ECLI:NL:RBMNE:2026:675

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/3383
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang bij handhavingsverzoek omgevingsrecht

Eisers dienden een handhavingsverzoek in tegen een toiletwagenverhuurbedrijf dat zonder vergunning op een perceel gevestigd zou zijn. Het college legde een last onder dwangsom op, die na bezwaar deels werd herroepen en gewijzigd. Eisers stelden beroep in tegen dit bestreden besluit.

De rechtbank oordeelde dat eisers geen voldoende procesbelang hadden omdat het handhavingsverzoek zich uitsluitend richtte op het toiletwagenverhuurbedrijf en niet op de stalling van vouwwagens, zoals eisers betoogden. Het controlerapport en bevestiging van het college toonden aan dat de overtredingen waren beëindigd, wat eisers niet effectief betwistten.

Daarnaast konden eisers geen concrete schade aantonen die voortvloeit uit het bestreden besluit, waardoor ook het belang bij schadevergoeding ontbrak. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn niet was overschreden. Het beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard, met vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.

Uitkomst: Het beroep van eisers is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang; het college moet griffierecht en proceskosten vergoeden.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/3383

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bunnik (het college)
(gemachtigde: mr. H.A. Pasveer).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (belanghebbende).

Inleiding

1. Eisers wonen aan de [adres 1] in [plaats] . Op het naastgelegen perceel, aan de [adres 2] , woont belanghebbende. Eisers hebben op 25 oktober 2023 bij het college een verzoek om handhaving ingediend omdat op het perceel [adres 2] een toiletwagenverhuurbedrijf is gevestigd in strijd met het geldende bestemmingsplan. Tevens is voor de gerealiseerde loods, die voor het toiletwagenverhuurbedrijf wordt gebruikt, geen omgevingsvergunning verleend.
1.1.
Met het besluit van 7 oktober 2024 (het primaire besluit) is aan belanghebbende een last onder dwangsom opgelegd ter beëindiging van de overtredingen op het perceel [adres 2] .
1.2.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Met het besluit van 11 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en is het primaire besluit (deels) herroepen. Met het besluit van 11 juni 2025 heeft het college aan belanghebbende een gewijzigde last onder dwangsom opgelegd.
1.3.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en bij de rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. Het college heeft op het beroep en het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Als bijlage bij het verweerschrift heeft het college een controlerapport van 28 augustus 2025 overgelegd. Eisers hebben hun verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken. Het college heeft op 2 september 2025 een herstelbesluit genomen (verzonden op 23 september 2025).
1.4.
De rechtbank heeft het beroep van eisers op 10 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 1] , de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.
1.5.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank, na een korte schorsing, uitspraak gedaan.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
3. De rechtbank moet eerst de vraag beantwoorden of eisers procesbelang hebben bij een beoordeling van hun beroep. Er is sprake van voldoende procesbelang als het resultaat dat eisers met het instellen van beroep nastreven, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor eisers feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van alleen een formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang.
4. Eisers hebben op de zitting het standpunt ingenomen dat hun handhavingsverzoek ook ziet op de stalling van vouwwagens en dat dit ook onder de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende valt. Voor eisers is het daarom ook onduidelijk of belanghebbende aan de last heeft voldaan. De rechtbank volgt dit niet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) is de inhoud van het handhavingsverzoek bepalend voor de omvang van het geding. [1] Het handhavingsverzoek van eisers heeft expliciet betrekking op de activiteiten van een toiletwagenverhuurbedrijf en het gebruik van de loods zonder omgevingsvergunning voor een toiletwagenverhuurbedrijf. Uit het verzoek kan niet worden afgeleid dat het ook ging om de stalling van vouwwagens. De stalling van vouwwagens valt daarom niet onder het handhavingsverzoek. Uitgaande van deze omvang van het handhavingsverzoek, is de vraag of belanghebbende aan de last heeft voldaan. In het controlerapport van 28 augustus 2025 is aangegeven dat de loods op enkele details na, is verwijderd. Daarnaast is in het controlerapport vastgesteld dat de bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd. Op 28 januari 2026 heeft het college per e-mail bevestigd dat de loods is gesloopt en de activiteiten van het toiletwagenverhuurbedrijf zijn beëindigd. Eisers hebben deze constateringen niet betwist. Eisers stellen echter dat zij niet zeker weten of de activiteiten van het toiletwagenverhuurbedrijf zijn gestaakt. Dit vindt de rechtbank onvoldoende om haar te doen twijfelen aan de juistheid van de bevindingen uit het controlerapport. De rechtbank mag in beginsel afgaan op een ambtsedige opgesteld controlerapport.
5. Tijdens de zitting hebben eisers toegelicht dat voor hen hun procesbelang is gelegen in de vorm van de vaststelling van een recht op schadevergoeding. Bij de vraag of van een dergelijke situatie sprake is, toetst de rechtbank of de mogelijkheid bestaat dat het verzoek om schadevergoeding, na vernietiging van het bestreden besluit wordt toegewezen. Dit is slechts het geval indien tot op zekere hoogte, aannemelijk is gemaakt dat de schade daadwerkelijk het gevolg is van het bestreden besluit. Eisers hebben echter niet concreet gemaakt wat hun schade is. De vergelijking die de gemachtigde op de zitting heeft gemaakt met een uitspraak van de rechtbank Amsterdam [2] , is naar het oordeel van de rechtbank geen vergelijkbare zaak. In die zaak was sprake van het uitblijven van handhaving waardoor eiseres in die procedure huurgenot heeft gederfd en verhuiskosten heeft moeten maken. Anders dan in de onderhavige zaak hebben eisers onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden. Ook de stelling dat eisers woongenot hebben gederfd is niet aannemelijk gemaakt door nadere onderbouwing van deze stelling. In het oordeel van de rechtbank dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden, ligt ook het oordeel besloten dat niet aannemelijk is dat eventuele schade het gevolg is van het bestreden besluit van het college.
6. Eisers hebben ook gewezen op de lange duur van de procedure en gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De rechtbank stelt vast dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
7. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
8. Omdat de termijn op 18 oktober 2024 is aangevangen (de datum waarop het college het bezwaarschrift van eisers heeft ontvangen) en de rechtbank uitspraak heeft gedaan op 10 februari 2026, is de termijn van twee jaar voor de gehele procedure niet overschreden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank de zaak niet inhoudelijk beoordeelt. Het college moet wel het griffierecht aan eisers vergoeden. Dit omdat het college een nieuw besluit heeft genomen. Eisers krijgen ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
10. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid van het instellen van hoger beroep. Onder aan dit proces-verbaal staat omschreven op welke wijze dit kan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eisers moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026 door
mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:712.
2.Uitspraak van 29 maart 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:1977.