Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:728

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/16/559209 / HL ZA 23-194
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:68 BWArt. 4:69 lid 1 onder b BWArt. 4:70 BWArt. 4:71 BWArt. 4:79 sub b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering terugbetaling nalatenschap en vaststelling legitieme portie in erfrechtelijke geschil

Eiseres vordert dat haar broer en diens vennootschappen worden veroordeeld tot terugbetaling van bedragen aan de nalatenschap van hun moeder, omdat zij meent dat haar broer het beheer over het ouderlijk vermogen had en onrechtmatig geld heeft onttrokken. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat de broer het beheer voerde of dat betalingen zonder rechtsgrond zijn gedaan. De betalingen en verrekeningen zijn volgens de rechtbank in opdracht en met instemming van vader en moeder verricht.

De rechtbank oordeelt dat vader en moeder, ondanks hun hoge leeftijd en hulpbehoevendheid, wilsbekwaam waren en zelf hun financiële zaken beheerden. De vermeende misbruik van omstandigheden door de broer wordt niet bewezen. Wel acht de rechtbank de door ouders gedane giften aan kleinkinderen, kinderen en de kerk niet gebruikelijk, waardoor deze bij de berekening van de legitieme portie van eiseres moeten worden betrokken.

De primaire vorderingen van eiseres worden afgewezen, maar de legitieme massa en legitieme portie worden vastgesteld. De broer wordt als executeur veroordeeld om de legitieme portie aan eiseres te voldoen. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten.

Uitkomst: Vordering tot terugbetaling afgewezen, legitieme portie vastgesteld en executeur veroordeeld tot betaling daarvan.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Erfrecht
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/559209 / HL ZA 23-194
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende in [woonplaats 1] ,
eiseres,
hierna: [eiseres] ,
advocaat mr. C.W. van Weert, werkzaam in Assen,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

in zijn hoedanigheid van mede-erfgenaam en van executeur/afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van [erflaatster] (hierna: moeder),
wonende in [woonplaats 2] ,
gedaagde,
hierna: [gedaagde sub 1] ,
advocaten: mr. P.G. Knoppers en mr. R. Swager, werkzaam in Amsterdam,
2.
[gedaagde sub 2],
wonende in [woonplaats 3] (België),
gedaagde,
hierna: [gedaagde sub 2] ,
advocaat: mr. M.J.W. Hoek, werkzaam in Alphen aan den Rijn,
3.
[gedaagde sub 3] B.V.,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats 1] ,
gedaagde,
advocaten: mr. P.G. Knoppers en mr. R. Swager, werkzaam in Amsterdam,
4.
[gedaagde sub 4] B.V,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde,
advocaten: mr. P.G. Knoppers en mr. R. Swager, werkzaam in Amsterdam,
5.
[gedaagde sub 5] B.V.,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats 3] ,
gedaagde,
advocaten: mr. P.G. Knoppers en mr. R. Swager, werkzaam in Amsterdam.
[gedaagde sub 1] en de vennootschappen zullen hierna gezamenlijk [gedaagde c.s.] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
[eiseres] heeft in de dagvaarding, kort gezegd, gevorderd dat de rechtbank:
1. [gedaagde sub 1] en voor zover nodig de vennootschappen hoofdelijk veroordeelt tot betaling van
€ 673.125,43 aan de nalatenschap,
2. [gedaagde sub 1] ontslaat als executeur/afwikkelingsbewindvoerder, en
3. [gedaagde sub 1] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover.
1.2.
In een vonnis van 22 november 2023 heeft de rechtbank de zaak voor wat betreft vordering 2. verwezen naar de kantonrechter en de zaak voor wat betreft vordering 1. verwezen naar de parkeerrol in afwachting van de uitkomst van de kantonprocedure.
1.3.
[eiseres] heeft daarop vordering 2. ingetrokken, waarna de zaak op de rol is gezet voor doorprocederen. Daarna heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
  • de conclusie van repliek tevens vermeerdering van eis van [eiseres] met producties 33-37,
  • de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 2] ,
  • de conclusie van dupliek tevens reactie op de vermeerdering van eis van [gedaagde c.s.] met producties 71-77,
  • de akte overlegging productie 5 van [gedaagde sub 2] ,
  • de akte overlegging producties 78-81 van [gedaagde c.s.]
1.4.
Op 30 oktober 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank Midden-Nederland. Om organisatorische redenen was dit niet in Lelystad, maar in Utrecht. Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht en vragen beantwoord van de rechtbank. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Daarna is bepaald dat uitspraak zal worden gedaan.

2.Waar gaat de zaak over?

2.1.
[eiseres] is de zus van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De vader van partijen is op [datum overlijden 1] 2019 overleden, hun moeder op [datum overlijden 2] 2022. Zij zijn allebei bijna 92 jaar oud geworden.
2.2.
[eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn de erfgenamen van moeder, ieder voor een gelijk deel. [gedaagde sub 1] is executeur/afwikkelingsbewindvoerder in haar nalatenschap.
2.3.
[gedaagde sub 1] was ook executeur/afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van vader en in de nalatenschap van een oom van partijen, die op [datum overlijden 3] 2019 is overleden. Die nalatenschappen zijn afgewikkeld.
2.4.
[gedaagde sub 1] is ondernemer en vermogend. Hij is, samen met zijn echtgenote, bestuurder en aandeelhouder van [gedaagde sub 3] B.V. (hierna: [gedaagde sub 3] ), die bestuurder en enig aandeelhouder is van [gedaagde sub 4] B.V. (hierna: [gedaagde sub 4] ) en sinds eind 2022 ook bestuurder van [gedaagde sub 5] B.V. (hierna: [gedaagde sub 5] ).
2.5.
Vader en moeder zijn op 1 december 2016 verhuisd naar een aangepaste woning (voormalig gastenverblijf) op het terrein van het landhuis van [gedaagde sub 1] en zijn echtgenote in [woonplaats 2] . Hun oude woning is verkocht. Vader en moeder waren rolstoelafhankelijk en hulpbehoevend en hadden intensieve zorgverlening nodig. Overdag werden zij (per toerbeurt) verzorgd door drie professionele zorgverleners en in de overige uren door [gedaagde sub 1] en zijn echtgenote. [gedaagde sub 1] heeft in dat kader veel voor vader en moeder geregeld.
2.6.
Vader en moeder hebben op 29 december 2016 zowel [gedaagde sub 1] als zijn persoonlijk assistente gemachtigd tot hun bankrekeningen. Moeder heeft op 26 april 2020 ook nog een volmacht aan [gedaagde sub 1] verstrekt, waarmee hij alle (rechts)handelingen betreffende haar vermogen namens haar kon verrichten.
2.7.
Op 12 maart 2018 hebben vader en moeder ieder een aanvullend testament laten opmaken waarin zij [gedaagde sub 1] tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder hebben benoemd.
2.8.
In 2017 hadden vader en moeder een vermogen van € 1.097.417,-. Daarna heeft moeder uit de nalatenschap van de oom van partijen nog € 680.478,- ontvangen.
2.9.
In de jaren 2015-2018 hebben vader en moeder op grond van drie geldleningsovereenkomsten bedragen aan [gedaagde sub 3] geleend. Op 19 april 2018 bedroeg het saldo van het uitgeleende bedrag € 500.000,-. Vanaf 1 januari 2018 is maandelijks een bedrag van € 2.750,- aan kost en inwoning verrekend met deze geldlening. Op 16 april 2018 is daarnaast een bedrag van € 35.750,- betaald van de rekening van vader en moeder aan [gedaagde sub 3] , voor kost en inwoning vanaf 1 december 2016 tot 31 december 2017. Vanaf 2019 is er (met terugwerkende kracht vanaf 2017) € 500,- per maand aan gas, water en elektra verrekend. In 2018-2019 is in totaal € 317.411,- verrekend voor het gebruik van leaseauto’s (en rente) door vader en moeder in de jaren 2000-2017. In 2017 en 2019 is er in totaal € 66.875,- verrekend aan lopende kosten van een vakantiehuis in België over de jaren 1995-2020. In 2021 is er € 2.989,67 verrekend voor een tv. In 2020, tot slot, is er in totaal € 8.912,- van de rekening van moeder betaald aan [gedaagde sub 3] voor beveiligingsapparatuur (€ 5.855,-) en schilderwerk € 3.057,-).
2.10.
Vanaf september 2019 is er (met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2016)
€ 5.808,- per jaar van de rekening van moeder aan [gedaagde sub 4] betaald voor opslag van inventaris en in 2021 en 2022 in totaal € 17.591,66 voor schilderwerk. Verder is er over de periode 2018-2021 in totaal € 70.071,10 van de rekening betaald aan [gedaagde sub 5] aan loonkosten van de hierna te noemen heer [persoon1] .
2.11.
In de periode 2018-2022 is er in totaal € 114.560,- overgeboekt van de rekening naar [appellanten] , het bedrijf waar [gedaagde sub 1] werkzaam was als CEO, voor opnames van contanten uit de kas van dat bedrijf.
2.12.
In de periode 2017-2022 is er van de rekening in totaal € 249.498,- aan de kleinkinderen geschonken, € 63.084,- aan de kinderen en € 33.490,- aan de kerk.
2.13.
Bij het overlijden van moeder bedroeg haar vermogen € 546.727,-. Omdat uit dit bedrag onder meer ook de vorderingen van de kinderen uit hoofde van de ouderlijke boedelverdeling moesten worden voldaan, heeft [eiseres] uiteindelijk een bedrag van
€ 25.096,- uit de nalatenschap van moeder ontvangen.
2.14.
[eiseres] gaat ervan uit dat [gedaagde sub 1] in al die jaren het beheer over het vermogen van vader en moeder heeft gevoerd. Gelet op hun hoge leeftijd en gesteldheid waren zij namelijk niet meer in staat hun financiën te regelen. Zij wisten en begrepen ook niet wat [gedaagde sub 1] met hun vermogen deed. Volgens [eiseres] zijn de betalingen en verrekeningen zonder deugdelijke rechtsgrond door [gedaagde sub 1] verricht. Daardoor is een groot deel van het vermogen van vader en moeder (indirect) aan hem ten goede gekomen en zijn [eiseres] en [gedaagde sub 2] benadeeld. [gedaagde sub 1] heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld en misbruik gemaakt van de afhankelijke positie van vader en moeder. [eiseres] stelt verder dat de door [gedaagde sub 1] verrichte betalingen en verrekeningen nietig zijn wegens strijd met het verbod op Selbsteintritt [1] , omdat hij als gevolmachtigde onbevoegd rechtshandelingen heeft verricht. [eiseres] vordert daarom na eiswijziging primair, kort gezegd, veroordeling tot terugbetaling van de genoemde bedragen aan de nalatenschap van moeder. [2] [eiseres] vordert subsidiair vaststelling van de legitimaire massa en haar legitieme portie en veroordeling tot uitbetaling van haar legitieme portie. [eiseres] legt daaraan ten grondslag dat haar legitieme door de verrichte schenkingen is geschonden.
2.15.
[gedaagde sub 2] heeft zich aangesloten bij de stellingen van [eiseres] behalve waar het de schenkingen betreft.
2.16.
[gedaagde c.s.] heeft daartegen verweer gevoerd. Volgens [gedaagde c.s.] is er altijd gehandeld op instructie van en in overleg met vader en/of moeder. Zij waren weliswaar hulpbehoevend, maar waren goed in staat om hun vermogen zelf te beheren. Zij waren bewust bezig met vermogensbeheer en estate planning. In dat verband wilden zij bepaalde kosten die in het verleden door (de vennootschap van) [gedaagde sub 1] voor hen waren voldaan alsnog betalen, omdat [eiseres] en [gedaagde sub 2] anders (via de daardoor grotere nalatenschap) zouden worden bevoordeeld. De gemaakte afspraken zijn deels schriftelijk vastgelegd en door vader en moeder ondertekend. Vader en moeder werden bijgestaan door de heer [persoon2] (hierna: [persoon2] ), die vanaf 2014 hun vaste belastingadviseur was. Verder ontvingen zij papieren bankafschriften en grootboekkaarten, die [gedaagde sub 1] met hen heeft besproken. Zij gaven zelf de opdracht tot de betalingen en de verrekeningen en hebben die vervolgens ook nog goedgekeurd. De uitgaven zijn aan vader en moeder zelf ten goede gekomen. De schenkingen waren onderdeel van hun vermogensplan en voor hen gebruikelijk en niet bovenmatig. Volgens [gedaagde c.s.] moeten deze daarom buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de legitimaire massa.
2.17.
De rechtbank zal de primaire vorderingen van [eiseres] afwijzen. De rechtbank kan niet vaststellen dat [gedaagde sub 1] het beheer over het vermogen van vader en moeder heeft gevoerd en ook niet dat de betalingen (al dan niet door verrekening) zonder rechtsgrond zijn verricht. Bovendien kan niet worden vastgesteld dat de uitgaven niet voor hen zijn gedaan, maar voor [gedaagde c.s.] [gedaagde sub 1] heeft daarom niet onrechtmatig gehandeld en ook geen misbruik gemaakt van de omstandigheden waarin vader en moeder verkeerden. Vader en moeder hebben zelf beslist wat zij met hun vermogen wilden doen en dat stond hun vanzelfsprekend vrij. Wel is de rechtbank van oordeel dat de schenkingen die zij hebben gedaan niet gebruikelijk waren. Dit betekent dat deze bij de berekening van de legitieme portie van [eiseres] in aanmerking moeten worden genomen. De rechtbank zal de legitieme portie van [eiseres] in dit vonnis vaststellen, maar zal [gedaagde sub 1] niet veroordelen om deze te voldoen.
deze te voldoen.
3. De beoordeling
Ontvankelijkheid [eiseres]
3.1.
[gedaagde c.s.] heeft aangevoerd dat [eiseres] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat zij procedeert over vorderingen van de nalatenschap van moeder, terwijl [gedaagde sub 1] als executeur/afwikkelingsbewindvoerder daartoe privatief bevoegd is. [3] Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde c.s.] dit verweer niet langer gehandhaafd, omdat ook hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil.
3.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] verduidelijkt dat haar vorderingen alleen zijn gericht tegen [gedaagde sub 1] in privé en in zijn hoedanigheid van executeur/ afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van moeder en tegen de vennootschappen. De rechtbank zal [eiseres] daarom niet-ontvankelijk verklaren voor zover haar vorderingen zijn gericht tegen [gedaagde sub 2] . De rechtbank zal de proceskosten tussen [eiseres] en [gedaagde sub 2] compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Wilsbekwaamheid
3.3.
Hoewel [eiseres] niet met zoveel woorden heeft gesteld dat vader en moeder in de periode vanaf 2016 niet meer wilsbekwaam waren, lijkt zij dit in de processtukken wel te suggereren. Het uitgangspunt is echter dat een volwassene wilsbekwaam is, tenzij het tegendeel blijkt. Het is aan [eiseres] om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit volgt dat vader en/of moeder niet langer wilsbekwaam waren en daardoor niet meer in staat waren hun financiële zaken te overzien. Dat heeft zij naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde c.s.] , onvoldoende gedaan.
3.4.
[eiseres] heeft gesteld dat vader en moeder op hoge leeftijd waren en dat zij volledig hulpbehoevend waren. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar de overgelegde zorgleefplannen van moeder van 2018-2021. [4] Daaruit blijkt volgens [eiseres] dat moeder verpleegkundige hulp en huishoudelijke hulp kreeg en dat haar medicijninname moest worden gecontroleerd in verband met haar falende geheugen. Zij had geheugenstoornissen en een beperkt korte termijngeheugen. [gedaagde sub 1] heeft dit ook bevestigd in zijn brief aan [eiseres] van 10 oktober 2019 in reactie op een kaart van [eiseres] aan moeder. [gedaagde sub 1] heeft daarin geschreven: “
De tekst was naar mijn bescheiden mening totaal niet geschikt voor een vrouw van 89 jaar die bij tijd en wijle stevig in de war is en in elk geval niet meer bij machte is alles in het juiste perspectief te plaatsen.”. [5] Volgens [eiseres] was moeder daardoor niet in staat haar financiële zaken te overzien en valt niet uit te sluiten dat sprake was van dementie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] daarover verklaard dat zij moeder voor het laatst heeft gezien op diens verjaardag in 2020. Daarvoor had zij haar lang niet gezien; slechts twee keer in 2019 en een keer in 2018. Tijdens het laatste bezoek herkende moeder haar volgens haar niet meer en maakte zij in het gesprek niet echt contact met haar.
3.5.
[gedaagde c.s.] heeft hiertegen ingebracht dat uit de hulpbehoevendheid van vader en moeder niet kan worden afgeleid dat zij niet meer in staat waren om over hun vermogen te beslissen. Enige medische onderbouwing daarvoor ontbreekt. Volgens hem kon moeder vergeetachtig zijn, maar was zij niet dementerende en wist zij goed wat zij wilde, ook wat betreft haar financiën. Als zij blaasontsteking had, kon zij als gevolg van een kortdurende delier weliswaar “stevig in de war zijn”, maar over het algemeen was zij helder van geest. Zij herkende de mensen om haar heen goed. Ook vader was tot zijn overlijden scherp van geest. Hij was boekhouder en had grote interesse in financiën en beheerde deze zelf. Hij hield tot 2016 zelf een handgeschreven grootboek bij en daarna nam hij de financiën altijd samen met [gedaagde sub 1] door. Vader en moeder waren bewust bezig met vermogensbeheer en estate planning. Vader heeft de grote lijnen uitgezet en [gedaagde sub 1] heeft deze na zijn overlijden gevolgd, waarbij hij telkens overleg had met moeder. Ter onderbouwing heeft [gedaagde c.s.] onder meer verwezen naar een overgelegde verklaring van [persoon2] .
3.6.
[eiseres] heeft de vermeende wilsonbekwaamheid van vader niet onderbouwd en van moeder slechts summier. Zij heeft geen (medische) stukken overgelegd waaruit valt af te leiden dat bij moeder sprake was van dementie. Dat had naar het oordeel van de rechtbank wel op haar weg gelegen. Op grond van artikel 7:458a lid 1 onder c BW kunnen zij die daarbij een zwaarwegend belang hebben namelijk gegevens uit het medisch dossier van de overledene inzien of een kopie daarvan krijgen als dat nodig is ter behartiging van dat belang. Daarvan kan sprake zijn als die gegevens nodig zijn om wilsonbekwaamheid aan te kunnen tonen. Van dit inzagerecht heeft [eiseres] kennelijk geen gebruik gemaakt. In ieder geval heeft zij niet gesteld dat zij hierop wel een beroep heeft gedaan, maar dat inzage haar is geweigerd. [eiseres] heeft evenmin verklaringen overgelegd van medische zorgverleners die betrokken waren bij de zorg voor vader en moeder met daarin een toelichting over hun geestelijke gesteldheid. Aan de verklaring van [eiseres] zelf kan onvoldoende belang worden toegekend, omdat zij in die jaren bijna geen contact met moeder heeft gehad. Er zijn dus geen concrete aanwijzingen dat vader en moeder in de laatste jaren van hun leven niet meer in staat waren om hun wil te bepalen.
3.7.
Er zijn juist aanwijzingen voor het tegendeel. Zo hebben vader en moeder op 12 maart 2018 een aanvullend testament laten opmaken, waarin zij [gedaagde sub 1] tot executeur/afwikkelingsbewindvoerder hebben benoemd, en heeft moeder op 14 maart 2019 een verklaring afgelegd van zuivere aanvaarding van de nalatenschap van de oom van partijen. [6] Daaruit kan worden afgeleid dat de betrokken notaris toen positief heeft geoordeeld over hun wilsbekwaamheid. [persoon2] , die zoals vermeld vanaf 2014 de belastingadviseur van vader en moeder was, heeft over hun geestelijke vermogens verklaard:
“Naar mijn waarneming gingen de heer en mevrouw [erflaters] gaandeweg wat achteruit in gezondheid, zoals bij het ouder worden gebruikelijk is, maar dat heeft hun geestelijke vermogens of begrip van besprekingen met mij nooit merkbaar beïnvloed. In de gesprekken die ik met hen voerde, kwamen zij alert, belangstellend en goed geïnformeerd over. Zij stelden zelf vragen, konden mijn toelichting volgen en begrepen duidelijk wat ik bedoelde. En anders vroegen ze of ik dat nog een keer zou willen uitleggen.”en
“Mijn algemene indruk was dat de heer en mevrouw [erflaters] een stabiel en gelukkig leven leidden in de woning van hun zoon, dat zij hun financiële en persoonlijke zaken in openheid bespraken en dat zij voldoende bij kennis waren om de gevolgen van hun keuzes te begrijpen. In de contacten met hen heb ik nooit iets ervaren dat zou wijzen op onduidelijkheid, onvermogen of beïnvloeding.”. [7] Anders dan [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [persoon2] ook de belastingadviseur van [gedaagde sub 1] was en is, niet afdoet aan de objectiviteit en daarmee de waarde van deze verklaring. [persoon2] heeft in zijn schriftelijke verklaring opgemerkt dat hij een eigen cliëntrelatie had met vader en moeder en dit heeft [eiseres] niet betwist. Zijn professionele onafhankelijkheid mag daarom worden verondersteld. Gezien het voorgaande gaat de rechtbank er bij de verdere beoordeling van uit dat vader en moeder in de laatste jaren van hun leven nog in staat waren om hun wil te bepalen.
Beheer over financiën en verrichte betalingen en verrekeningen
3.8.
[eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde sub 1] vanaf het moment dat vader en moeder bij hem kwamen wonen op basis van een algehele volmacht het volledige beheer over hun financiën heeft gevoerd én dat hij in dat verband zonder rechtsgrond veel betalingen aan zichzelf en de vennootschappen heeft gedaan (deels door verrekening). Zoals hiervoor vermeld, kan de rechtbank echter niet vaststellen dat [gedaagde sub 1] het volledige beheer over de financiën van vader en moeder heeft gevoerd. De rechtbank kan ook niet vaststellen dat de betalingen aan [gedaagde c.s.] ten goede zijn gekomen. Dat zal hierna worden uitgelegd, waarbij eerst zal worden weergegeven wat partijen hierover over en weer hebben aangevoerd.
3.9.
[eiseres] heeft erop gewezen dat vader en moeder op 29 december 2016 aan [gedaagde sub 1] een machtiging hebben verstrekt waarmee hij over hun banktegoeden kon beschikken. Ook hebben zij grote bedragen aan zijn vennootschap, [gedaagde sub 3] , geleend en is [gedaagde sub 1] vorderingen die hij op vader en moeder meende te hebben, met die lening gaan verrekenen. Hij deed de administratie en de bij- en afboekingen. Op 26 april 2020 heeft moeder een schriftelijke volmacht aan [gedaagde sub 1] verstrekt, waarin staat dat deze diende ter formalisering van eerder door haar aan hem afgegeven schriftelijke en/of mondelinge volmachten. Hieruit leidt [eiseres] af dat [gedaagde sub 1] vanaf het moment dat vader en moeder bij hem kwamen wonen over een algehele volmacht van hen beschikte. [eiseres] gaat er gezien het voorgaande van uit dat hij het volledige beheer heeft gevoerd over de financiën van vader en moeder. Alles is op initiatief van [gedaagde sub 1] geregeld en uitgevoerd en alle handtekeningen en parafen waren van hem. Volgens [eiseres] blijkt uit niets dat vader en moeder [gedaagde sub 1] instructies gaven en alles wisten en controleerden, zoals [gedaagde c.s.] heeft gesteld. Behalve onder enkele door [gedaagde sub 1] zelf opgestelde brieven staat nergens een handtekening of paraaf van vader en/of moeder, zo heeft zij opgemerkt.
3.10.
[gedaagde c.s.] heeft betwist dat [gedaagde sub 1] al die jaren op basis van een algehele volmacht heeft gehandeld. Volgens [gedaagde c.s.] hebben vader en moeder altijd het beheer over hun vermogen gehouden en heeft [gedaagde sub 1] hen slechts geholpen doordat hij hun instructies en wensen heeft uitgevoerd. Vader en moeder waren al in de jaren voor de verhuizing actief bezig met vermogensbeheer en estate planning en dat heeft zich voortgezet toen zij bij hem op het terrein kwamen wonen. In dat verband wilden zij kosten die (de vennootschap van) [gedaagde sub 1] in het verleden voor hen had betaald alsnog vergoeden, omdat [eiseres] en [gedaagde sub 2] na hun overlijden anders zouden worden bevoordeeld. Vader en moeder werden daarbij geadviseerd door ABN Amro Bank en later door [persoon2] . Zij hebben een groot deel van hun vermogen geleend aan [gedaagde sub 3] , zodat zij meer rendement konden realiseren. Zij hebben met [gedaagde sub 1] afgesproken dat kosten die hij of zijn vennootschappen voor hen hadden gemaakt met de lening konden worden verrekend. Vader en moeder wilden dat zelf en gaven hem daartoe instructies. Op verzoek van vader en moeder heeft [gedaagde sub 1] bepaalde instructies op papier gezet en door hen laten ondertekenen, bijvoorbeeld ten aanzien van de verrekening van de kosten van de leaseauto’s en de schenkingen. De grote posten zijn voor het overlijden van vader al (met terugwerkende kracht) verrekend en de verrekening van doorlopende kosten is na zijn overlijden voortgezet. Ook is [gedaagde sub 1] na het overlijden van vader schenkingen blijven doen, in overleg met moeder.
3.11.
[gedaagde c.s.] heeft aangevoerd dat [gedaagde sub 1] de gemaakte kosten en de verrekeningen dan wel betalingen altijd zorgvuldig heeft gedocumenteerd en geadministreerd en dat een accountant dat vervolgens heeft gecontroleerd. Vader en moeder controleerden zelf ook nauwgezet de administratie en de papieren bankafschriften die zij ontvingen. [gedaagde sub 1] heeft de bankafschriften en de grootboekkaarten ook steeds met vader en later moeder doorgenomen. Ter onderbouwing heeft [gedaagde c.s.] onder meer verwezen naar de overgelegde administratie en overeenkomsten en brieven, die door vader en/of moeder zijn ondertekend.
3.12.
Volgens [gedaagde c.s.] hadden alle betalingen betrekking op kosten van vader en moeder zélf en zijn [gedaagde sub 1] en de vennootschappen daarvan niet beter geworden. [gedaagde c.s.] heeft toegelicht dat vanaf 1 januari 2018 voor kost en inwoning € 2.750,- per maand met de geldlening is verrekend. Het bedrag dat vader en moeder vanaf 1 december 2016 tot 31 december 2017 verschuldigd waren, hebben zij daarnaast in een keer aan [gedaagde sub 3] betaald. De desbetreffende vordering van [gedaagde sub 1] op vader en moeder is gecedeerd aan [gedaagde sub 3] , zoals is vermeld in de derde geldleningsovereenkomst. Op initiatief van vader heeft [gedaagde sub 1] in april 2018 met vader en moeder afgesproken dat zij ook met terugwerkende kracht € 500,- per maand zouden betalen voor gas, water en elektra. Die kosten werden betaald door [gedaagde sub 3] en zijn vanaf januari 2019 verrekend met de geldlening. Ook heeft er een verrekening plaatsgevonden van een door [gedaagde sub 3] betaalde factuur voor verrichte aanpassingen aan een tv voor moeder. In opdracht van vader zijn de door [gedaagde sub 3] betaalde kosten voor het privégebruik van leaseauto’s door vader en moeder over de jaren 2000-2017 berekend en ook (met rente) verrekend met de geldlening. Deze berekening heeft [persoon2] verricht, in samenwerking met het belastingadvieskantoor waar hij eerder werkzaam was geweest. In opdracht van vader zijn ook de door [gedaagde sub 3] betaalde lopende kosten van het voor vader en moeder gekochte vakantiehuis in België over de jaren 1995-2020 berekend en deels doorbelast en verrekend met de geldlening. Ook hierbij was het hiervoor genoemde belastingadvieskantoor betrokken. De betalingen die vanaf de rekening van vader en moeder aan [gedaagde sub 3] zijn gedaan betreffen kosten voor beveiligingsapparatuur voor de aangepaste woning, waarvan was afgesproken dat vader en moeder daaraan zouden bijdragen, en voor schilderwerk in 2020 dat op verzoek van moeder is verricht.
3.13.
Vanuit [gedaagde sub 4] zijn de kosten voldaan voor de opslag van inboedelgoederen uit de oude woning van vader en moeder. Deze opslag vond op hun verzoek plaats en zij hebben de vaste kosten daarvan met terugwerkende kracht terugbetaald. [gedaagde sub 4] heeft daarbij geen winst gemaakt. Ook heeft [gedaagde sub 4] kosten voldaan voor noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan de aangepaste woning in 2021, die op verzoek en instructie van moeder zijn uitgevoerd. Een klein deel van deze kosten is doorbelast en betaald. De aan [gedaagde sub 5] betaalde loonkosten waren voor de heer [persoon1] , die vanaf 2017 beveiligings- en ondersteunende werkzaamheden verrichte voor [gedaagde sub 1] en (het zorgpersoneel van) vader en moeder. Volgens afspraak betaalden vader en moeder 50% van zijn loonkosten, waarvoor [gedaagde sub 5] . hen een factuur stuurde. De kosten van beveiliging (vernieuwing van het alarmsysteem, brandbeveiliging en intercominstallatie) bedroegen voor het gehele erf € 26.420,42 en hiervan is nog geen kwart aan vader en moeder doorberekend. Van het schilderwerk voor het gehele erf (kosten: € 14.892,68) had een deel van € 3.057,- betrekking op de woning van moeder. De overboekingen aan [appellanten] in de periode 2018-2022 betreft de terugbetaling van contant geld dat [gedaagde sub 1] op verzoek van vader en moeder via kasopnames voor hen regelde. Het ging om gemiddeld € 2.500,- per maand voor uitgaven zoals boodschappen, persoonlijke verzorging (kapper, pedicure), dagjes uit en collectes van de kerk.
3.14.
Ter onderbouwing van het voorgaande heeft [gedaagde c.s.] onderliggende stukken overgelegd, zoals afrekeningen van energiekosten en kosten van het vakantiehuis, facturen van uitgevoerde werkzaamheden en bewijzen van de kasopnames, een en ander met handgeschreven notities van [gedaagde sub 1] daarop.
3.15.
Volgens [gedaagde c.s.] hebben alle betalingen dan wel verrekeningen dus in opdracht van vader en/of moeder plaatsgevonden en ging het daarbij uitsluitend om hun eigen kosten. Hoewel hij meent dat hij zich om deze reden voor de hoogte hiervan niet hoeft te verantwoorden, heeft hij hierop wel een toelichting gegeven. Hij heeft in dit verband aangevoerd dat vader en moeder in weelde leefden. Zij woonden in een grote aanleunwoning, met woonkamer, keuken, gang, twee slaapkamers, twee badkamers, toilet, wasruimte en kantoorruimte. De woning beschikte over airco en een alarmsysteem en was volledig geschikt gemaakt voor minder valide personen. Vader en moeder hadden op het erf van [gedaagde sub 1] daarnaast de beschikking over allerlei faciliteiten zoals een terras en een grote tuin met verwarmd zwembad. In de tuin zijn paden aangelegd die geschikt zijn voor een scootmobiel. De kosten voor gas, water en elektra voor het gehele erf bedroegen € 25.000,- per jaar. Dat is een fors bedrag, maar gelet op de omvang van de woningen en tuinen met (onder andere) een verwarmd zwembad niet bijzonder. Slechts minder dan een kwart
(€ 6.000,- per jaar) werd aan vader en moeder doorbelast. Zij werden overdag (per toerbeurt) verzorgd door drie professionele zorgverleners. Deze zorg was kostbaar: zij hebben hier zelf een bedrag van € 337.176,96 aan besteed omdat de zorg deels niet werd vergoed. De vaste verzorgsters werden ondersteund door de heer [persoon1] , die hen hielp met zware klussen (hij tilde vader en moeder op als zij vielen en reed hen rond in een rolstoel op het erf of op de hei) en het terrein ook beveiligde. Naast [persoon1] stonden ook de chauffeur, de persoonlijk assistente en de secretaresse van [gedaagde sub 1] aan hen ter beschikking. Zo bracht de chauffeur vader en moeder regelmatig naar de dokter, kerk, familie en uitjes. Voor de diensten van de chauffeur, de persoonlijk assistente en de secretaresse hoefden zij niet te betalen. Ook voor het jarenlange gebruik van een appartement en een auto van [gedaagde sub 1] in Griekenland (inclusief hulp en bijstand ter plekke van een ingehuurde kracht) hebben zij nooit hoeven te betalen. Vader en moeder hebben gedurende 17 jaar ook de beschikking gehad over luxe leaseauto’s. Hiervoor hebben zij uiteindelijk wel betaald en dat betrof een fors bedrag ineens, maar uitgesmeerd over 17 jaar was dit voor het type auto’s niet bovenmatig.
3.16.
Dat [gedaagde sub 1] het beheer over de financiën van vader en moeder heeft gevoerd en daarover dus zelfstandig beslissingen nam, heeft [eiseres] naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Tussen partijen staat vast dat vader als boekhouder altijd interesse heeft gehad in zijn financiën en daar op een zeer zorgvuldige wijze mee bezig was. Gebleken is dat hij tot 2016 nauwkeurig een handgeschreven grootboek heeft bijgehouden. Uit de overgelegde brieven van de ABN Amro Bank blijkt dat in een gesprek met vader en moeder in juni 2013 al is gesproken over schenken en erven en in juli 2015 over het mogelijk lenen van gelden aan de vennootschap van [gedaagde sub 1] om daarover een hoger rendement te bereiken. [8] Uit de overgelegde overeenkomsten van geldlening blijkt dat vader en moeder op 25 oktober 2015 de eerste overeenkomst met [gedaagde sub 3] hebben gesloten met dat doel. [9] Uit de overgelegde kopieën van het door vader met de hand geschreven grootboek blijkt dat vader deze lening daarin heeft genoteerd. [10]
3.17.
In de hiervoor genoemde overeenkomst wordt melding gemaakt van de mogelijkheid van verrekening. Artikel 3 bepaalt Pro namelijk onder meer:
“Enige aflossing geschiedt onder verrekening van eventuele vorderingen en/of schulden die Geldgevers en/of Geldnemer op het moment van aflossing ten opzichte van de ander (Geldnemer en/of Geldgevers) mocht(en) blijken te hebben.”. Op 19 april 2018 hebben vader en moeder een derde geldleningsovereenkomst gesloten met [gedaagde sub 3] . In de considerans is vermeld:
“Geldnemer en Geldgevers zijn overeengekomen dat de gecedeerde vordering van [ [gedaagde sub 1] ] op Geldgevers uit hoofde van de geschatte maandelijkse kosten van levensonderhoud en inwoning ad € 2.750 inclusief BTW vanaf 1 januari 2018 wordt verrekend met de hierna beschreven lening.”. [11] Ook in het op 20 juli 2018 door [persoon2] aan vader en moeder uitgebrachte advies is deze afspraak genoemd:
“U heeft een substantieel gedeelte van uw vermogen uitgeleend aan [gedaagde sub 3] B.V. Deze vordering wordt verrekend met de jaarlijkse huisvestingkosten ad EUR 33.000. De huisvestingkosten worden voorgeschoten door [ [gedaagde sub 1] ]. Als gevolg van het voorgaande zal de vordering op [gedaagde sub 3] B.V. jaarlijks afnemen.”. [12] In dat advies zijn voor vader en moeder mogelijkheden geschetst om bij leven en bij overlijden op een fiscaal gunstige manier vermogen aan (klein)kinderen over te dragen. Dit alles wijst erop dat vader en moeder zelf met hun vermogensbeheer en estate planning bezig waren en bewust gekozen hebben voor deze constructie van uitlening van gelden aan [gedaagde sub 3] en verrekening van kosten. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, blijkt uit de hiervoor genoemde derde geldleningsovereenkomst dat [gedaagde sub 1] zijn vordering op vader en moeder in verband met de vergoeding voor kost en inwoning aan [gedaagde sub 3] heeft gecedeerd. Dat de desbetreffende akte van cessie niet in het geding is gebracht, is daarom niet van belang.
3.18.
In een overgelegde brief van 20 april 2018, die [gedaagde sub 1] namens [gedaagde sub 3] heeft opgesteld, is vermeld dat vader en moeder in de periode december 2000-maart 2017 gebruik hebben gemaakt van leaseauto’s op kosten van [gedaagde sub 3] en dat die kosten vermeerderd met rente zullen worden verrekend met de geldlening. [13] Vader en moeder hebben deze brief voor akkoord ondertekend. [gedaagde c.s.] heeft verder diverse door [gedaagde sub 1] opgestelde brieven overgelegd waarin instructies zijn opgenomen voor het doen van schenkingen aan (klein)kinderen vanaf 2017. [14] De brieven van 31 december 2017 en 26 november 2018 zijn ondertekend door vader, de brieven van 23 april 2019 en 5 april 2020 door moeder. Dat heeft [eiseres] niet betwist. In de opgestelde volmacht van 26 april 2020 zijn specifieke wensen en instructies opgenomen over het doen van schenkingen aan kinderen en (achter)kleinkinderen. [15] Moeder heeft deze volmacht voor akkoord ondertekend in het bijzijn van een van haar vaste verzorgsters. [gedaagde sub 1] heeft in een brief van 20 augustus 2020 opnieuw enkele afspraken en instructies vastgelegd. [16] Daarin is onder meer opgenomen:
“Zoals destijds heel duidelijk met Pa is afgesproken, wordt jaarlijks op Pa’s verjaardag de fiscaal maximaal vrije schenking aan kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen gedaan. In het geval van [eiseres] en de kinderen van [eiseres] hebben jullie bepaald alleen aan [eiseres] te schenken onder de voorwaarde dat de schenking persoonlijk dient te geschieden.”en
“Voor dagelijkse uitgaven voor levensonderhoud, boodschappen en andere kosten en uitgaven, waaronder pedicure, fysiotherapie en dergelijke laat jij regelmatig contante bedragen opnemen. Die contante opnames belopen een bedrag van gemiddeld € 2.500 per maand.”Ook deze brief is voor akkoord ondertekend door moeder in het bijzijn van dezelfde verzorgster. Ook dit heeft [eiseres] niet betwist. Door te ondertekenen heeft moeder bevestigd dat [gedaagde sub 1] haar wensen en instructies ter zake van de schenkingen en de contante opnames uitvoerde. Uit het voorgaande volgt ook dat vader en moeder zelf opdracht hebben gegeven om de kosten van inwoning en de leaseauto’s te verrekenen.
3.19.
[eiseres] heeft erop gewezen dat niet is gebleken dat vader en moeder voor alle betalingen opdracht hebben gegeven. Maar ook als dat niet het geval is, geldt dat [gedaagde c.s.] voldoende heeft onderbouwd dat deze betalingen in ieder geval in samenspraak met hen zijn gedaan en dat zij daarmee instemden. Tussen partijen staat vast dat vader en moeder in de jaren 2016 tot aan hun overlijden papieren bankafschriften hebben ontvangen, waarop alle verrichte betalingen met omschrijvingen erbij waren weergegeven [17] , en grootboekkaarten, waarop alle mutaties van de vordering van vader en moeder op [gedaagde sub 3] zijn vermeld. [18] [gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de bankafschriften en grootboekkaarten ook met hen heeft besproken. [eiseres] heeft dit niet betwist, althans onvoldoende. Dat vader en moeder de bankafschriften niet hebben geparafeerd, wil namelijk niet zeggen dat zij die niet hebben bekeken. Vast staat immers (zie 3.16.) dat vader altijd veel belangstelling heeft gehad voor zijn financiën. Dat hij deze interesse op enig moment is verloren, heeft [eiseres] niet gesteld. Dat moeder na het overlijden van vader tot het bekijken van bankafschriften niet meer in staat was, heeft [eiseres] daarnaast onvoldoende onderbouwd (zie 3.6.). Gelet hierop kan worden aangenomen dat vader en moeder in de bankafschriften en de grootboekkaarten moeten hebben gezien welke banktransacties en welke mutaties van de vordering op [gedaagde sub 3] er in die jaren (vanaf 2016 tot hun overlijden) hebben plaatsgevonden.
3.20.
Verder staat vast dat vader en moeder jaarlijks contact hadden met [persoon2] over hun IB aangifte. Uit de schriftelijke verklaring van [persoon2] blijkt dat hij vanaf het aangiftejaar 2014 tot aan hun overlijden de IB aangiften voor hen heeft verzorgd en dat hun contact daarover steeds plaatsvond nadat de betreffende concept-aangifte was opgesteld. De rechtbank gaat ervan uit dat het beloop van hun financiën voor vader en moeder ook daarom inzichtelijk is geweest. [persoon2] heeft zoals gezegd daarnaast verklaard dat vader en moeder in de gesprekken goed geïnformeerd overkwamen, zelf vragen stelden en zijn toelichting begrepen. [persoon2] heeft bovendien verklaard dat hij goed met vader en moeder kon spreken over de mutaties in het kader van de geldlening aan [gedaagde sub 3] . Vader en moeder kwamen op hem over als mensen die hun financiële zaken op een nette en bewuste wijze wilden regelen. [eiseres] heeft niet gesteld en evenmin is gebleken dat vader en/of moeder op enig moment bezwaar hebben gemaakt tegen de verrichte betalingen of verrekeningen. In dit verband is van belang dat [gedaagde c.s.] gemotiveerd heeft gesteld dat de kosten die zijn betaald (al dan niet door verrekening) ten goede zijn gekomen aan vader en moeder zelf. Dat dat anders is en er voor de betalingen (dus) geen rechtsgrond bestond, heeft [eiseres] in dit licht onvoldoende onderbouwd. Ook voor haar stelling dat [gedaagde c.s.] onrechtmatig heeft gehandeld bestaat gezien het voorgaande geen grond.
3.21.
[eiseres] heeft ook gesteld dat [gedaagde sub 1] misbruik heeft gemaakt van de afhankelijke positie waarin vader en moeder verkeerden. Voor zover zij daarmee een beroep heeft willen doen op misbruik van omstandigheden, is zij hierin niet geslaagd. Zorgbehoevende ouders zijn altijd in zekere zin afhankelijk van het kind dat de zorg voor hen op zich neemt. Zoals hiervoor echter vermeld, kan de rechtbank niet vaststellen dat vader en moeder vanwege hun hoge leeftijd en geestelijke gesteldheid niet meer in staat waren om hun wil te bepalen en evenmin dat hun financiën door [gedaagde sub 1] werden beheerd. Ook kan niet kan worden vastgesteld dat de betalingen geen betrekking hadden op kosten van vader en moeder zelf. In welke zin [gedaagde sub 1] dan nog misbruik van de afhankelijkheid van vader en moeder zou kunnen hebben gemaakt, is moeilijk voor te stellen. Hooguit zou [gedaagde sub 1] hen in de besteding van hun geld kunnen hebben beïnvloed. Maar ook hiervoor bestaan geen aanwijzingen. [eiseres] heeft niet gesteld dat vader en moeder haar zelf hebben verteld dat [gedaagde sub 1] in die zin misbruik maakte van hun afhankelijke positie of dat anderen haar dat hebben laten weten. Daarnaast heeft [persoon2] , zoals hiervoor in 3.7. is weergegeven, schriftelijk verklaard dat hij in zijn contacten met vader en moeder nooit iets heeft ervaren wat zou kunnen wijzen op beïnvloeding.
3.22.
Dit betekent dat de rechtbank de primaire vorderingen van [eiseres] zal afwijzen.
Schending legitieme portie
3.23.
Voor het geval [gedaagde c.s.] niet wordt veroordeeld om de door [eiseres] genoemde bedragen aan de nalatenschap te betalen, vordert [eiseres] vaststelling van haar legitieme portie en veroordeling van [gedaagde sub 1] om die aan haar te betalen. In dat verband heeft zij gesteld dat vader en moeder giften hebben gedaan die voor de berekening van de legitieme portie in aanmerking moeten worden genomen. Vader en moeder hebben een bedrag van € 249.498,- aan de kleinkinderen geschonken, € 63.084,- aan de kinderen en € 33.490,- aan de kerk voor een orgel. Volgens [gedaagde c.s.] gaat het hier echter om gebruikelijke giften. Hij heeft aangevoerd dat vader en moeder een schenkingstraditie hadden; in de jaren 2017-2022 schonken zij jaarlijks aan hun kinderen en kleinkinderen de belastingvrije bedragen, waarbij [eiseres] en haar kinderen overigens minder kregen dan de anderen. In 2020 hebben zij daarnaast € 20.000,- per persoon aan de drie kinderen van [gedaagde sub 1] geschonken en € 15.000,- per persoon aan de vier kinderen van [gedaagde sub 2] plus de daarover verschuldigde schenkbelasting. Dit kwam neer op een bedrag van € 146.336,- ineens. Gelet op hun totale vermogen in die jaren waren dit geen bovenmatige giften. De giften pasten ook binnen de vermogensplanning van vader en moeder. Zij wilden hun vermogen reeds bij leven op een fiscaal gunstige manier aan hun (klein)kinderen overdragen en hadden hierover advies gekregen van de hiervoor genoemde [persoon2] . Ook de gift aan de kerk (een gift in vijf termijnen van telkens € 7.233,-) was volgens [gedaagde c.s.] gebruikelijk en niet bovenmatig. [19]
3.24.
Vader en moeder zijn met het doen van giften in 2017, dus twee jaar voordat vader overleed, begonnen. Niet gesteld of gebleken is dat vader en moeder eerder bedragen aan de kleinkinderen, de kinderen en de kerk hebben geschonken. In vier jaar tijd (namelijk in de periode 2019-2022) is bijna € 250.000,- aan de kleinkinderen (en achterkleinkinderen) geschonken. Dat is een groot bedrag. Dat dit in het kader van vermogensplanning is gebeurd, maakt de schenkingen niet “gebruikelijk”. Dit duidt eerder op het tegendeel. Ouders waren het doen van schenkingen niet gewoon en pas nadat zij fiscaal advies hadden gekregen over hoe hun vermogen nog tijdens leven kon worden overgedragen, zijn zij de schenkingen gaan doen. Dat dit grote bedrag van € 250.000,- niet in één keer is geschonken, maar in termijnen (waarbij er in 2020 een extra schenking is geweest), maakt dat niet anders. Door het doen van schenkingen in termijnen kan er naar het oordeel van de rechtbank geen “gebruik” ontstaan. Dat is anders als deze schenkingen eerder óók hebben plaatsgevonden en deze (dus) niet gericht waren op het verkleinen van de omvang van de nalatenschap. Het voorgaande geldt ook voor de giften aan de kinderen en de kerk. Dit betekent dat de rechtbank ook deze niet als gebruikelijk beschouwt. Omdat alle genoemde schenkingen naar het oordeel van de rechtbank niet gebruikelijk waren, is de vraag of zij (gelet op het vermogen van vader en moeder) bovenmatig waren niet meer relevant.
3.25.
[eiseres] heeft gesteld dat het saldo van de nalatenschap van moeder volgens de aangifte erfbelasting € 75.288,- bedraagt. Als hierbij de giften van in totaal € 346.072,- worden opgeteld, bedraagt de legitimaire massa volgens haar € 421.360,-. De legitieme portie bedraagt dan € 70.226,-. Dit heeft [gedaagde sub 1] niet betwist. De rechtbank zal dit voor recht verklaren, zoals [eiseres] heeft gevorderd. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de schenkingen die [eiseres] van moeder heeft ontvangen op haar legitieme portie in mindering komen [20] , net als dat wat zij krachtens erfrecht verkrijgt. [21] Wat dan overblijft, is haar legitimaire vordering. [eiseres] heeft niet gevorderd dat de rechtbank de hoogte hiervan vaststelt. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen deze samen zullen berekenen.
3.26.
De rechtbank kan [gedaagde sub 1] als executeur niet veroordelen om de legitieme portie aan [eiseres] te voldoen, zoals zij heeft gevorderd. Zoals hiervoor vermeld, kan alleen een legitimaire vordering worden voldaan. Voor zover de nalatenschap daarvoor ontoereikend is, is het aan [eiseres] om bij de begiftigden in te korten. [22]
Proceskosten
3.27.
Omdat [eiseres] en [gedaagde sub 1] zus en broer van elkaar zijn, zal de rechtbank de proceskosten tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] (en de vennootschappen) compenseren in die zin dat zij ieder hun eigen kosten moeten dragen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] ,
4.2.
verklaart voor recht dat de legitimaire massa in de nalatenschap van moeder
€ 421.360,- bedraagt,
4.3.
verklaart voor recht dat de legitieme portie van [eiseres] € 70.226,- bedraagt,
4.4.
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat zij ieder hun eigen kosten dragen,
4.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026. [23]
Bijlage
[eiseres] vordert na vermeerdering van eis bij dupliek en vermindering van eis tijdens de mondelinge behandeling, dat de rechtbank:
primair
1. [gedaagde sub 3] B.V. veroordeelt in totaal € 572.189,67 aan de nalatenschap te betalen, bestaande uit € 143.000,00 aan ‘kost en inwoning’, € 33.000,00 aan ‘gas, water en elektra’, € 8.912,00 aan ‘ [bedrijf 1] en [bedrijf 1] ’, € 2.989,67 aan ‘Bang& Olufsen tv’s’, € 317.411,00 aan ‘autokosten en rente’, en € 66.875,00 aan ‘ [bedrijf 3] ’,
2. [gedaagde sub 4] B.V. veroordeelt € 47.123,66 aan de nalatenschap te betalen betreffende opslag inventaris en schilderwerk,
3. [gedaagde sub 5] B.V. veroordeelt € 70.071,10 de nalatenschap te betalen betreffende loonkosten van [persoon1] ,
4. [gedaagde sub 1] in privé veroordeelt € 114.560,00 aan de nalatenschap te betalen betreffende kasopnames bij [appellanten] , dan wel
subsidiair
5. de legitimaire massa in de nalatenschap vaststelt,
6. de legitieme portie van [eiseres] in de nalatenschap vaststelt,
7. [gedaagde sub 1] als executeur veroordeelt die legitieme portie aan [eiseres] te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente daarover, en
primair en subsidiair
8. [gedaagde sub 1] veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente daarover.

Voetnoten

1.Artikel 3:68 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Een volledige weergave van de vorderingen is opgenomen in de bijlage van dit vonnis. Tijdens de mondelinge behandeling is namens [eiseres] toegelicht dat zij, anders dan in het petitum is vermeld, primair veroordeling tot betaling van de genoemde bedragen vordert en subsidiair veroordeling tot betaling van de legitieme portie.
3.Zie artikel 4:145 lid 2 BW Pro.
4.Productie 7 van [eiseres] .
5.Productie 43 van [gedaagde c.s.]
6.Productie 79 van [gedaagde c.s.]
7.Productie 81 van [gedaagde c.s.]
8.Producties 10 en 11 van [gedaagde c.s.]
9.Productie 12 van [gedaagde c.s.]
10.Productie 71 van [gedaagde c.s.]
11.Productie 15 van [gedaagde c.s.]
12.Productie 16 van [gedaagde c.s.]
13.Productie 31 van [gedaagde c.s.]
14.Productie 36 van [gedaagde c.s.]
15.Productie 4 van [eiseres] .
16.Productie 30 van [eiseres] .
17.Producties 23, 24, 26, 27 en 29 van [eiseres] .
18.Productie 22 van [eiseres] .
19.Artikel 4:69 lid 1 onder Pro b BW.
20.Artikel 4:70 BW Pro.
21.Artikel 4:71 BW Pro.
22.Artikel 4:79 sub b BW Pro.
23.type: ID/4198