ECLI:NL:RBMNE:2026:671

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
607568 HA RK 26-31
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verschoning
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning wegens schijn van partijdigheid door persoonlijke vriendschap

De verschoningskamer van de Rechtbank Midden-Nederland ontving op 26 februari 2026 een verzoek tot verschoning van mr. dr. M.L. van Emmerik, bestuursrechter, in de hoofdzaak met zaaknummer UTR25/4666. Verzoeker gaf aan dat hij jarenlang persoonlijk bevriend is met mr. J.R. van Angeren, gemachtigde van de eisende partij in de hoofdzaak, waardoor hij zich niet vrij voelt om de zaak te behandelen.

De kamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 8:19 en Pro 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij verschoning kan worden toegewezen indien feiten of omstandigheden de rechterlijke onpartijdigheid kunnen schaden of de schijn daarvan wekken. De kamer benadrukte dat onpartijdigheid wordt vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aannemelijk maken.

Gezien de persoonlijke vriendschap tussen verzoeker en de gemachtigde van de eisende partij, oordeelde de kamer dat er sprake kan zijn van een uiterlijke schijn van partijdigheid. Dit kan het vertrouwen in het rechterlijk apparaat schaden. Daarom werd het verzoek tot verschoning toegewezen.

De beslissing werd op 27 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter en leden van de verschoningskamer. De griffier werd opgedragen de beslissing toe te zenden aan alle betrokkenen. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning wordt toegewezen vanwege de schijn van partijdigheid door persoonlijke vriendschap.

Uitspraak

Beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
VERSCHONINGSKAMER
Locatie: Utrecht
Zaaknummer: 607568 HA RK 26-31
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van verschoningszaken van 27 februari 2026
op het verzoek in de zin van artikel 8:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:
mr. dr. M.L. van Emmerik,
bestuursrechter,
(verder te noemen: verzoeker).

1.De procedure

1.1.
De verschoningskamer heeft op 26 februari 2026 het verzoek tot verschoning
ontvangen. Dit verzoek is ingediend in de zaak met zaaknummer UTR25/4666 (hierna: de hoofdzaak). Er heeft geen mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden.
1.2.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
Verzoeker heeft het volgende aan zijn verschoningsverzoek ten grondslag gelegd. Uit de zittingslijst voor donderdag 5 maart 2026 is gebleken dat mr. J.R. van Angeren gemachtigde is van de eisende partij in de hoofdzaak. Mr. Van Angeren en verzoeker zijn jarenlang persoonlijk bevriend, waardoor verzoeker zich niet vrij voelt om deze zaak te behandelen.

3.De beoordeling

Het toetsingskader
3.1.
Artikel 8:19 Awb Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen, kan verzoeken zich te mogen verschonen op grond van feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:15 Awb Pro. Artikel 8:15 Awb Pro bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
3.2.
Verschoning is een middel ter verzekering van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. Voorop dient te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de vrees dat daarvan sprake is objectief gerechtvaardigd is.
3.3.
Van de schijn van partijdigheid kan, geheel los van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in dat specifieke geval aan onpartijdigheid ontbreekt. In dat geval dient de rechter zich van een beslissing van de hoofdzaak te onthouden. Rechtzoekenden moeten namelijk vertrouwen kunnen hebben in het rechterlijk apparaat. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid.
Het oordeel van de verschoningskamer
3.4.
Uit het verschoningsverzoek blijkt dat verzoeker bevriend is met de gemachtigde van de eisende partij in de hoofdzaak. De verschoningskamer is van oordeel dat op grond van die omstandigheid sprake kan zijn van een uiterlijke schijn van partijdigheid of vooringenomenheid. Het verschoningsverzoek zal daarom worden toegewezen.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot verschoning toe;
4.2.
draagt de griffier van de verschoningskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van de afdeling bestuursrecht en de president van deze rechtbank;
Deze beslissing is gegeven door mr. M.M. Janssen-Witteveen, voorzitter, en
mr. R.C. Stijnen en mr. B.F. Hammerle, als leden van de verschoningskamer, bijgestaan door mr. D. van Wijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. Aangezien de voorzitter, mr. M.M. Janssen-Witteveen, is verhinderd om de beslissing te ondertekenen, is deze ondertekend door mr. R.C. Stijnen, lid van de verschoningskamer.
de griffier lid van de verschoningskamer
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.