ECLI:NL:RBMNE:2026:715

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/16/600854 / HL ZA 25-266
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanhoudingsincident in civiele procedure over bestuurdersaansprakelijkheid en vorderingen

In deze civiele procedure vordert eiseres, een rijschool, betaling van een achterstallig bedrag van bijna €50.000 van het bedrijf dat als intermediair fungeert tussen leerlingen en rijscholen. Na een verstekvonnis tegen het bedrijf is deze in verzet gekomen. Eiseres stelt daarnaast de (indirecte) bestuurders van het bedrijf persoonlijk aansprakelijk voor onrechtmatig handelen en schadevergoeding.

De bestuurders hebben een incident tot aanhouding van de procedure ingediend, stellende dat de hoofdzaak moet worden aangehouden totdat in de procedure tussen eiseres en het bedrijf onherroepelijk is beslist, omdat de uitkomst daarvan van belang is voor de beoordeling van de bestuurdersaansprakelijkheid.

De rechtbank overweegt dat aanhouding van de procedure mogelijk is, maar dat onredelijke vertraging moet worden voorkomen. Hoewel er samenhang is tussen de procedures, is het belang van eiseres bij voortzetting na de uitspraak in eerste aanleg voldoende zwaarwegend om niet te wachten op een onherroepelijke beslissing. Daarom wordt de hoofdzaak aangehouden tot de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan in de procedure tegen het bedrijf, maar niet langer.

De proceskosten worden gecompenseerd, zodat elke partij haar eigen kosten draagt. De beslissing is gewezen door rechter G.J. Baken en op 18 februari 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De hoofdzaak wordt aangehouden tot de uitspraak in eerste aanleg in de procedure tussen eiseres en het bedrijf, met compensatie van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/600854 / HL ZA 25-266
Vonnis in incident van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] , handelend onder de naam [handelsnaam],
zaakdoende te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [handelsnaam] ,
advocaat: mr. M.M.P.E. van Helmond,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

wonende te [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2] B.V.,
wonende te [plaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. L.L. Dröge.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 30 september 2025 met producties 1 tot en met 25;
  • de nadere akte beslagstukken van [handelsnaam] met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord en het incident tot aanhouding van de procedure met producties 1 tot en met 14;
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
De rechtbank heeft besloten dat vandaag de uitspraak in het incident is.

2.De kern van de zaak

In de hoofdzaak
2.1.
[handelsnaam] is een verkeerschool die rijlessen verzorgt en praktijkexamens inplant voor leerlingen zodat zij een rijbewijs kunnen halen in handgeschakelde en automaat geschakelde auto’s. [bedrijf] B.V. (hierna: [bedrijf] ) is een intermediair tussen leerlingen en rijscholen. Op dit platform kunnen leerlingen zich aanmelden en zorgt [bedrijf] dat een passende rijschool wordt gevonden. De leerlingen nemen in dat geval een pakket aan lessen en examen af. [handelsnaam] heeft zich aangesloten bij het platform van [bedrijf] . [handelsnaam] heeft via [bedrijf] de leerlingen doorverwezen gekregen en aan die leerlingen les gegeven. De leerling betaalde rechtstreeks aan [bedrijf] de kosten voor het afgenomen pakket. De afspraak tussen partijen was dat [bedrijf] vervolgens de door de leerling betaalde vergoeding voor het afgenomen pakket - na aftrek van provisie- aan [handelsnaam] zou betalen. Dat heeft [bedrijf] niet altijd gedaan, waardoor er een achterstand is ontstaan van € 49.954,33. Daarom heeft [handelsnaam] tegen [bedrijf] bij Rechtbank Rotterdam een procedure gestart, waarin zij dit bedrag, met rente en kosten, heeft gevorderd. Op 24 september 2025 zijn de vorderingen bij verstek toegewezen. [bedrijf] was veroordeeld tot betaling van het bedrag van € 54.114,27 (hoofdsom, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten). [bedrijf] bood echter – na het eerder gelegde conservatoir beslag – geen verhaal. Inmiddels is [bedrijf] in verzet gekomen tegen het verstekvonnis van 24 september 2025.
2.2.
In de hoofdzaak heeft [handelsnaam] nu [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als (indirecte) bestuurders van [bedrijf] aansprakelijk gesteld. [handelsnaam] meent dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] als (indirecte) bestuurders zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat hen een persoonlijk verwijt kan worden gemaakt op grond waarvan zij gehouden zijn de door [handelsnaam] geleden schade te vergoeden. [handelsnaam] vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig tegenover [handelsnaam] heeft gehandeld en daarom de schade van [handelsnaam] moet vergoeden en betaling van het bedrag van € 56.406,54 en de gemaakte beslagkosten, met rente kosten. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn het om verschillende reden niet eens met de vorderingen van [handelsnaam] .
In het incident
2.3.
[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben een incident tot aanhouding van de procedure opgeworpen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vorderen dat de hoofdzaak wordt aangehouden totdat in de al aanhangige procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] onherroepelijk is beslist. De uitkomst van die procedure is rechtstreeks van belang voor de beoordeling in de hoofzaak. [handelsnaam] heeft hen als bestuurders van [bedrijf] persoonlijk aansprakelijk gesteld op basis van het feitencomplex dat één op één gelijk is aan het feitencomplex in deze zaak en aansprakelijk gesteld voor een schadebedrag dat gelijk is aan het bedrag dat [handelsnaam] van [bedrijf] vordert. Daarnaast gaat het in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] om de vraag of [bedrijf] tegenover [handelsnaam] gehouden is de werkzaamheden van [handelsnaam] te vergoeden en zo ja, tot welk bedrag. Die vragen vormen ook de basis in de hoofdzaak. Als de hoofdzaak wordt voortgezet zonder de uitkomst van de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] af te wachten ontstaat het risico op tegenstrijdige belangen. Ook om proceseconomische redenen moet de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] afgewacht worden, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . [handelsnaam] is het deels eens met het verzoek van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] .

3.De beoordeling in het incident tot aanhouding

De hoofdzaak wordt aangehouden totdat de rechtbank in eerste aanleg in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] heeft beslist
3.1.
De rechtbank zal het verzoek tot aanhouding deels toewijzen, in de zin dat de hoofdzaak wordt aangehouden totdat de rechtbank in eerste aanleg heeft beslist op de vorderingen van [handelsnaam] op [bedrijf] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.2.
Een incident waarin om aanhouding van de zaak wordt verzocht is niet in de wet geregeld, maar is wel mogelijk (HR 2 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8176). De eisen van een goede procesorde, waaronder begrepen de eisen van een doelmatige en voortvarende rechtspleging, bepalen of er voldoende grond bestaat voor een aanhouding. Uitgangspunt daarbij is onder meer dat moet worden gewaakt tegen een onredelijke vertraging van de procedure. Bij de afweging die de rechter moet maken moet mede rekening worden gehouden met de aard, de feitelijke of juridische ingewikkeldheid en het belang van de zaak (voor partijen) en met het (procedeer)gedrag van partijen. Ook als er een andere procedure loopt waarin deels dezelfde rechtsvraag speelt, kan de rechter aanleiding vinden, op verzoek of ambtshalve, om de procedure aan te houden, maar ook dan geldt dat de rechter tot zijn oordeel moet komen aan de hand van onder meer het voorschrift dat onredelijke vertraging van de procedure moet worden voorkomen, de belangen van partijen en de eisen van de proceseconomie (HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666 en HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590).
3.3.
Tussen partijen is niet in geschil dat er samenhang is tussen de hoofdzaak en de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] . [handelsnaam] verzet zich niet tegen aanhouding van de procedure tot de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] . Wel verzet [handelsnaam] zich tegen aanhouding van de zaak totdat in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] onherroepelijk is beslist. [handelsnaam] heeft namelijk een zwaarwegend belang bij hervatting van de procedure na de uitspraak van de rechtbank in de procedure tussen haar en [bedrijf] . Dit, omdat de vordering nu al jaren openstaat, zij daardoor in de betalingsproblemen is gekomen, noodgedwongen meerdere voertuigen heeft moeten verkopen en [bedrijf] noch [gedaagde sub 1] verhaal bieden voor haar vordering.
3.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is het door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gestelde belang bij aanhouding van de hoofdzaak tot de uitspraak van de rechtbank in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] onherroepelijk is geworden, in het licht van wat [handelsnaam] heeft gesteld, onvoldoende klemmend. Bovendien is het enkele feit dat in de hoofdzaak mogelijk een beslissing wordt genomen die achteraf strijdig zou blijken te zijn met een beslissing van het gerechtshof in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] – als [bedrijf] in hoger beroep gaat – onvoldoende om te wachten met de behandeling in de hoofdzaak tot een onherroepelijk eindarrest in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] is gewezen. Tegen het vonnis in de hoofdzaak staat immers nog hoger beroep open.
3.5.
Het voorgaande leidt ertoe dat de hoofdzaak wordt aangehouden tot de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] . De meest aangewezen partij zal de hoofdzaak te zijner tijd weer opbrengen en zich uitlaten over de wijze van voortprocederen.
De proceskosten worden gecompenseerd
3.6.
Omdat partijen over en weer in het gelijk zijn gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd.

4.De beslissing

De rechtbank
In het incident
4.1.
houdt de zaak aan totdat de rechtbank in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan in de procedure tussen [handelsnaam] en [bedrijf] ,
4.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt,
In de hoofdzaak
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 18 februari 2026.
HHt/5060