ECLI:NL:RBMNE:2026:69

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/4881
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 54 lid 1 ParticipatiewetArt. 54 lid 4 ParticipatiewetArt. 17 lid 1 ParticipatiewetArt. 17 lid 2 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking bijstandsuitkering en terugvordering wegens niet nakomen inlichtingenplicht

Eiser ontving sinds 2014 met onderbrekingen een bijstandsuitkering, laatstelijk toegekend per 8 januari 2020. In 2024 en 2025 verscheen eiser herhaaldelijk niet op afspraken met de werkcoach en trainingssessies zonder bericht, en leverde hij niet de gevraagde documenten aan. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht besloot daarom op 7 maart 2025 het recht op uitkering in te trekken vanaf 29 januari 2025 en de teveel ontvangen bijstand over die periode terug te vorderen.

Eiser voerde aan dat hij de uitnodigingen niet had ontvangen en dat het niet verschijnen hem niet te verwijten viel. De rechtbank oordeelde dat eiser niet had voldaan aan zijn inlichtingenplicht en dat het college voldoende had gemotiveerd waarom het besluit rechtmatig was. Eiser had geen medische stukken overlegd ter onderbouwing van zijn stellingen en had ook geen nieuw contactadres doorgegeven.

De rechtbank stelde vast dat het beroep van eiser onvoldoende was gemotiveerd en dat het college terecht het zwaarste middel had toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard, het besluit bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. Eiser kon nog in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/4881

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Kartal),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college

(gemachtigde: mr. M.W.A. Notenboom).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het intrekken van het recht op uitkering en het terugvorderen van de teveel ontvangen bijstand. Eiser is het hier niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep dus ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 7 maart 2025 heeft het college besloten het recht op uitkering van eiser in te trekken vanaf 29 januari 2025. Ook is besloten de teveel ontvangen bijstand over de periode van 29 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 terug te vorderen. Met het bestreden besluit van 14 juli 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. Eiser en diens gemachtigde waren niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

(De totstandkoming van) het bestreden besluit
3. Eiser heeft vanaf 9 september 2014 met onderbrekingen een bijstandsuitkering ontvangen, laatstelijk toegekend ingaande op 8 januari 2020 naar de norm voor een alleenstaande. Tijdens een gesprek met een werkcoach op 1 oktober 2024 is onder meer met eiser afgesproken dat hij zou worden aangemeld voor een CV-training. Eiser is echter zonder bericht niet verschenen op deze training. Omdat zowel de trainer als de werkcoach van eiser hem niet konden bereiken, is eiser uitgenodigd voor een gesprek op 2 december 2024. Daar is eiser niet verschenen. Ook op een uitnodiging voor een gesprek op 22 januari 2025 heeft eiser niet gereageerd. Eiser is hierop uitgenodigd voor een gesprek op 29 januari 2025 waarbij hem ook is verzocht documenten [1] mee te nemen. Eiser is niet verschenen en heeft de gevraagde documenten niet overgelegd. Het college heeft hierop de uitkering van eiser tijdelijk opgeschort [2] per 29 januari 2025 en eiser verzocht om 6 februari 2025 op gesprek te komen en alsnog de al eerder gevraagde documenten mee te nemen. Hierop heeft eiser ook niet gereageerd. Zowel eiser als zijn bewindvoerder waren ook telefonisch niet bereikbaar. Er is geen bezwaar ingesteld tegen dit opschortingsbesluit. Bij uitblijven van een reactie, en dus bij uitblijven van herstel van het verzuim, is het recht op uitkering van eiser bij besluit van 7 maart 2025 ingetrokken [3] vanaf 29 januari 2025 en de te veel ontvangen bijstand over de periode van 29 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 teruggevorderd tot een bedrag van € 123,69. Dit omdat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht [4] en daarom het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
4. Het college volgt eiser niet in zijn stelling dat hij bepaalde uitnodigingen niet heeft ontvangen en evenmin in zijn stelling dat het hem niet te verwijten is dat hij niet op de gesprekken is verschenen. Hierbij acht het college onder meer van belang dat eiser zijn stelling dat hij een nieuw emailadres en telefoonnummer zou hebben niet heeft onderbouwd en daarvan ook nooit opgave heeft gedaan. Verder wijst het college erop dat uitnodigingen naar het woonadres van eiser en diens bewindvoerder zijn verzonden en er een bezorgbewijs is van het opschortingsbesluit en de uitnodiging voor het gesprek op 6 februari 2025. De enkele omstandigheid dat eiser onder bewind staat en naar eigen zeggen niet langer dan enkele maanden op een locatie kan werken, maakt niet dat hem niet kan worden verweten dat hij niet op de afspraken is verschenen. Dit heeft eiser ook niet met medische stukken onderbouwd. Verder ziet het college geen aanleiding om te concluderen dat de gevolgen van de intrekking onevenredig zwaar zijn in verhouding tot het met de intrekking gediende doel, namelijk dat bijstand wordt verleend aan wie daar aanspraak op heeft. Evenmin ziet het college aanleiding om van de terugvordering af te zien dan wel deze te verlagen. Het college vindt dan ook dat op goede gronden is besloten tot intrekking en terugvordering
5. Overigens heeft eiser op 25 maart 2025 een nieuwe aanvraag ingediend en is hem bij besluit van 11 juni 2025 weer een nieuwe bijstandsuitkering verleend vanaf 25 maart 2025.

Wat vindt eiser?

6. Eiser voert in zijn gronden van beroep (wederom) aan dat het hem niet kan worden verweten dat hij niet is verschenen op afspraken. Ook stelt hij dat hij de uitnodigingen niet heeft ontvangen en hij dus niet kon weten dat de gesprekken waren gepland. Verder is het genomen besluit naar zijn mening disproportioneel met het te dienen doel en had het college niet hoeven kiezen voor dit zwaarste middel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank stelt vast dat de beroepsgronden die in deze zaak door de gemachtigde van eiser zijn aangevoerd ook al in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht. Door het college is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op deze bezwaren en waarom deze niet slagen. Het is daarom aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van het college volgens hem niet juist of toereikend is. Dat eiser het niet eens is met de overwegingen van het college, maakt niet dat de overwegingen daarom onjuist zijn of het besluit onvoldoende (zorgvuldig) gemotiveerd is. Voor zover eiser heeft willen stellen dat dat wel zo is, acht de rechtbank de enkele stelling daartoe onvoldoende en had het op de weg van eiser gelegen dit standpunt te motiveren en te onderbouwen. Aangezien eiser en zijn gemachtigde niet op de zitting zijn verschenen, heeft de rechtbank dit niet met hen kunnen bespreken en is er dus geen toelichting op de beroepsgronden gekomen. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit onjuist is. Het beroep van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Onder meer is gevraagd om kopieën van bankafschriften van alle bankrekeningen en spaarrekeningen in binnen-en buitenland, creditcards, Paypal en alle andere rekeningen, vanaf 1 oktober 2024 tot heden, sollicitatiebrieven en vacatures waarop is gereageerd vanaf 22 januari 2024 en bewijsstukken van (eventuele) medische klachten.
2.Op grond van artikel 54, lid 1 van de Participatiewet (Pw).
3.Op grond van artikel 54, lid 4, Pw.
4.Als bedoeld in artikel 17, lid 1 en 2 van de Pw.