ECLI:NL:RBMNE:2026:680

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
UTR 25/5651
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:41 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep tegen wijziging begunstigingstermijn

Verzoekers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren waarin de begunstigingstermijn van een last onder dwangsom werd gewijzigd. Na een tweede wijziging van de begunstigingstermijn door het college hebben verzoekers hun beroep ingetrokken en verzocht om veroordeling van het college in de proceskosten.

De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek, maar het college heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De rechtbank oordeelt dat het college met het gewijzigde besluit tegemoet is gekomen aan het beroep van verzoekers en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe.

De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 934,- voor de ingediende beroepschrift, exclusief griffierecht dat verzoekers rechtstreeks bij het college moeten claimen. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 25 februari 2026 door rechter R.C. Stijnen.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekers na intrekking van het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5651

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. E. Erkamp),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gooise Meren, verweerder
(gemachtigde: mr. B.M. Plat).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V.uit [plaats]
(gemachtigde: mr. M.M. Breukers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekers om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoekers hebben dit verzoek gedaan bij de intrekking van hun beroep tegen het besluit van het college van 20 augustus 2025. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen. [1]

Overwegingen

2. Met het besluit van 16 januari 2025 heeft het college aan derde-partij op verzoek van verzoekers een drietal lasten onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn tot 1 december 2025. Tegen één van de lasten heeft derde-partij bezwaar gemaakt. Met het besluit op het bezwaar van 20 augustus 2025 is de begunstigingstermijn gewijzigd naar zes weken na een besluit of intrekking van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Tegen het besluit op bezwaar hebben verzoekers beroep ingesteld, omdat de begunstigingstermijn volgens verzoekers te onbepaald is.
3. Met het besluit van 16 december 2025 heeft het college de begunstigingstermijn gewijzigd naar 1 maart 2026. Het beroep is van rechtswege ook hiertegen gericht. [2] Naar aanleiding van het gewijzigde besluit hebben verzoekers hun beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
4. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft daar geen gebruik van gemaakt.
5. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe, omdat het college met het besluit van 16 december 2025 tegemoet is gekomen aan het beroep. [3] De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekers een beroepschrift heeft ingediend. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6. De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoekers betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. [4] Verzoekers moeten zich hiervoor dan ook tot het college wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.N. van Ooijen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:19 van Pro de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.