] kan en wil zich daar tegenover niet uitspreken over haar aanspraak op dwangsommen. Het is aan SKC om te bepalen of Graaf Wichman alle stukken heeft verstrekt. Het is nog niet bekend wanneer SKC met een rapport over de servicekosten komt. Verder heeft Graaf Wichman de vordering tot schorsing van de veroordelingen onder 4.10 en 4.11 bij het Gerechtshof ingetrokken.
4.9.
De kantonrechter overweegt als volgt.
4.10.
Niet is gesteld of gebleken dat het vonnis van 24 november 2025 berust op een kennelijke feitelijke of juridische misslag.
4.11.
Met betrekking tot de belangenafweging is de kantonrechter van oordeel dat deze in het voordeel van [gedaagde partij] uit moet vallen. Hij legt dat hierna uit.
4.12.
Graaf Wichman is op 24 november 2025 veroordeeld tot het verstrekken van de in dat vonnis onder 4.10 genoemde stukken aan [gedaagde partij] . Het doel hiervan is om SKC in de gelegenheid te stellen om haar langlopende onderzoek naar de hoogte van de door Graaf Wichman berekende servicekosten af te kunnen ronden. Graaf Wichman heeft op 1 december 2025, 8 december 2025 en 10 december 2025 stukken aan [gedaagde partij] toegestuurd waardoor zij meent aan de veroordeling te hebben voldaan. Uitgaande van het doel voor het verstrekken van de stukken, het voortzetten van het onderzoek door SKC, is het voorstelbaar dat [gedaagde partij] , in overleg met SKC, tijd nodig heeft om te beoordelen of deze stukken voldoen aan de veroordeling van 24 november 2025.
4.13.
Gelet op de verstoorde verhouding tussen (de beheerder van) Graaf Wichman, [gedaagde partij] en SKC is het niet alleen aan [gedaagde partij] te wijten dat een inhoudelijk overleg over de gevolgen van het vonnis van 24 november 2025 niet tot stand is gekomen.
4.14.
Daarbij komt dat Graaf Wichman al op 5 december 2025, en dus voor de verstrekking van alle stukken, dit executie kort geding aanhangig heeft gemaakt. Voorts heeft Graaf Wichman het verzoek tot schorsing van de veroordeling onder 4.10 bij het Gerechtshof ingetrokken en is [gedaagde partij] nog niet tot betekening van het vonnis van 24 november 2025 overgegaan, hetgeen noodzakelijk is om tot inning van dwangsommen over te kunnen gaan.
4.15.
De kantonrechter voegt hieraan toe dat [gedaagde partij] tegenover Graaf Wichman voor de door Graaf Wichman te lijden schade aansprakelijk is als later mocht blijken dat Graaf Wichman geen dwangsommen heeft verbeurd en/of niet tot executie van het vonnis mocht overgaan. Deze risicoaansprakelijkheid van [gedaagde partij] tegenover Graaf Wichman biedt afdoende bescherming tegen tenuitvoerlegging van het vonnis van 24 november 2025 waarvoor achteraf gezien geen of onvoldoende grond bestond.
4.16.
Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter het primair door Graaf Wichman gevorderde afwijzen.
4.17.
De kantonrechter zal het subsidiair door Graaf Wichman, een verbod op verrekening van verbeurde dwangsommen met de huurachterstand, toewijzen. Dit om complicaties in hoger beroep te voorkomen.
4.18.
[gedaagde partij] verzoekt om opheffing van de door Graaf Wichman gelegde beslagen. Het beslag is volgens [gedaagde partij] onrechtmatig gelegd. Weliswaar is de executie geschorst, maar de beslagen hebben wel hun blokkerende werking. Het beslag is alleen gelegd om [gedaagde partij] maximaal onder druk te zetten. Graaf Wichman heeft een verzoek tot executoriale verkoop van de aandelen van Bowling Huizen ingediend.
4.19.
De kantonrechter overweegt als volgt.
4.20.
Graaf Wichman heeft in beginsel de bevoegdheid om zonder voorafgaande rechterlijke tussenkomst haar aanspraak op de op 24 november 2025 in conventie toegewezen bedragen door de inzet van dwangmiddelen geldend te maken. Er is slechts grond voor schorsing van de executie in geval van misbruik van bevoegdheid.
4.21.
Het betoog van [gedaagde partij] komt erop neer dat, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang van Graaf Wichman bij de uitoefening van haar bevoegdheid en het belang van [gedaagde partij] dat daardoor wordt geschaad, Graaf Wichman naar redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid kon komen en dat Graaf Wichman dus haar bevoegdheid misbruikt.
4.22.
Voorshands heeft Graaf Wichman een substantieel bedrag aan huur van [gedaagde partij] tegoed. Zij heeft een belang om deze vordering te innen en heeft dat gedaan door beslag te leggen. Dat Graaf Wichman de beslagleggingen gebruikt om [gedaagde partij] maximaal onder druk te zetten is voorshands niet gebleken. Op welke wijze de beslagen [gedaagde partij] hinderen heeft zij, zeker in het licht van de geschorste executie, niet onderbouwd. De kantonrechter zal dan ook de vordering tot opheffing van de beslagen afwijzen.
4.23.
Gelet op de bovenstaande beslissingen worden de proceskosten in conventie gecompenseerd, waardoor partijen de eigen kosten dragen. In reconventie wordt [gedaagde partij] , nu haar vordering is afgewezen, veroordeeld in de kosten van Graaf Wichman. Deze kosten worden begroot op € 721,00 bestaande uit € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten.

5.De beslissing

De kantonrechter:
geeft de volgende onmiddellijke voorziening:
In conventie
5.1.
verbiedt [gedaagde partij] om verbeurde of nog te verbeuren dwangsommen uit hoofde van 4.10 van het dictum van het vonnis van 24 november 2025 te verrekenen met de in dat vonnis in conventie toegewezen (huur)achterstand;
5.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat partijen de eigen kosten dragen;
5.3.
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af;
In reconventie
5.5.
wijst de vordering af;
5.6.
veroordeelt [gedaagde partij] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Graaf Wichman, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 721,00 bestaande uit € 577,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten. Als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde partij] ook de kosten van betekening betalen;
5.7.
verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.