Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de spreekaantekeningen van [eiser] ,
- de spreekaantekeningen van [gedaagde] ,
Rechtbank Midden-Nederland
Eiser deed een bod van €23.010.000,- op een hotel via een internetveiling, dat door gedaagde werd geaccepteerd. Eiser wilde de koop niet nakomen, waarna gedaagde de koopovereenkomst ontbond en een boete van 15% van het bod vorderde. Ter zekerheid legde gedaagde beslag op zes onroerende zaken van eiser.
Eiser stelde dat er geen geldige koopovereenkomst was vanwege een typefout en dat hij als consument extra bescherming genoot. De rechtbank oordeelde dat de koopovereenkomst wel tot stand was gekomen en dat eiser geen consument was. Ook was eiser bekend met de veilingvoorwaarden, waaronder het boetebeding.
Het boetebeding werd niet onredelijk bezwarend geacht, en hoewel eiser matiging verwacht in de bodemprocedure, kon daar nu niet op worden vooruitgelopen. Het door eiser aangeboden bedrag aan zekerheid was onvoldoende. Het belang van gedaagde bij handhaving van het beslag woog zwaarder dan het belang van eiser bij opheffing.
De rechtbank wees het verzoek tot opheffing van het beslag af en veroordeelde eiser tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het beslag wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.