Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:682

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
28 februari 2026
Zaaknummer
UTR 26/110
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Op 8 januari 2026 diende verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Rechtbank Midden-Nederland. De voorzieningenrechter besloot partijen niet uit te nodigen voor een zitting omdat het verzoekschrift niet voldeed aan de wettelijke eisen, waardoor de zaak niet inhoudelijk kon worden behandeld.

Volgens artikel 8:82 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet bij een verzoek om voorlopige voorziening griffierecht worden betaald. In deze zaak was onduidelijk waar het verzoek betrekking op had, waardoor het griffierecht op het laagste bedrag van €54 werd vastgesteld. De griffier stuurde op 1 februari 2026 een aangetekende brief aan verzoeker om het griffierecht binnen twee weken te betalen.

De brief werd op 4 februari 2026 ontvangen, maar het griffierecht is niet betaald en verzoeker gaf geen reden voor dit verzuim. Er waren ook geen omstandigheden die een verontschuldiging konden rechtvaardigen. Daarom verklaarde de voorzieningenrechter het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en beoordeelde het verzoek niet inhoudelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/110
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 februari 2026 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

Inleiding

Deze uitspraak gaat over het verzoek om een voorlopige voorziening dat verzoeker heeft ingediend op 8 januari 2026.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Het verzoekschrift voldoet namelijk niet aan de wettelijke eisen, waardoor de voorzieningenrechter de zaak niet inhoudelijk kan behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) griffierecht betalen. In deze zaak is onduidelijk waar het verzoek betrekking op heeft. Daarom is het griffierecht vastgesteld op het laagste bedrag in bestuursrechtzaken van € 54,00. Op grond van artikel 8:82, derde lid, en artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard als dit bedrag niet of niet tijdig is betaald, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 1 februari 2026 verzoeker in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. De Nota is volgens de gegevens van PostNL op 4 februari 2026 om 11:55 uur bezorgd, waarbij is getekend voor ontvangst.
4. Het griffierecht is niet betaald en verzoeker heeft geen reden heeft gegeven voor dit verzuim. Verder is ook niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat verzoeker niet in verzuim zou zijn. Er is dus geen verontschuldiging voor het niet betalen van het griffierecht.
5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeeld. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door ing. mr. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.K. Boer – de Bruin, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.