Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het verloop van de procedure
2.De feiten
3.De beoordeling in het verzoek en in het (voorwaardelijk) tegenverzoek
“ [verweerder] liet regelmatig merken dat hij weinig vertrouwen had in [A] en liet ook weten dat hij vond dat zij weinig toevoegde aan de onderneming (..)” “Zijn houding richting [A] vond ik echter wel vreemd en de spanningen die dit regelmatig veroorzaakte waren niet prettig”De verklaring van [H] :
“Hij liet regelmatig vallen dat hij vond dat [A] niet functioneerde en hij gaf aan dat hij niet wist wat hij met haar aan moest (..)” “Later tijden een gesprek tussen [verweerder] , [G] en mijzelf gaf [verweerder] weer aan dat [A] niet functioneerde. En dat ze hem verteld had dat ze verliefd op hem was(..)”.De verklaring van [I]
: “Het viel mij op dat [verweerder] ook bij haar te veel ruimte innam, ze hadden niet alleen tijdens het werk veel contact, ook daarbuiten. Ik heb dit aan haar benoemd en heb toen ook gezegd dat ik zelf meer professionele afstand wilde, omdat ik mee niet prettig voelde bij zijn gedrag en daarom de ruimte die [verweerder] innam -die veel was- wilde beperken. Achteraf bezien was de mate van contact die [verweerder] en [A] hadden wel opvallend te noemen ihkv een werkrelatie vind ik. [verweerder] vertelde mij meerdere malen ongevraagd dat hij veel om [A] gaf.De verklaring van [D] (echtgenoot van [A] ):
“Op dinsdagavond 9 september jl. is [A] met mij een gesprek aangegaan. Ze heeft toe aangegeven dat tussen har en [verweerder] een relatie was ontstaan die verder ging dan een werkrelatie. [A] zei dat ze een bepaalde spanning had gevoeld die ze niet goed kon plaatsen. Ik reageerde gelaten en verbaasd en werd later ook boos.(..)”
“ [verweerder] profileerde zich zeer dominant (hij zou het wel regelen hier) en [A] zat er wat ondergesneeuwd naast” en later:
“Daar heb ik echt een dominante kant van je gezien die mijn inziens wel gerelateerd is aan ego en macht.”Wat daar ook van zij, [verweerder] is op zijn gedrag naar [A] en de werknemers nimmer door [verzoekster] aangesproken, niet tijdens het dienstverband maar ook niet in het gesprek van 23 september 2025 toen hij op non-actief werd gesteld. Van verwijtbaar handelen van de zijde van [verweerder] op grond waarvan redelijkerwijs niet gevergd kan worden dat de arbeidsovereenkomst voortduurt is onvoldoende gebleken. In een dergelijke situatie had bovendien van de werkgever mogen worden verwacht daar eerst gedegen onderzoek naar te doen en hoor en weder hoor toe te passen al dan niet gevolgd door een mediation traject. Dat is niet gebeurd.
“(..) [A] probeerde in dit gesprek afstand te nemen van de te persoonlijke relatie die tussen haar en [verweerder] was ontstaan en haar positie als leidinggevende van [verweerder] terug te claimen. (..)” [A] gaf op meerdere manieren aan dat zij persoonlijke ruimte nodig had om afstand te nemen van [verweerder] en te werken aan haar relatie thuis. Daarom stelde zij onder meer voor om niet samen vier uur in één auto te gaan zitten en apart van elkaar naar hun afspraak te rijden. Dat vond [verweerder] onacceptabel. Hij gaf aan dat haar relatie een privéprobleem was dat ze maar thuis moest oplossen. Alle pogingen van [A] om weer een gezonde afstand te creëren, ruimte voor zichzelf te nemen en haar positie als eigenaar te claimen stuitten op grote weerstand van [verweerder] .
“In de periode vanaf [medio juli tot 18 september 2025] heeft de bestuurder van [verzoekster] , mevrouw [A] , zich jegens mij grensoverschrijdend gedragen. Het begon allemaal met haar openbaring van gevoelens voor mij en ze wilde weten wat ik vond van een eventuele polygame relatie. Ik heb daarop aangeven dat ik mijn vrouw nooit zal verlaten en dat ik naar mijn vrouw altijd open en eerlijk zal blijven. Dit voorval heb ik ook met mijn vrouw gedeeld en hierover heeft mw. [A] ook contact met mijn vrouw gehad. Ze sprak haar waardering uit voor mijn eerlijkheid en hoopte dat ze dit ook naar haar eigen man zou kunnen. In de periode van haar vakantie heeft ze aan haar man aangegeven dat ze mij erg mist en dat ik haar soulmate ben. Ook heeft ze haar man gezegd dat als hun relatie niet zo oppervlakkig was, ze nooit gevoelens voor mij zou hebben gehad. Mw. [A] heeft openlijk aangegeven dat ze dusdanig twijfelde over haar relatie en of ze niet gewoon met mij en haar kinderen door kon gaan. Ik heb dit afgewezen en aangegeven dat ze haar persoonlijk geluk maar op een andere wijze moet zoeken. Daarnaast weegt mijn verantwoordelijkheid, los van mijn persoonlijke, voor [verzoekster] zwaarder, dus is een werkbare situatie van groot belang. Dit gaf in deze periode de nodige spanning, met name omdat Mw. [A] meer belang aan haar persoonlijke situatie hechtte dan aan het belang van [verzoekster] .(..)”
Nu de ontbinding op de g-grond zal worden toegewezen, komt de kantonrechter niet meer toe aan het meer subsidiaire verzoek om de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de i-grond.