Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3] B.V.,
4.
[gedaagde sub 4] B.V,
5.
[gedaagde sub 5] B.V.,
1.De procedure
- de conclusie van repliek tevens vermeerdering van eis van [eiseres] met producties 33-37,
- de conclusie van dupliek van [gedaagde sub 2] ,
- de conclusie van dupliek tevens reactie op de vermeerdering van eis van [gedaagde c.s.] met producties 71-77,
- de akte overlegging productie 5 van [gedaagde sub 2] ,
- de akte overlegging producties 78-81 van [gedaagde c.s.]
2.Waar gaat de zaak over?
De tekst was naar mijn bescheiden mening totaal niet geschikt voor een vrouw van 89 jaar die bij tijd en wijle stevig in de war is en in elk geval niet meer bij machte is alles in het juiste perspectief te plaatsen.”. [5] Volgens [eiseres] was moeder daardoor niet in staat haar financiële zaken te overzien en valt niet uit te sluiten dat sprake was van dementie. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres] daarover verklaard dat zij moeder voor het laatst heeft gezien op diens verjaardag in 2020. Daarvoor had zij haar lang niet gezien; slechts twee keer in 2019 en een keer in 2018. Tijdens het laatste bezoek herkende moeder haar volgens haar niet meer en maakte zij in het gesprek niet echt contact met haar.
“Naar mijn waarneming gingen de heer en mevrouw [erflaters] gaandeweg wat achteruit in gezondheid, zoals bij het ouder worden gebruikelijk is, maar dat heeft hun geestelijke vermogens of begrip van besprekingen met mij nooit merkbaar beïnvloed. In de gesprekken die ik met hen voerde, kwamen zij alert, belangstellend en goed geïnformeerd over. Zij stelden zelf vragen, konden mijn toelichting volgen en begrepen duidelijk wat ik bedoelde. En anders vroegen ze of ik dat nog een keer zou willen uitleggen.”en
“Mijn algemene indruk was dat de heer en mevrouw [erflaters] een stabiel en gelukkig leven leidden in de woning van hun zoon, dat zij hun financiële en persoonlijke zaken in openheid bespraken en dat zij voldoende bij kennis waren om de gevolgen van hun keuzes te begrijpen. In de contacten met hen heb ik nooit iets ervaren dat zou wijzen op onduidelijkheid, onvermogen of beïnvloeding.”. [7] Anders dan [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat het feit dat [persoon2] ook de belastingadviseur van [gedaagde sub 1] was en is, niet afdoet aan de objectiviteit en daarmee de waarde van deze verklaring. [persoon2] heeft in zijn schriftelijke verklaring opgemerkt dat hij een eigen cliëntrelatie had met vader en moeder en dit heeft [eiseres] niet betwist. Zijn professionele onafhankelijkheid mag daarom worden verondersteld. Gezien het voorgaande gaat de rechtbank er bij de verdere beoordeling van uit dat vader en moeder in de laatste jaren van hun leven nog in staat waren om hun wil te bepalen.
“Enige aflossing geschiedt onder verrekening van eventuele vorderingen en/of schulden die Geldgevers en/of Geldnemer op het moment van aflossing ten opzichte van de ander (Geldnemer en/of Geldgevers) mocht(en) blijken te hebben.”. Op 19 april 2018 hebben vader en moeder een derde geldleningsovereenkomst gesloten met [gedaagde sub 3] . In de considerans is vermeld:
“Geldnemer en Geldgevers zijn overeengekomen dat de gecedeerde vordering van [ [gedaagde sub 1] ] op Geldgevers uit hoofde van de geschatte maandelijkse kosten van levensonderhoud en inwoning ad € 2.750 inclusief BTW vanaf 1 januari 2018 wordt verrekend met de hierna beschreven lening.”. [11] Ook in het op 20 juli 2018 door [persoon2] aan vader en moeder uitgebrachte advies is deze afspraak genoemd:
“U heeft een substantieel gedeelte van uw vermogen uitgeleend aan [gedaagde sub 3] B.V. Deze vordering wordt verrekend met de jaarlijkse huisvestingkosten ad EUR 33.000. De huisvestingkosten worden voorgeschoten door [ [gedaagde sub 1] ]. Als gevolg van het voorgaande zal de vordering op [gedaagde sub 3] B.V. jaarlijks afnemen.”. [12] In dat advies zijn voor vader en moeder mogelijkheden geschetst om bij leven en bij overlijden op een fiscaal gunstige manier vermogen aan (klein)kinderen over te dragen. Dit alles wijst erop dat vader en moeder zelf met hun vermogensbeheer en estate planning bezig waren en bewust gekozen hebben voor deze constructie van uitlening van gelden aan [gedaagde sub 3] en verrekening van kosten. Anders dan [eiseres] heeft gesteld, blijkt uit de hiervoor genoemde derde geldleningsovereenkomst dat [gedaagde sub 1] zijn vordering op vader en moeder in verband met de vergoeding voor kost en inwoning aan [gedaagde sub 3] heeft gecedeerd. Dat de desbetreffende akte van cessie niet in het geding is gebracht, is daarom niet van belang.
“Zoals destijds heel duidelijk met Pa is afgesproken, wordt jaarlijks op Pa’s verjaardag de fiscaal maximaal vrije schenking aan kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen gedaan. In het geval van [eiseres] en de kinderen van [eiseres] hebben jullie bepaald alleen aan [eiseres] te schenken onder de voorwaarde dat de schenking persoonlijk dient te geschieden.”en
“Voor dagelijkse uitgaven voor levensonderhoud, boodschappen en andere kosten en uitgaven, waaronder pedicure, fysiotherapie en dergelijke laat jij regelmatig contante bedragen opnemen. Die contante opnames belopen een bedrag van gemiddeld € 2.500 per maand.”Ook deze brief is voor akkoord ondertekend door moeder in het bijzijn van dezelfde verzorgster. Ook dit heeft [eiseres] niet betwist. Door te ondertekenen heeft moeder bevestigd dat [gedaagde sub 1] haar wensen en instructies ter zake van de schenkingen en de contante opnames uitvoerde. Uit het voorgaande volgt ook dat vader en moeder zelf opdracht hebben gegeven om de kosten van inwoning en de leaseauto’s te verrekenen.