In deze civiele procedure vordert eiseres, een rijschool, betaling van een achterstallig bedrag van bijna €50.000 van het bedrijf dat als intermediair fungeert tussen leerlingen en rijscholen. Na een verstekvonnis tegen het bedrijf is deze in verzet gekomen. Eiseres stelt daarnaast de (indirecte) bestuurders van het bedrijf persoonlijk aansprakelijk voor onrechtmatig handelen en schadevergoeding.
De bestuurders hebben een incident tot aanhouding van de procedure ingediend, stellende dat de hoofdzaak moet worden aangehouden totdat in de procedure tussen eiseres en het bedrijf onherroepelijk is beslist, omdat de uitkomst daarvan van belang is voor de beoordeling van de bestuurdersaansprakelijkheid.
De rechtbank overweegt dat aanhouding van de procedure mogelijk is, maar dat onredelijke vertraging moet worden voorkomen. Hoewel er samenhang is tussen de procedures, is het belang van eiseres bij voortzetting na de uitspraak in eerste aanleg voldoende zwaarwegend om niet te wachten op een onherroepelijke beslissing. Daarom wordt de hoofdzaak aangehouden tot de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan in de procedure tegen het bedrijf, maar niet langer.
De proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt. De beslissing is gewezen door rechter G.J. Baken en op 18 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.