Uitspraak
1.de vennootschap onder firma[eiseres sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
3.
[eiseres sub 3],
[handelsnaam],
1.De procedure
- de dagvaarding van 24 juni 2025;
- de conclusie van antwoord met reconventionele vorderingen;
- de conclusie van antwoord in reconventie en nadere producties;
- de akte eiswijziging van [eiseres sub 1] ;
- de akte van [gedaagde] .
2.De kern van de zaak
3.De vorderingen over en weer
(3) veroordeling tot beperking van het aantal voertuigen op het parkeerterrein bij het gehuurde. Verder vordert zij – na eiswijziging – betaling van: (4) een hoofdsom van in totaal € 13.636,83, (5) de huurprijs van € 847,00 tot de ontbinding en (6) de proceskosten,
te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente.
4.De beoordeling
Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
Wet op de omzetbelasting 1968(hierna: Wet OB) volgt dat verhuur van onroerende zaken in beginsel is vrijgesteld van omzetbelasting. Partijen kunnen onder voorwaarden opteren voor belastbare verhuur: dat moet dan in ieder geval blijken uit een schriftelijke huurovereenkomst of een beschikking van de inspecteur na een gezamenlijk verzoek daartoe. [1] [gedaagde] heeft onweersproken gesteld dat niet aan deze voorwaarden is voldaan. Dit betekent dat de verhuur is vrijgesteld van btw en dat de in reconventie gevorderde verklaring voor recht dat geen btw is verschuldigd toewijsbaar is.
exclusief BTW.” [gedaagde] is dus gehouden om de overeengekomen maandelijkse huurprijs te voldoen. Voor de reconventie betekent dit dat de gevorderde verklaring voor recht over de volgens [gedaagde] ten onrechte betaalde € 3.301,50 aan btw moet worden afgewezen.
afrekening elektriciteit” zal worden afgewezen. [gedaagde] erkent dat € 50,00 per maand aan voorschot wordt betaald, maar [eiseres sub 1] heeft nagelaten om de eindafrekening over te leggen. Het had op haar weg gelegen om de onderliggende stukken over te leggen en inzage te geven in de verbruiksgegevens. [eiseres sub 1] heeft dit, ook na de betwisting door [gedaagde] , niet gedaan. Daarom moet deze vordering als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.
5.De beslissing
binnen 48 uur na betekening van dit vonnishet aantal voertuigen op het parkeerterrein te beperken tot ten hoogste vier voertuigen, mits deze niet de toegang van andere huurders blokkeren, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per voertuig per dag dat [gedaagde] in strijd handelt met deze veroordeling, met een maximum van € 15.000,00;